Afval van het geloof

Is het mogelijk dat een Christen zijn behoud, dat God hem gaf, weer verliest?

1 Consequenties van de leer „Eens gered, altijd gered”

Steeds vaker wordt men met de leer geconfronteerd, dat als iemand eens gered is, hij voor altijd gered zou zijn. Daarentegen gaat het Nieuwe Testament er wel degelijk vanuit dat afval van het geloof mogelijk is en een christen zijn redding weer kan verliezen.

Bij deze problematiek gaat het op een heel directe manier over veel vragen van het christelijk geloof, over de leer over God, de mens en zijn verlossing en behoud. Daarom willen wij in dit artikel dit thema onder de loep nemen en laten zien, waarom het niet met de gezonde leer overeenstemt als iemand ontkent dat het mogelijk is van het geloof af te vallen. Deze leer is in strijd met de liefde van God, de vrijheid van het wezen van de mens als het evenbeeld van God. Deze leer neemt ook de zonde en de strijd ertegen niet serieus en acht de genade en de heiligheid van God niet, die ons tot berouw en een heilig leven leidt. Daarom zal een christen er ook naar streven op deze vraag een duidelijk antwoord te vinden.

Verder willen wij laten zien, dat het niet pas tot afval van het geloof leidt als iemand zich bewust van God afkeert, maar dat het aanhoudend vasthouden aan zonde ook al dezelfde consequentie heeft. Wij hopen, met dit artikel mensen te sterken in de waarheid en hen te waarschuwen voor misleiding en bedrog.

Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God (Hebreeën 3,12)1

2 De relatie met God

De levende God wil een levende relatie met ons als mensen. Hij heeft ons geschapen naar zijn evenbeeld als vrije schepselen en als een werkelijke afspiegeling van hem zelf. Volgens de essentie van zijn eigen natuur handelt God altijd volgens de liefde. Daarom behandelt hij ons niet als marionetten maar respecteert hij onze beslissingen. Hij accepteert dat die ons beïnvloeden en gevolgen met zich meebrengen.

Een levende relatie kan zich alleen op basis van een vrije keus ontwikkelen. Precies zoals wij door een vrije keuze kunnen beslissen met God te leven kunnen wij ook beslissen om ons van hem af te keren. Het Nieuwe Testament laat het gevaar duidelijk zien dat men de grote genade van het behoud door het bedrog van de zonde weer kan verliezen. De mens eindigt dan in blindheid, duisternis en verderf.

Als wij dus over afval spreken, bedoelen wij het verlies of het prijsgeven van de relatie met God.

3 Wat zegt het Nieuwe Testament?

3.1 Het beeld van de wijnstok

Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand. (Johannes 15:1-6)

Elke rank die geen vrucht draagt wordt weggesneden en in het vuur verbrand. Een rank kan alleen vrucht dragen als hij in de wijnstok blijft. Dat betekent dat hij helemaal een eenheid met de wijnstok is. Jezus sprak over mensen die een relatie met hem hebben. Wie niet in de relatie met hem blijft wordt vruchteloos en wordt – figuurlijk – afgesneden en verbrand.

De woorden van Jezus hier laten zien, dat het mogelijk is om de relatie met God weer te verliezen.

3.2 De brief aan de Hebreeën

Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding. (Hebreeën 6:4-8)

Als mensen die zich bekeerden verlicht werden en deel gekregen hebben aan de heilige geest terugvallen in het leven in de zonde, kruisigen zij – figuurlijk – de zoon van God opnieuw en maken zij hem tot een bespotting. Deze mensen verloochenen de kracht van de redding en verlossing in Jezus omdat die kracht de gelovigen tot vrijheid van zonden leidt. Zulke mensen kunnen zich niet meer bekeren van de verharding en de blindheid die ze zelf kozen.

