In dit onderwerp schrijven wij over de leer van de „onzichtbare kerk”, ook wel kerk met een grote K (en kerk met een kleine k) genoemd. Men probeert deze leer met bijbelteksten te onderbouwen. Wij zullen gedetailleerd op die bijbelteksten ingaan.
Deze leer komt niet met het nieuwe testament overeen. De uitdrukking „onzichtbare kerk” komt niet in de bijbel voor; ja er is zelfs geen enkele uitspraak van Jezus of van de apostelen die daarop zinspeelt.
De Kerk wordt door de wereld gezien. Dat is de zichtbare kerk, zoals Jezus er ook over sprak.
Geëngageerde leden van de tegenwoordige zogenoemde christelijke „kerkgenootschappen” zijn zich bewust van het feit, dat er naast hunzelf (de „gelovigen”, „bekeerden”), ook onechte christenen („onbekeerden”, „zondagschristenen”) in de kerk zijn. Die hebben zich nog niet bekeerd of zullen dat nooit doen. Die laatstgenoemde mensen nemen deel aan de samenkomsten. Ook bidden, en zingen zij met de „bekeerden” en nemen soms zelfs deel aan het heilig avondmaal, hoewel ze geen relatie met Jezus hebben.
Hoe is dat mogelijk? Is het juist, of zien we hier een situatie, die in tegenspraak is met de bijbel?
De situatie, die men vandaag de dag ziet wordt met de leer van de „onzichtbare kerk” goedgepraat. Die leer kan men als volgt samenvatten:
De leer van de „onzichtbare Kerk”:
- Er is een verschil tussen de „zichtbare kerk” (kerk met een kleine k) en de „onzichtbare” Kerk (Kerk met een grote K).
- De zichtbare kerk wordt door buitenstaanders gezien en in die kerk zitten de bekeerde tussen de ongelovige „christenen”(!). Er zijn veel zulke „kerken” (Katholiek, Protestants, Gereformeerd, Luthers en veel verschillende kleine en grote „kerken”)
- Verborgen in deze „kerken” is er één onzichtbare „Kerk”. Bij deze Kerk horen die „bekeerde” christenen, die samen met de ongelovigen in de zichtbare kerk zitten. Als Jezus terugkomt, zal hij ze tot zich nemen. Dan wordt de onzichtbare Kerk zichtbaar.
- De „gelovigen” denken over de „ongelovigen” met wie ze samen zijn, dat alleen God hun hart kan zien en dat ze zich misschien ooit zullen bekeren, maar het is ook mogelijk, dat zij als ongelovigen zullen sterven. Ze zien het als hun taak, een licht voor de ongelovigen in de „kerk” te zijn en op die manier een „innerlijke evangelisatie” te bedrijven.
Men probeert deze leer met bijbelteksten te beargumenteren, waar wij later op in willen gaan (zoals wij bovenaan al schreven). Maar eerst willen wij graag aan de hand van andere bijbelteksten laten zien, hoe ver deze leer en deze praktijk weg is van de opdracht en van de waarden uit de bijbel. Alleen een werkelijke gelovige kan lid van een christelijke gemeente zijn en niet iemand, die niet beslist heeft Jezus te volgen en die met deze (geestelijke) toestand tevreden is.
De situatie in de eerste gemeente
Over de eerste gemeente in Jeruzalem, die na de prediking van Petrus bij Pinksteren is ontstaan, kunnen wij het volgende lezen:
En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. (Handelingen 4:32)
En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, … (Handelingen 5: 12-15)
Het feit dat van de anderen niemand zich bij hen durfde aan te sluiten betekent niet dat de christenen een geïsoleerde gemeenschap vormden. Het betekent ook niet dat zij mensen op een afstand hielden, die zich bij hen wilden aansluiten. Wij kunnen zien hoe ijverig zij evangeliseerden en hoe God de gemeente uitbreidde, met mensen die werden gered (Handelingen 2: 47). De „anderen” (Hand. 5:13) zijn mensen, die Jezus niet met hun hele leven wilden dienen. De evangelisatie en het leven van de christenen riep de mensen op een beslissing te maken. Er waren dan zeker ook tijdelijke gasten in de gemeente, maar niet een heleboel mensen, die geen beslissing namen en zich dan pas na een paar jaar of decennia te bekeerren of misschien tot het einde van hun leven alleen maar uiterlijk religieus te bleven leven.
