Over het leven van de eerste christenen

en wat dat nu voor ons betekent

1 Waarom wij iets over de eerste christenen schrijven

Als wij over de eerste christenen schrijven, dan is het doel niet alleen maar te beschrijven hoe ze leefden en hoe ze dachten. Dit onderwerp is eerder als een uitnodiging bedoeld om erover na te denken waarom de eerste christenen zo leefden.

Vandaag de dag hoort men vaak de mening, dat men, in de omstandigheden van het hedendaagse leven, niet meer zou kunnen leven zoals de christenen in de tijd van het Nieuwe Testament. Andere zeggen, dat de mensen in de vroege kerk alleen in hun eerste geestdrift en enthousiasme hun leven op zo een intense manier met elkaar deelden. Wij willen graag laten zien, dat het leven van de eerste christenen een voortzetting was van wat de discipelen van Jezus in het leven van hun meester zagen. Zij begrepen dat ze door de toewijding van Jezus werkelijk konden zien, hoe wij God moeten dienen en dat het volgen van Jezus precies dát betekent: bereid te zijn het hele leven net zoals Hij voor God, voor de broeders en voor de groei van het rijk van God in te zetten, wat het ook kost met betrekking op je eigen leven.

Het zondags- en hobby-”christendom” van vandaag de dag is geen noodzakelijk resultaat van veranderde maatschappelijke omstandigheden. Het is eerder een uitdrukking van het feit dat mensen weliswaar op de één of andere manier in de hemel willen komen, maar niet bereid zijn op de smalle weg te lopen om Jezus te volgen. Ook in de tijd van Jezus waren er mensen met zo een houding, en hij waarschuwt ze:

Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder, die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen dat huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. (Lukas 6: 46-49)1

2 “Zij lieten alles achter en volgden Hem” – De tijd van de discipelen met Jezus

Toen Johannes de Doper begon zijn landgenoten te dopen en tot bekering te roepen, om hen voor te bereiden op de komst van de Messias, was Jezus nog niet met zijn openlijke bediening begonnen. Johannes was een aantrekkingspunt voor veel Joden, vooral voor degenen onder hen, die er vast op hoopten, dat God niet lang meer zou wachten met het zenden van de beloofde Heiland. Onder hen waren degenen die later de intiemste vertrouwelingen van Jezus zouden worden.

Johannes de Doper getuigde sinds de doop van Jezus duidelijk dat Jezus de Knecht van God is, die Israël zal verlossen. Johannes wees de mensen die naar hem toekwamen naar op Jezus en daardoor verschoof het middelpunt van de Messias-beweging van Johannes naar Jezus.

Van de vele mensen, die naar Jezus toekwamen om naar hem te luisteren en die hem van tijd tot tijd begeleidden, koos Jezus 12 mannen, die de hele tijd bij hem zouden blijven2. Aan deze „apostelen” legde hij veel dingen in het bijzonder uit. Zij leerden hem het intiemst kennen en werden door hem geleerd en gevormd om later hun centrale verantwoording voor het vormen van het nieuwe volk van God, de kerk, te kunnen dragen.

Toen men Jezus een keer vroeg, wat het belangrijkste gebod is, zei hij:

Jezus antwoordde: Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet. (Markus 12: 29-31)

In de laatste nacht voor zijn dood gaf Jezus de discipelen een nieuw gebod: „elkaar lief te hebben, zoals hij hen liefhad”3. Dit betekent dat hij zijn eigen leven als voorbeeld gaf voor de vervulling van het hoogste gebod van de liefde. De omvang van deze liefde begrepen de discipelen op dit tijdstip nog niet, omdat Hij het grootste bewijs van zijn liefde – de stap om de weg te gaan van de onrechtvaardige en gruwelijke dood aan het kruis – noch niet had volbracht. Maar door het dagelijkse samenzijn met Jezus hadden ze toch al veel gezien:

  • In hun onvoorspelbare en onzekere leven tijdens de rondreizen met Jezus leerden zij zijn voorbeeld kennen van een onvoorwaardelijk en diep vertrouwen op God. Jezus kende de vader als degene, die liefde is, en wist dat zijn Vader voor alles zou zorgen wat hij nodig had.
  • De discipelen zagen ook dat Jezus een leven in gebed leefde; zijn diepe verbondenheid met de Vader, waaruit hij de kracht voor zijn dienst haalde. Zo kon hij elke verleiding om eer en waardering van mensen te zoeken weerstaan en was hij geleid en vervuld met de volledige toewijding aan God4. De discipelen waren zeker onder de indruk, want ze vroegen hem om hen te leren bidden5.
  • Ook zagen ze zijn meevoelende toekering tot de zwakke, verachte en uitgestoten mensen, tot hen, die in de zonden waren verstrikt en die Hij de weg kon laten zien6.
  • Zonder moe te worden was hij er elke dag van zijn dienst voor de mensen die als „schapen zonder herder” waren. Zijn „Herder”-liefde was zo groot, dat hij ook van zijn eigen behoeftes afzag om de geestelijk hongerige mensen voedsel te geven. Er staat, dat er soms zo veel mensen kwamen, dat hij niet eens tijd had om te eten7.
  • De apostelen kenden ook zijn onverschrokken duidelijkheid in de discussies met de Farizeeërs, die dachten, dat ze rechtvaardig waren. Jezus zag dat alleen het ontmaskeren van hun huichelarij hen van het eeuwige verderf kon redden.
  • Hij leerde de discipelen dat ze zelfs hun vijanden moesten liefhebben en dus ook iemands vijandige houding niet met haat en wrok mochten beantwoorden, maar hem door een nederige en liefhebbende houding beschaamd moesten maken8.
  • Uiteindelijk  leerden de discipelen dan ook hoe Jezus zonder compromissen voor de door hem verkondigde waarheid instond. Hij koos liever de dood, als iets te herroepen of voor zijn vijanden te vluchten en op die manier zichzelf en zijn boodschap ongeloofwaardig te maken. Hij wist, dat de redding van de mensen daarvan afhangt. De goede herder zet zijn leven in voor de schapen9.
  • Bij al deze dingen zagen zijn zijn onbaatzuchtige houding: dat hij bereid was om te geven en te dienen, zonder loon en zonder dank van mensen te verwachten10.

3 “Waarom zoekt u de levende bij de doden?” – Van Golgotha tot Pinksteren

Hoewel Jezus zijn discipelen erop had voorbereid, dat Hij zou sterven en op zou staan11, was zijn dood voor hen een catastrofe, die hun hoop leek te begraven. Maar op de derde dag openbaarde hij zich aan hen na zijn opstanding. De weken die daarop volgden waren ze samen met de opgestane Jezus en dat was een tijd waarin ze op een intensieve manier hun denkpatroon moesten veranderen. Ze leerden alles in een nieuw licht te zien. Het werd voor hen toen duidelijk dat de Messias niet iemand is, die een aards rijk van vrede sticht en alle Goddelozen zou doden. Maar het rijk van God moest in het onkruid van deze wereld goede vruchten dragen. De discipelen moesten de boodschap van Jezus in de hele wereld prediken. Zij moesten overal de Genade van God verkondigen, Die uit liefde Mens is geworden. In Jezus kwam God zelf in de wereld. Met zijn toewijding wilde hij de mensen tot berouw van hun verzet of onverschilligheid tegenover hun liefhebbende schepper en tot een leven van naastenliefde en liefde tot God leiden. Dat is de weg van de verlossing en daarvoor moesten de discipelen van Jezus van toen af aan hun leven geven.

Bij het Pinksterfeest ontvingen ze de Heilige Geest. Dat was de doorslaggevende impuls om uit te gaan en te prediken. Gods Geest hielp hen hun angst te overwinnen en gaf ze de woorden, die de harten van de mensen raakten. Een grote groep van Joden, die bij het Pinksterfeest in Jeruzalem waren, geloofden het getuigenis van de discipelen over de opstanding van Jezus en dat Hij de door God gestuurde Messias was. Daarmee begon de eigenlijke geschiedenis van de kerk.

4 “Wat moeten wij doen, mannen broeders?” – Het ontstaan en het leven van de gemeente

In Handelingen 2:32-47 vinden we de volgende tekst. In deze tekst staat het laatste gedeelte van de prediking, die Petrus na de uitstorting van de Heilige Geest12 hield voor de Joden in Jeruzalem en ook de reactie van diegenen, die toen geloofden:

Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gíj en ziet en hoort. Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf:
De Here heeft gezegd tot mijn Here:
Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten.
Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.
Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht.
Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden.

Net als Jezus13 begon Petrus allereerst met de bekeringsoproep. Het afwenden van het oude leven, dat door de zonde werd beheerst, is de voorwaarde voor een nieuw leven als kind van God. Wie bij God wil horen, moet met zijn zonden in het licht treden, die hem van God, maar ook van de medemensen scheiden.