Het moet in deze tekst over iemand gaan die zich werkelijk bekeerde omdat er staat: „… deel gekregen hebben aan de heilige Geest“. Ook de uitdrukking „…weder opnieuw tot  bekering te brengen“ laat zonder twijfel zien dat deze mens zich al een keer bekeerd had en een christen werd.

Hetzelfde geldt voor „de zoon van God opnieuw kruisigen“, omdat dat inhoudt dat diegene all een keer door Jezus’ verlossingswerk werd gered.

„De hemelse gave genoten hebben“ betekent niet alleen er even van te proeven of het uit te proberen als iets wat men eigenlijk niet bezit. Zo wordt het soms geïnterpreteerd. Maar dat klopt niet. Niemand zegt toch ook dat als er in Hebreeën 2:9 staat dat Jezus „…voor een ieder de dood zou smaken“, dat hij niet werkelijk gestorven zou zijn. In de Griekse oorspronkelijke tekst staat hetzelfde woord voor „genieten“ (Heb. 6:4) en „smaken“ (Heb. 2:9). Dus net zoals Jezus de dood smaakte en werkelijk dood was, is het zo dat het genieten van de hemelse gave betekent, dat iemand werkelijk een christen is.

Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren. Indien iemand de wet van Mozes terzijde heeft gesteld, wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen. Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal híj verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft? Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen. Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God! (Hebreeën 10:26-31)

Bij deze verzen gaat het weer over mensen die „tot erkentenis der waarheid gekomen zijn“, en de auteur includeert zich zelf. In het Nieuwe Testament is “tot erkentenis der waarheid komen” een element om een christen te worden. Bij „een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur“ kan het alleen maar over mensen gaan die eeuwig van God gescheiden zijn. Dat er geen offer meer blijft zinspeelt erop dat diegene het offer van Jezus al een keer voor zich had geaccepteerd. Hetzelfde geldt voor „het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht“.

Volgens deze tekst kan een mens zijn behoud verliezen als hij opzettelijk, (=bewust) en bestendig zondigt. Om het behoud te verliezen moet het niet zo zijn dat een christen zijn Redder (Jezus) bewust afwijst. Zelfs een geleidelijk terugvallen in de zonde. De laatste toestand van zo iemand is slechter als toen hij nog geen christen was.

3.3 Hebreeën 3:12

Dit vers, dat in het begin van dit artikel is geciteerd, is geschreven om de lezers van de brief te zeggen, dat ze goed op hun broeders en zusters in de gemeente moeten passen zodat niemand „door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God“. Net zoals in andere teksten zien we hier dat er een nauw contact is tussen afval van het geloof en het ontbreken van werkelijk bindende gemeenschap van de christenen.

Sommige mensen zeggen, dat de brief aan de Hebreeën niet aan christenen werd geschreven. Maar in de brief is het duidelijk dat de schrijver werkelijk aan broeders in het geloof schrijft, bijv.:

Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven. (Hebreeën 6:11-12)

Dat laat zien dat diegenen die de brief ontvangen niet onbekeerd zijn. Zij staan dus niet vóór de stap om van lippendienst echte christenen te worden. Maar zij moeten volhouden tot het einde en oppassen dat ze niet lui en passief worden op de goede weg, die ze al hebben ingeslagen. Ze zijn dus al christenen.

De auteur spreekt zijn geadresseerden als broeders aan als hij ze vermaant. Hij zag dat sommige van hen zwak in het geloof waren, maar hij beoordeelde het toch zo, dat ze christenen waren. Door de vermaningen zien wij dat ze in het gevaar waren de samenkomsten te verwaarlozen en weer gevangen en verhard te worden door zonden. Ze waren vroeger Joden (daarom: Hebreeën) en ze voelden ze zich erg aangetrokken door de tempeldienst waaraan ze vroeger deelnamen. Ze vergaten de zuivering die ze kregen door hun lauwheid en angst voor leiden. (Hebreeën 10:23-29)

Daarom kan niemand concluderen van de beschreven situatie, dat de geadresseerden geen werkelijke christenen waren.