Als een ongelovig persoon in de gemeente kwam werd hij ertoe geleid het verborgene van zijn hart te zien.
Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen spreken, en er komen toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij wartaal spreekt? Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is. (1 Korintiërs 14: 23-35)
De hele gemeente liet zich door God leiden en zette zich met liefde en toewijding in, zodat de gast begreep, waarvan hij zich moest bekeren. Dit proces kan van geval tot geval korter of langer hebben geduurd, maar in ieder geval werd iedereen naar een beslissing toe geleid. Paulus beschrijft in deze context van 1 Kor. 14 de positieve beslissing van een mens, namelijk de bekering. Hij is bereid de beoordeling van God door de christenen aan te nemen en berouw te hebben van zijn oude zondige leven. Hij keert zich daarvan af en vanaf nu wil hij met zijn leven God verheerlijken. Een negatieve beslissing van een mens wordt in 1 Kor. 14: 23-25 niet beschreven. Maar door het feit dat hij door allen weerlegd en doorgrond werd kunnen wij de conclusie trekken, dat de christenen ook de tegenzin voor de bekering beoordeelden en dat het dan openbaar werd, dat er geen basis was om deze persoon aan de gemeenschap / gemeente deel te laten hebben.
We vinden in het boek Handelingen toch de situatie van Simon de tovenaar (Handelingen 8:4-13). Het lijkt erop, dat Philippus bij zijn evangelisatie in Samaria niet had gemerkt, dat tussen de vele bekeerden, Simon zijn voorstellingen en denken toch niet werkelijk had veranderd.[1]
En toen Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan, en zeide: Geef ook mij deze macht, opdat, als ik iemand de handen opleg, hij de heilige Geest ontvange. Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, daar gij gemeend hebt de gave Gods voor geld te kunnen verwerven. Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht voor God. Bekeer u van deze uw boosheid en bid de Here, of deze toeleg van uw hart u moge vergeven worden; want ik zie, dat gij gekomen zijt tot een gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid. Doch Simon antwoordde en zeide: Bidt gij voor mij tot de Here, dat mij niets moge overkomen van hetgeen gij gezegd hebt. (Handelingen 8: 18-24)
Wij zien hetzelfde strenge gedrag ook in gevallen als een paar mensen de gemeente binnenslopen, die anders leefden of dachten, als Jezus en de apostelen dat hadden geleerd.
Want er zijn zekere mensen binnengeslopen – reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven – goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen. (Judas 4)
Het doel van Judas was om uit te drukken dat deze mensen geen plaats hebben in de gemeente. Ook als het gebeurde, dat iemand zich bij de gemeente voegde, die zich niet aan de wil van God wilde onderwerpen, dan kunnen wij (door wat wij hierboven al schreven) zien dat het maar voor een korte tijd mogelijk was, dat hij in de gemeente was en dat dat überhaupt niet als normaal werd aangezien.
Een soortgelijke situatie vinden wij in 1 Johannes 2:18-20:
Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn. Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen.
Hier schrijft Johannes over mensen, die een tijd lang in de gemeente waren, maar nooit christenen waren, maar verleiders (zie vers 26). Het lijkt erop, dat de christenen daar, deze valse leraars niet diep genoeg beoordeelden. Daarom ziet Johannes de noodzaak om de christenen in zijn brief meer uit te leggen, zodat ze een betere basis hebben om te beoordelen. Hij schrijft eerst over de wandel in het licht (Hoofdstuk 6: 6+8+10) en over het houden van de geboden van Christus (Hoofdstuk 2: 3-6). Hij noemt dan ook steeds weer de liefde van de christenen onder elkaar (broederlijke liefde: Hoofdstuk 2:9-11; 3:14-18+23; 4:7-8+20-22), in verbinding met zich afkeren van de zonde (hoofdstuk 3:4-10). Johannes zegt dat het juiste geloof en de juiste leer van Jezus (hoofdstuk 2:22-23; 4:2-3) een onlosmakelijk herkenningsteken is, om te zien of iemand een christen is. Hij roept de christenen op de leer te beproeven van de mensen, die ze ontmoeten:
Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. (1 Johannes 4:1)
Het gaat hier in deze situatie natuurlijk over een concrete valse leer. Maar dat betekent uiteraard niet, dat hij over andere valse leren anders gedacht of geschreven zou hebben. In zijn brief maakt hij een duidelijk verschil tussen de geadresseerden en tussen „niet-christenen”, die dan ook niet (meer) in de gemeente waren.