Bovendien vindt je ook verder in het Nieuwe Testament nergens deze gekunstelde onderscheiding tussen mensen „die alleen maar met hun mond christenen zijn” en werkelijke christenen.

3.4 Afval van het geloof en valse leren

Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij. (Galaten 5,4)

In het nieuwe testament is de waarschuwing tegen afval van het geloof nauw verbonden met de oproep de juiste leer te behouden. De brief aan de Galaten is daarvoor een goed voorbeeld. Aan het begin van deze brief, laat Paulus zien dat hij heel bezorgd is, omdat de Galaten zich zo snel lieten verleiden tot een „ander evangelie“2. Uit de context van de brief is zichtbaar wie de valse leraars en verleiders waren: de Joden die wilden dat diegenen, die zich vanuit het heidendom tot het christendom hadden bekeerd, de wet van Mozes moesten houden om God te kunnen behagen.

Voor Paulus was het duidelijk: als ze nu beginnen met formalistische tempeldienst handelingen, die ertoe leiden dat men „buiten de genade staat„ (Griekse oorspr. tekst: uit de genade vallen). Dat is een verlies van het behoud en afval van het geloof.

In Galaten 4:11 zegt Paulus dat hij bezorgt is over de Galaten, of hij niet tevergeefs voor ze heeft gewerkt. Als de afval van het geloof niet mogelijk zou zijn, dan zouden zulke zorgen helemaal onterecht zijn geweest.

Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, … (1 Timoteüs 4:1)

In de brief aan Timoteüs is zichtbaar dat jonge christenen geconfronteerd werden met nog een gevaarlijke valse leer. Een vroege vorm van Gnosis (1 Timoteüs 6:20) leidde ertoe dat sommige Christenen van het ware geloof zijn afgeraakt, en dat hun geloof schipbreuk leed, zoals bij Hymenaeus and Philetus (1 Timoteüs 1:18-20, 2 Timoteüs 2:17).

Gierigheid en alle andere soorten van begeerten leidden sommige gelovigen ook al weg van het geloof (1 Timoteüs 6:6-10, 5:14-15).

3.5 De brieven van Johannes

In sommige gevallen kan het voorkomen dat sommige die het geloof hebben verlaten, nooit christenen waren.

Johannes schrijft in zijn brief over soortgelijke gnostische ketterijen:

Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn. (1 Johannes 2:18-19)

De conclusie van Johannes dat de valse leraren de Heilige Geest nooit hadden en daarom eigenlijk nooit bij de gemeente hoorden word gegrond op het feit dat ze anders zouden blijven. Men kan de indruk krijgen dat Johannes als het ware een regel wil schrijven, dat alleen al door de trouw van een mens zichtbaar wordt of hij een christen was of niet. Maar de uitdrukking „antichrist“ maakt duidelijk dat de personen om wie het gaat zelf valse leren verbreidden en dat ze niet alleen ontrouwe gelovigen waren. Omdat Johannes (zoals we bijvoorbeeld in de volgende teksten) er bij andere teksten als vanzelfsprekend vanuit gaat dat het mogelijk is zijn behoud te verliezen kunnen we de bovenstaande tekst als een uitzonderlijk geval zien. Over het algemeen gebruikten gnostische leraars op een bedrieglijke manier dezelfde uitdrukkingen als de christenen, maar dan met een heel andere inhoud. Daardoor was het voor jonge christenen, die nog niet zo vast in de juiste leer stonden soms moeilijk te zien wat er precies niet in orde was. Dit is een reden waarom Johannes wilde benadrukken: deze mensen hadden zich nooit werkelijk bekeerd.