Ook in andere teksten wordt zichtbaar, dat Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament, de lezers en toehoorders vermaanden alle dwaalleraars klaar en duidelijk te weerstaan en zich van hen te distantiëren. (Matteüs 24:23-26; Handelingen 20:31; 2 Timoteüs 3:1-9; Openbaring 2:13-16).
Zuiverheid en heiligheid van de kerk
Als er een lid van de gemeente was, die zo had gezondigd, dat hij het niet meer waard was om een discipel te zijn, en als hij dan ondanks herhaalde hulp en vermaningen zijn zonde niet wilde berouwen om zich van zijn zonde te bekeren, dan beëindigde de kerk de gemeenschap met die persoon: hij werd uitgesloten. Uitsluiting uit de gemeente gebeurt op basis van het gebod van Jezus:
Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen. Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar. Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel. (Matteüs18:15-18)
Over: „dan zij hij u als de heiden en de tollenaar” moet nog worden gezegd, dat de Joden geen gemeenschap hadden met heidenen omdat zij dachten, dat die onrein waren (Handelingen 10:28). Op dezelfde manier dachten ze over de gierige tollenaars, die compromissen met de Romeinen maakten (zie Matteüs 9:10-11). Deze algemene afwijzing was niet juist, maar de Joden deden het zo in de praktijk. Jezus gaat op deze dagelijkse praktijk in en laat zien, wat de werkelijke zin van de afscheiding is: de reden daarvoor mag niet de sociale of nationale status van iemand zijn, maar het feit, dat hij de hulp niet aanneemt en zijn zonden wil vasthouden.
Ook Paulus schrijft ook daarover:
Inderdaad men spreekt van hoererij onder u, en zulk een hoererij, als zelfs onder de heidenen niet (voorkomt), dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader. En gij zijt opgeblazen in plaats van u veeleer te bedroeven, en dus de bedrijver van die daad uit uw midden te verwijderen? Want mijnerzijds heb ik, hoewel lichamelijk niet, maar naar de geest wèl aanwezig, reeds, als aanwezig, vonnis geveld over hem, die op zulk een wijze zo iets heeft begaan. Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus, leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan[2] over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren. Uw roem deugt niet. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. (1 Korintiërs 5:1-7)
En dan een paar verzen later:
Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard, of oplichter is; MET ZO IEMAND MOET GIJ ZELFS NIET SAMEN ETEN. Staat het soms aan mij, hen te oordelen, die buiten zijn? Oordeelt ook gij niet (alleen) hen, die in uw kring zijn? Hen, die buiten zijn, zal God oordelen. DOET, WIE NIET DEUGT, UIT UW MIDDEN WEG. (1 Korintiërs 5:11-13)
Iemand zou kunnen vragen: „Hoe zit dat dan met geduld en hoop voor de zondaar? Daarover schrijft Paulus toch ook in dezelfde brief (1 Korintiërs 13)? Hoopt Paulus dan helemaal niet meer, dat de zondaar zijn hart weer voor God opent?” Jawel, hij had wel hoop! Dat wordt uit vers 5 duidelijk: „… tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren.” De uitsluiting uit de kerk kan de zondaar nog de laatste hulp bieden om te zien hoe hij voor God staat om dan toch nog om te keren. Maar hoewel Paulus dit mogelijk vond, ja juist daarom (!) verbond hij het horen bij de gemeente aan duidelijke voorwaarden. Gods gemeente kan geen gemeenschap hebben met iemand, die aan de zonde vasthoudt. Diegene wijst God af en heeft geen gemeenschap met HEM. Daarom zou het bedrog zijn als zo een persoon in de gemeente bleef. Verder beïnvloedt hij de andere als „zuurdeeg”. Dan is er een groot gevaar, dat dan ook andere leden van de gemeente zulke zonden niet meer duidelijk beoordelen en dan zelf in dat punt zondigen. Maar als de uitgesloten persoon later berouw heeft, kan hij met een nieuwe beslissing (dat hij een puur, zuiver en heilig leven wil leven) weer terugkeren in de gemeente.
De eerste christelijke gemeenten bewaarden op deze manier hun zuiverheid als gemeenten van God. Zo was het mogelijk dat geen ongelovige een lange tijd in de gemeente bleef. Als dat niet zo zou zijn gewezen, hoe kon Paulus zijn geadresseerden dan „heiligen” of „geheiligeden” noemen, die bij God horen? (Bijv. 1 Korintiërs1:1-3; 2 Korintiërs 1:1-2)[3]
In het Nieuwe Testament heeft de uitdrukking „heilige” dezelfde betekenis als het woord „christen” (Handelingen 9:13; Efeziërs 5:3; Filippenzen 4:21-22; Hebreeën 3:1). Alle Christenen zijn heiligen en alleen diegenen horen bij de kerk, die zich laten heiligen en God in hun leven laten regeren (Hebreeën 12:14, Efeziërs 5:5, Galaten 5:19-21). Het gaat hier niet over mensen zonder zonde (dat wordt in het bijzonder in de brieven aan de Korintiërs duidelijk), maar over mensen „de geheiligden in Christus Jezus” (1 Korintiërs 1:2), die de vergeving en de verlossing van Jezus hebben aangenomen. Ook als ze zondigen, zullen ze dan naar de vermaning luisteren en willen ze zich veranderen, De hele kerk en elk lid van de kerk strijdt tegen de zonde. Een christen kan geen dubbel leven leiden. Hij kan niet God dienen en tegelijkertijd met zijn hart in de wereld zijn. Op diezelfde manier kan ook de kerk geen plaats voor zondaars hebben, die zich niet willen veranderen. (Matteüs 6:24, 10:38-39, Johannes 12:25-26, Jakobus 4:4, 1 Johannes2:4-6, en 15-17)
Als de christenen geen afstand nemen van een wereldse manier van leven, maar gemeenschap met zulke mensen hebben, dan laten ze de buitenstaanders een verkeerd beeld van het christendom zien. Verder maken ze religieuze mensen, die denken dat ze christenen zijn, niet werkelijk de grote noodzaak bewust, dat ze zich moeten bekeren. En ten slotte zullen zulke christenen God zelf verlaten.
Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom GAAT WEG UIT HUN MIDDEN, EN SCHEIDT U AF, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine. En Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijnen gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige. (2 Korintiërs 6:14-18)
God kan diegenen als kinderen aannemen, die zich van de ongelovigen afscheiden[4]. Ook de betekenis van het Griekse woord εκκλήσια [ecclesia] betekent „gemeenschap, die zich naar buiten (eruit) laat roepen”. Dat is een zinspeling op de gewoonte, dat de herauten en boden in de Griekse steden vroeger gewend waren de mensen voor de openlijke samenkomst uit hun huizen te roepen. Op die manier roepen ook de boden van het evangelie de gemeente uit de wereld naar buiten.
Door wat wij hierboven al schreven, kunnen wij zien, dat de praktijk van de eerste christenen in de bijbel heel anders was als die van de „kerkgenootschappen” vandaag de dag. Tegenwoordig kan iedereen een lid van een kerk worden (na een paar formaliteiten) en vaak wordt het uitsluiten van mensen uit de gemeente niet in praktijk gebracht. Daarvoor zou een intensieve gemeenschap, liefde en toewijding nodig zijn: De mensen zouden dan werkelijk een diep interesse moeten hebben voor het denken en handelen van de andere mensen in hun gemeente en hen met de ogen van God willen zien. Het woord van God en de waarheid zouden dan de maatstaf voor een ieder moeten zijn bij zijn beoordeling, hulp en vermaning. Iedereen zou bereid moeten zijn, om ook de bijbelse consequenties uit te voeren, als mensen zich niet werkelijk willen veranderen.