Dus de omstandigheden zijn hier heel anders als die in de volgende tekst:

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, moet hij bidden en God zal hem het leven geven, hun namelijk, die zondigen niet tot de dood. Er bestaat zonde tot de dood: daarvoor zeg ik niet, dat hij moet vragen. (1 Johannes 5:16)

Als hij dit schrijft veronderstelt Johannes dat het mogelijk is dat een broeder zonde doet „die tot de dood leidt“. Dat betekent dat het zondigen tot de geestelijke dood leidt. Sommige mensen die pertinent niet willen geloven dat het mogelijk is om van het geloof af te vallen zeggen dat het hier over de lichamelijke dood gaat en niet over de geestelijke dood. Maar Johannes moest de christenen zeker niet overtuigen, dat ze niet voor doden kunnen bidden. Als het in deze tekst niet over afval gaat, wat voor een zin zou deze tekst dan hebben?

God wil de zonde van de mensen vergeven, hoe erg de zonde ook is, als de mens er berouw van heeft. Als mensen er geen berouw van willen hebben, dan zal ook de lichamelijke dood  niets aan hun hardnekkigheid veranderen.

4 Maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered

Behalve de teksten die direct laten zien dat het mogelijk is om van het geloof af te vallen, zijn er nog veel teksten die de christenen aansporen om in het geloof te volharden.

Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. (Matteüs 10:21-22)

Andere teksten die hetzelfde laten zien: 1 Korintiërs 15:1-2; Kolossenzen 01:21-23; Hebreeën 10:35-39.

Sommige mensen denken dat deze teksten, die over de afval van het geloof gaan, alleen maar een ernstige waarschuwing zijn. Als iemand die negeert, dan denken ze, dat dat dan geen consequenties zou hebben en dat God dan uiteindelijk toch niet doet waarmee hij dreigt.

Maar als afval van het geloof uiteindelijk geen consequenties heeft omdat diegene toch in de hemel komt, waarom zijn er dan zo veel waarschuwingen in de bijbel om stand te houden tot het einde? God die altijd de waarheid spreekt probeert zijn kinderen niet met lege bedreigingen tot gehoorzaamheid te leiden. Zelfs bij de menselijke pedagogie worden zulke methodes normaal gesproken verworpen.

Al de aanmoedigingen in de Bijbel die benadrukken, dat het een christen in het geloof moet volharden, bewijzen dat een christen „zijn behoudenis moet bewerken met vreze en beven“ (Filippenzen 2:12) doordat hij erom strijdt een heilig en gehoorzaam leven te leiden. Dan kan hij zij behoudenis behouden. Deze teksten laten zien dat het niet genoeg is om een goed begin te maken met God. Maar we moeten de race voltooien: „Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij die behaalt!“ (1 Korintiërs 9:24-27).

Zelfs het oude testament laat duidelijk zien dat God de zonden voor de bekering niet laat meetellen als we ons bekeren van de goddeloosheid, maar ook dat onze vroegere gerechtigheid ons niet kan helpen als we ons weer van de waarheid afkeren.

Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft – zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, daarom zal hij sterven. (Ezechiël 18:24)

Waarom waren er zulke strenge straffen in het oude testament?

Was dat niet zo om ons te onderwijzen dat wij zonde moeten vermeiden en er ver weg van moeten blijven, zodat wij niet de vernietigende gevolgen ervan moeten dragen? Gevolgen: een verhard hart en afgesneden te zijn van God.

5 Teksten die vaak worden gebruikt als tegenargumenten tegen de leer van afval van het geloof

Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? (…)

Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. (Romeinen 8:31-35;38-39)

In deze tekst gaat het over de trouw van God tegenover zijn kinderen. Als een christen trouw blijft aan God, dan kan geen enkele derde persoon, geen andere macht en ook niet de dood ons van God scheiden.

Het is het plan van God dat elke christen trouw blijft tot het einde. Daarvoor krijgt iedere christen de nodige kracht van God.

Maar in deze tekst wil niets erover zeggen wat er gebeurt als een christen zelf niet meer tegen de zonde wil vechten en zich van God isoleert. We kunnen niet verwachten dat er bij elke belofte van God hij er de voorwaarden bij schrijft.