Nu de bijbelteksten, die als argumenten voor een „onzichtbare Kerk” worden gebruikt:
De verkeerde praktijk begon niet pas in onze tijd. Ook de theoretische beargumentering ervoor (= de leer van de „onzichtbare Kerk”) bestond al heel vroeg. Dit proces ging samen met de verwereldlijking van de kerk. De gemeente ging steeds verder weg van God en van een heilig leven en de mensen werden meer en meer afgestompt en raakten gewend aan het zondigen. Al in de vierde eeuw misbruikte Augustinus twee gelijkenissen van Jezus uit Matteüs 13 in de strijd met de Donatisten als het erover ging bisschoppen in de kerk te behouden, die afgevallen en dan weer in kerk opgenomen waren: de wens creëerde de valse leren.
De gelijkenissen van het onkruid en de tarwe en het visnet
Augustinus vond dat op basis van de gelijkenissen van het onkruid en de tarwe (Matteüs 13:24-30, 36-43) en op grond van de gelijkenis van het visnet (Matteüs 13:47-50), dat de gemeente een gemend lichaam zou zijn (corpus permistum) waarin de slechte mensen samen zijn met de rechtvaardigen.
Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker. Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn. Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? Hij zeide: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur. (Matteüs 13:24-30)
Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt. Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg. Zó zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. (Matteüs 13:47-50)
Augustinus zei dat de akker en het visnet met de kerk identiek waren. Hij negeerde dat JEZUS ZELF de eerste gelijkenis op een andere manier interpreteerde:
Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar huis. En zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk. Hij antwoordde en zeide: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; DE AKKER IS DE WERELD; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen. Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore! (Matteüs 13:36-43)
Volgens vers 38 is de AKKER de WERELD. Mensen, die over deze gelijkenis van het onkruid en de tarwe denken dat de akker de gemeente is, bevestigen daardoor dat hun gemeente met de wereld één is. Daarentegen schrijft Paulus aan de gemeente van de Filippenzen het volgende:
… opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende, … (Filippenzen 2:15-16a)
De gemeente schijnt in de wereld en kan dus niet identiek met de wereld zijn.
In Matteüs 13:41 verzamelt de Zoon des mensen hen, die de ongerechtigheid bedrijven uit zijn Koninkrijk. Dat laat zien, dat het over een Koninkrijk op de hier geschapen aarde gaat. Jezus is de Heer van het hele universum en niet alleen van de gemeente (vergelijk Johannes 1:11, waar ook de hele wereld als het eigendom van het vleesgeworden Woord (Jezus) wordt genoemd).
Op een soortgelijke manier heeft de gelijkenis van het visnet geen betrekking op de gemeente. Alleen vanuit het feit, dat Jezus het Koninkrijk der hemelen met een visnet vergelijkt, volgt niet vanzelfsprekend, dat Jezus met het visnet de gemeente bedoelt. In andere gelijkenissen vergelijkt Hij het Koninkrijk der hemelen met een koning, een handelaar enz.. Natuurlijk denkt niemand, dat de koning of de handelaar dan een symbool voor de gemeente is. Jezus gebruikt de uitdrukking „Koninkrijk der hemelen”, als hij iets over het Koninkrijk van God wil uitleggen. „Koninkrijk van God” (in Matteüs „Koninkrijk der hemelen”) betekende voor de Joden het Koninkrijk van de Messias. Jezus wilde hoofdzakelijk de aardse voorstelling daarvan corrigeren met zijn gelijkenissen.