En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. (Johannes 6:39)

Vanzelfsprekend wil God niet dat er ook maar één christen verloren gaat. Maar uit liefde heeft hij ons de vrije wil gegeven. En die zal hij niet negeren. Als wij iets beslissen, accepteert hij dat. Dat beperkt zijn absolute soevereiniteit natuurlijk op geen enkele manier.

Volgens 1 Timoteüs 2:4 wil God, dat alle mensen de waarheid leren kennen en daardoor worden gered. Als God dit dan wil, waarom gebeurt het dan niet (dat alle mensen worden gered)? Het antwoord is dat de meeste mensen hun leven niet willen veranderen. Zo kunnen ook christenen hun geloof en behoud verliezen als ze niet meer voor God willen leven, d.w.z. Als ze de de zonde meer liefhebben als degene (God) die hen ervoor wil bewaren. Waarom zou er een andere maatstaf voor christenen moeten zijn? God maakt geen verschil; zelfs bij diegenen die zich al hebben bekeerd, maar geen “bekeerd leven” willen leven.

Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. (Johannes 10:27-28)

In deze tekst gaat het ook om Gods trouw. De uitdrukking “uit mijn hand roven” laat zien dat Jezus het hier over invloed van buitenaf heeft. God wil ons helpen om trouw te blijven als we hem om hulp vragen. Maar Jezus zal ons niet dwingen in zijn hand te blijven tegen een duidelijke beslissing van onze eigen wil, die zichtbaar wordt in hoe we leven.

In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. (Efeziërs 1:13-14)

En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. (Efeziërs 4:30)

De heilige geest als voorschot op onze erfenis wordt vergeleken met een stempel of een zegel. Een stempel of zegel betekent een bevestiging en soms ook een herkenningsteken. Maar een zegel is niet iets wat je niet kan verbreken, alsof wij Gods eigendom zouden moeten blijven. Het verbreken van het zegel of de stempel heeft consequenties. God wil natuurlijk christenen niet alleen een voorschot geven maar de hele beloning – eeuwige redding. Daarom benadrukt Paulus Gods plan van verlossing elke keer weer opnieuw om de discipelen te sterken.

Dus gaat het er in Efeziërs om dat Paulus de christenen wil bemoedigen en niet over de vraag of iemand van het geloof kan afvallen.

5.1 Een kind van God

Sommige mensen gebruiken de vergelijking van de relatie met God met een “ouder – kind” relatie om te beargumenteren dat dat de relatie “God – gelovige” niet ontbindbaar zou zijn. De uitdrukking “een kind van God te zijn” is een beeld, en niet elk aspect van dit beeld (relatie van een menselijke vader met zijn kind) kan worden vergeleken met de relatie met God. Niemand kan bijvoorbeeld kiezen welke menselijke vader hij wil hebben. Bij de relatie met God is dat wel het geval.

Iedereen die van God afvalt blijft wel Zijn schepsel, op dezelfde manier als iemand een kind van zijn ouders blijft, ook als er geen relatie tussen hen meer is. En het is ook zo dat precies zoals alleen diegene die Jezus accepteren kinderen van God kunnen worden, ook alleen die diegenen behouden kunnen worden die trouw blijven.

6 Mogelijke oorzaken, die ervoor zorgen, dat mensen de leer van de afval van het geloof afwijzen

6.1 Geen interesse in andere gelovigen

We kunnen andere mensen alleen laten zien wat we zelf in praktijk brengen in ons leven. Als er nieuwe mensen in de gemeente komen, wordt hen dan toereikend voor ogen gesteld wat de navolging van Christus werkelijk in de praktijk betekent?

Veel mensen verwaarlozen de gemeenschap met andere christenen. Hun privézaken zijn belangrijker als de geestelijke dingen en de verantwoordelijkheid voor andere mensen wordt vaak aan de leiders afgegeven als dat überhaupt het geval is. Het resultaat is dat de mensen bij zichzelf hun zonden niet zien, en andere mensen worden niet opgeroepen om hun zonden los te laten en nog andere mensen vallen weer terug in oude zonden.

Het is begrijpelijk dat het bij zulke omstandigheden moeilijk is – en soms ook niet juist – om iemand die in zonde leeft als van God afgevallen aan te zien.

Er zijn dan ook gevallen dat iemand die zich afkeert, weer terugkomt en overnieuw begint. In zo een geval ontstaat de vraag of zo iemand zich echt bekeerd had. Bij zulke omstandigheden ontstaat al snel de wens en de valse leer, dat het niet mogelijk is om van af te vallen van de liefhebbende God…

Het is niet juist de situatie in het Nieuwe Testament vanuit het perspectief van zulke ervaringen te betrachten en dan tot de conclusie te komen, dat alle mensen die zich van het geloof afkeren, nooit christenen waren. De volgende verzen zijn niet de enige tekst die dat duidelijk weerlegt:

Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod dat hun overgeleverd is. Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of: een gewassen zeug naar de modderpoel. (2 Petrus 2:20-22)

6.2 Niet te de zonden te willen vechten

Als God niet het belangrijkste is in het leven, dan zal men ook niet genoeg liefde hebben om  tegen de zonde te vechten met de radicaliteit zoals Jezus het leerde: “En indien uw oog u tot zonde verleidt, ruk het uit en werp het van u.” (Mattheüs 18:9). Als deze oproep van Jezus te veel inspanning kost, willen mensen liever de garantie, dat je sowieso bij God aankomt.

7 Valse leren

7.1 De interpretatie van “genade”

God brengt het “willen en het werken” in ons teweeg. Daarom kan niemand roemen over wat een mens zelf doet. Wat kunnen wij geven, dat we niet hebben ontvangen? Maar niemand kan de genade werkelijk begrijpen als ze niet met al hun kracht zich ervoor inzetten hun leven werkelijk ter beschikking stellen van hun schepper.

Wie denkt dat God – helemaal zonder dat wij iets doen – alles voor ons doet om ons het eeuwige leven te geven, en wie dan een comfortabel leven opbouwt, en het dan als wettisch, zelfingenomen en arrogant ziet als iemand ernaar streeft de geboden van Jezus te houden, dan heeft diegene niet begrepen wat genade betekent. „Geloof zonder werken is dood” (Jakobus 2:17).

7.2 Uitverkiezing

Predestinatie zoals Augustinus, Luther of Calvijn erin geloofden leert dat:

het niet zo is dat God al de toekomst al kent en weet welke beslissingen de mens zal nemen, en op deze basis mensen kiest, maar dat hij zelf bepaalt wie er wordt gered (Luther) en wie niet (Calvijn) zonder er rekening mee te houden wat de mens wil.

Deze manier van denken misacht de vrije wil van de mens en zou betekenen dat de mens zelf niet kan beslissen of hij bij God wil zijn of niet. Maar afval van God laat de vrije wil juist zien. Als iemand dus in Predestinatie/uitverkiezing gelooft, dan moet hij, als hij consequent denkt, ook de mogelijkheid van het geloof af te vallen loochenen en andersom.

Zie ook ons onderwerp over UITVERKIEZING.

Door de bovengenoemde redenen en ook nog veel andere redenen (te veel om nu hier op te noemen), zijn wij ervan overtuigd dat Christenen een ondubbelzinnig standpunt moeten betrekken wat afval van het geloof betreft.

En iedereen die ontzag, eerbied en respect voor God heeft en die berouw heeft over zijn zonden, ze belijd en ze loslaat moet helemaal geen angst voor afval van het geloof hebben.

Wij beantwoorden graag vragen, die je misschien over dit artikel hebt.

Scroll to top ↑


Voetnoten:
  1. Als Bijbelvertaling hebben wij, tenzij bij het citaat anders aangegeven, de NBG51 geciteerd. 
  2. Galaten 1: 6-9