De Joden verwachtten van de Messias, dat Hij als een roemrijke koning zou handelen en als een rechtvaardige rechter: dat hij zijn volk van de onderdrukking uit het buitenland zou bevrijden en dat Hij het boze op deze wereld zou vernietigen. Jezus wilde deze manier van denken corrigeren: Hij was niet gekomen om als een aardse koning te regeren of als rechter. Het oordeel komt op de laatste dag en tot dan moeten de slechte en goede mensen IN DE WERELD naast elkaar leven. Zijn rijk is een geestelijk rijk, dat de wereld op een geestelijke manier overwonnen had.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. (Johannes 16:33)
Andere teksten die verkeerd worden geïnterpreteerd
2 Timoteüs 2:16-21
Maar vermijd de onheilige, holle klanken; want zij zullen de goddeloosheid nog verder drijven, en hun woord zal voortwoekeren als de kanker. Tot hen behoren Hymeneüs en Filetus, die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering, dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad, waardoor zij het geloof van sommigen afbreken. En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid. Doch in een groot huis zijn niet alleen voorwerpen van goud en van zilver, maar ook van hout en van aardewerk, en wel deels met eervolle, deels met minder eervolle bestemming; indien iemand zich nu hiervan gereinigd heeft, zal hij een voorwerp zijn met eervolle bestemming, geheiligd, bruikbaar voor de eigenaar, voor iedere goede taak gereed.
Men denkt vaak, dat het huis waar Paulus in vers 20 over schrijft, de kerk is en de voorwerpen met eervolle, en met minder eervolle bestemming de gelovigen en de ongelovigen, de mensen, die samen in de kerk zijn.
Het is juist, dat het huis betrekking heeft op de kerk, omdat het ook in de context over het leven in de gemeente gaat: er waren gnostische valse leraren, die men duidelijk op een afstand moest houden, omdat hun leer „voortwoekerde als de kanker” en het geloof van velen al verward had. Maar wie zijn de voorwerpen met een eervolle en met een minder eervolle bestemming? In het Grieks worden de volgende woorden gebruikt: τιμη [time] = eer, waarde, grootte (NBG51: met eervolle bestemming) en ατιμια [atimia] = oneer, het tegendeel van τιμη [time] (NBG51: met minder eervolle bestemming). Deze woorden zijn afgeleid van het werkwoorden τιμαω [timao] = waarderen, eren en ατιμαζω [atimadzo] = niet waarderen.
Ook in 1 Korintiërs 12:23 gebruikt Paulus het woord dat van τιμη [time] is afgeleid: ατιμοτερος [atimoteros] = verachte (NBG51: minder in ere). Deze tekst kan ons helpen beter te begrijpen was Paulus in 2 Timoteüs 2:20 bedoelde met de voorwerpen met een eervolle en met een minder eervolle bestemming.
Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt. (1 Korintiërs 12:12-13)
En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk, en juist die delen van het lichaam, welke wij minder in ere houden, bekleden wij meer eervol, en onze minder edele leden worden met groter eer behandeld, doch onze edele leden hebben dat niet nodig. God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen. (1 Korintiërs 12:21-25)
Hier is het niet mis te verstaan, dat de edele leden en de minder edele (zwakke) leden christenen zijn, omdat deze tekst juist de boodschap heeft, dat elke christen in dezelfde mate belangrijk is door de Heilige Geest, die in hem woont, onafhankelijk van zijn gaven. Zoals elk lid van het lichaam verbonden is met het hoofd, en daarnaar luistert, zo is elk lid van de gemeente in verbinding met Christus. Deze tekst (1 Korintiërs 12) vernietigt creatie van Augustinus: „corpus permixtum” (Het lichaam is in werkelijkheid alleen maar zo gemengd, dat verschillende leden verschillende gaven hebben of dat de leden zich op verschillende niveaus van gehoorzaamheid bevinden en niet, omdat sommige leden een relatie met God hebben en andere niet). Maar de tekst helpt ook de betekenis van de „vaten” in 2 Timoteüs 2 te begrijpen. De „voorwerpen met eervolle bestemming” en de „voorwerpen met minder eervolle bestemming” zijn niet de gelovige en de ongelovige leden, maar het gaat op basis van de context over leden, die in het geloof en in de leer vast staan en over leden, die zwakker zijn en door valse leraren kunnen worden beïnvloed. Zich „hiervan” (of „van hen”) te reinigen (in het Grieks wordt het aanwijzend voornaamwoord απο τουτων [apo touton] gebruikt dat woordelijk „van dezen” betekent) is een soortgelijke gedachte als in vers 19 „Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid.”
Het aanwijzend voornaamwoord „deze” heeft geen betrekking op de „voorwerpen met minder eervolle bestemming” (ook diegenen die de leer van de onzichtbare kerk aanhangen kunnen dat niet denken, omdat ze zich niet van de ongelovige in de kerk willen scheiden), maar op de valse leren en op de valse leraren. De „voorwerpen met minder eervolle bestemming” hebben ruimte gegeven aan de dwaalleraren, maar als zij zich weer van de invloed van deze dwaalleraars scheiden, dan zullen zij „voorwerpen zijn met eervolle bestemming, geheiligd, bruikbaar voor de eigenaar, voor iedere goede taak gereed”.
1 Korintiërs 15;34
Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen.
De context is de juiste voorstelling van de opstanding. Sommige christenen in Korinthe, die open stonden voor de invloed van Griekse denkers dachten verkeerd over de opstanding (in plaats van de opstanding in het lichaam geloofden zijn dat alleen alleen de geest na de dood bleef bestaan). Paulus zegt, dat deze manier van denken ver weg is van God. Iemand die in dit punt verkeerd denkt, heeft in werkelijkheid geen juiste voorstelling van God. Paulus vermaant hen met deze strenge woorden („sommigen hebben geen besef van God”) om te laten zien: zij kunnen niet in deze voorstelling blijven, zij moeten zich veranderen. Door de groet van Paulus in de eerste verzen van de eerste brief aan de Korintiërs (ook al eerder in dit artikel genoemd) is het duidelijk, dat in de gemeente van Korinthe iedereen God „kende” en iedereen een relatie met God had.
God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here. (1 Korintiërs 1:9)
Matteüs 25:1-13
Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs. Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie; doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen. Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. En midden in de nacht klonk een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf. Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten. Later kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open! Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur.
De dwaze maagden zijn daadwerkelijk samen met de wijze maagden, maar waarom zou deze gelijkenis over gelovige en ongelovige moeten gaan, die samen in de kerk leven? Hierboven hebben wij al uitvoerig bewezen, dat de bijbel zo een situatie niet kent. De gelijkenis kan tot nadenken zetten – de Joden die naar Jezus luisterden en zich nog niet hadden bekeerd en tegelijkertijd de discipelen, die Jezus volgden. De Joden dachten, dat zij allemaal samen met de Messias zouden regeren, als hij zou komen, omdat ze het uitgekozen volk waren. De gelijkenis maakt duidelijk, dat niet iedereen, die denkt dat hij aan de bruiloftsmaaltijd kan deelnemen, dit ook werkelijk kan. Er is een voorwaarde voor het binnenkomen: men moet bereid zijn. Bereid te zijn betekende voor de Joden, Hem te accepteren, die door God was gezonden: dat is Jezus. De gelijkenis kan ook een vermaning voor de discipelen zijn: Het is niet genoeg met Jezus te beginnen – ze moeten met hem waakzaam tot het einde volharden. Dat is ook geldig voor de kerk. Ook in de kerk kunnen er christenen zijn, die zich bekeerd hebben en hun leven aan God hebben gegeven, maar dan later van het geloof zullen afvallen. (Er zijn meerdere teksten in het Nieuwe Testament, die over afval van het geloof[5] spreken, bijv. Hebreeën 6:4-8; 10:24-31). En als iemand de beslissing neemt, niet met God te leven, heeft hij geen plaats meer in de gemeente.
Johannes 10:14-16
Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.
Jezus spreekt hier over de éne kudde en dan in de toekomende tijd (zal worden). Dat is de reden, waarom veel mensen het zo interpreteren, dat de kudde gelovige zijn, die Jezus op de laatste dag uit de verschillende zichtbare „kerkgenootschappen” zal verzamelen: En dan worden de gelovigen, die in de vele verschillende kuddes verstrooid zijn, verenigd in één kudde. Maar waarom moet deze tijd „toekomende tijd” betrekking hebben op de laatste dag? Jezus kan ook elke ander latere gebeurtenis bedoelen. Jezus spreekt over diegenen, die „van deze stal” zijn en over die, die er niet van zijn. Uit de eerste stal heeft hij al de schapen geroepen en de andere schapen zal hij later roepen. Die Schapen, die naar de stem van de goede herder luisteren, zullen één kudde vormen. Waarop heeft de eerste schaapstal volgens de leer van de onzichtbare kerk betrekking? Op welke kerk? Hoe kon Jezus überhaupt over een kerk spreken, toen de kerk nog helemaal niet bestond? In vers 16 gebruikt hij het speciale aanwijzend voornaamwoord „deze”: „uit deze stal”. Deze stal moet een symbool zijn voor Israël, omdat Jezus tijdens zijn dienst op aarde de kinderen Israëls had geroepen:
Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. (Matteüs 10:5-7)
De andere schapen zijn dan logischerwijs de heidenen. Jezus wilde erop wijzen, dat er mensen onder de heidenen zijn, die zijn roep zouden volgen. De apostelen ervoeren dat dagelijks, na een paar jaar. Deze ervaring is door Paulus in de brief aan de Efeziërs samengevat:
Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, … (Efeziërs 2:11-19)
Daaruit blijkt dat de éénwording van de schapen van de verschillende stallen toentertijd al plaatsvond in de zichtbare kerk. Daarom is het duidelijk dat Johannes 10 geen basis vormt, om de leer van de onzichtbare Kerk ermee te beargumenteren.
Samenvatting
Ook zonder verdere bijbelteksten nog te beproeven, kunnen wij dan bepalen, dat de leer van de onzichtbare Kerk in de bijbel niet voorkomt (zelfs niet eens de uitdrukking „onzichtbare Kerk”). Er is ook geen gedachte van Jezus of van de apostelen, die daarop zinspeelt. Men kan het alleen beweren door een bewuste „ominterpretatie” van bijbelteksten en een volledige minachting voor bijbelse waarheden.
Hoewel er wel verschillen zijn tussen de leden van de christelijke kerk met betrekking tot „rijpheid”/volwassenheid in het geloof of gehoorzaamheid, zijn de leden toch in één punt hetzelfde: iedereen heeft een relatie met het hoofd, Christus (1 Korintiërs 12:12-27; Efeziërs 4:14-16). Deze kerk wordt door de wereld gezien. Dat is de zichtbare kerk, zoals ook Jezus alleen het concept van de zichtbare kerk kende:
Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt. Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander. (Johannes 13:34-35)
… opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. (…) Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. (Johannes 17:21-23)
Hoe kan de wereld dan beoordelen? Dat kunnen ze toch op basis van wat ze zien: op basis van de zichtbare kerk. De gemeente van de christenen moet zich steeds bewust zijn van zijn verantwoordelijkheid. Een gemeente, die als een „gemengd lichaam” leeft, is niet het lichaam van Christus en vervult de plicht niet, die Jezus zijn kerk toevertrouwde. Christenen leven in een diepe gemeenschap, die op de leer van Jezus is gebouwd. Alleen op deze manier kan hun getuigenis over de liefde van Jezus in de wereld geloofwaardig zijn.
Voetnoten:
- Als hulp om de tekst beter te begrijpen: Vers 13 kan vanuit het Grieks ook zo worden vertaald: „Ook Simon werd overtuigd.” [↩]
- Het gaat er hier niet om, dat de satan een speciale macht zou hebben om de zondaar te folteren, maar dat degene, die niet in de gemeente is, in de wereld is. En in de wereld - zegt Jezus – is de satan de vorst (Johannes 14:30). De confrontatie met de wereld kan in het beste geval tot verderf van het vlees en het opgeven van de zondige houding leiden. [↩]
- Een soortgelijke manier van aanspreken vinden we ook in andere brieven: Romeinen 1:1-7, Filippenzen 1:1, Kollossenzen 1:1-4, 2 Petrus 1: 1-4. [↩]
- Zie ook de prediking van Petrus bij Pinksteren: Handelingen 2:40: „Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht” [↩]
- zie ook ons onderwerp „Afval van het geloof” [↩]