En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. (1 Johannes 1: 5-7)

De mens kan alleen met een oprecht hart tot de Heilige God naderen. Als iemand zijn zonden voor God aan het licht brengt, dan kan God ze „bedekken”14. Hij kan hem vergeven en uit hem een nieuwe mens maken, die zich door Gods Geest laat leiden. En de Geest van God leidt de mens tot de liefde. De discipelen van Jezus leerden van hun Meester, dat liefde de toewijding van het gehele leven betekent. Dat vormde ook het leven van de gelovigen in de vroege kerk. De liefde, die God een ieder van zijn kinderen in het hart giet15, leidt een mens ertoe, niet meer voor zichzelf te leven. Paulus zegt het zo:

Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt. (2 Korintiërs 5: 14-15)

Omdat de eerste christenen, net zoals Jezus, niet voor zichzelf wilden leven, hebben ze zich van alles laten bevrijden wat de liefde hinderde, bijv. gehecht te zijn aan huis, akker, familieleden, eigen plannen …16. Ze waren bereid om zich los te maken van iedereen en van alles, wat hen hinderde om God en de redding van andere mensen te dienen. Ze wisten van Jezus, dat dat niet anders gaat en dat daarin ook een belofte ligt:

Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd. Jezus zeide: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. (Marcus 10: 28-30)

Bereid te zijn tot zelfverloochening17 en bereid te zijn het leven niet meer volgens hun eigen plannen te leven maakte hen vrij voor de dingen van het rijk van God. Ze kwamen elke dag naar de tempel, waar ze met veel volksgenoten over Jezus konden praten en getuigenis konden geven van de Messias. Ze kwamen dagelijks in hun huizen samen om gemeenschap met elkaar te hebben. In deze kleine samenkomsten bleef niemand anoniem. Ze hadden geen liturgie of programma, dat je „helemaal vrijblijvend” kon bezoeken. Ze konden op een heel praktische manier beleven hoe ze voor elkaar broeders, zusters, ouders en kinderen werden ook als ze elkaar ervoor helemaal niet kenden of zelfs vijanden waren. De gemeente stond open voor iedereen: voor armen en rijken, mannen en vrouwen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, jong en oud. De basis van hun gemeenschapsleven was wat de apostelen leerden over het leven van Jezus, zijn geboden, de natuur van God en de wil van God. Net als Jezus had gediend, dienden zij nu ook elkaar en bemoedigden, vermaanden, troostten en corrigeerden zij elkaar. Omdat ze zo veel mogelijk tijd met elkaar doorbrachten in geestelijk gemeenschap, kenden zij elkaar werkelijk en wisten in welke punten hun broeders en zusters hulp nodig hadden. In oppervlakkige en vluchtige relaties, omdat men niets wil doen wat tegen de „privacy” van elkaar indruist, kan de werkelijke liefde niet in de praktijk worden omgezet. De christenen van toentertijd deelden vreugde en leed met elkaar en beleden elkaar hun zwakheden en zonden18 en hielpen elkaar in hun geloofsstrijd. Dat alles kwam vanuit de wens om elkaar te ondersteunen om een heilig en God welgevallig leven te leiden, zodat alle samen het doel van het geloof bereiken: de eeuwige vreugde in de tegenwoordigheid van God. Hoe belangrijk de dagelijkse broederlijke bemoediging voor de redding en het behoud is, kan men in Hebreeën 3: 12-14 duidelijk zien:

Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde; want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden.

Door hun liefde, toewijding en eendracht waren de eerste christenen het licht, waar Jezus over gesproken had19. De mensen om hen heen waren onder de indruk. Toch waagde niemand het zich bij hen aan te sluiten als hij niet heilig wilde leven20.

Het gemeenschappelijk geloof in Jezus als de redder en in de waarheid van zijn woorden, had hen dus diep met elkaar verbonden. Maar dat betekende ook dat die verbondenheid vernietigd werd, als iemand een zelfgekozen weg insloeg en niet meer onbaatzuchtig wilde liefhebben. Het voorbeeld van Annanias en Saffira21 laat zien hoe funest en noodlottig het is als christenen niet meer oprecht zijn in hun hart. Die twee verkochten een akker, maar ze waren niet eerlijk in hun bereidheid om te delen en ze logen tegen de apostelen. Ze hadden ook hun bezit kunnen behouden. Want als ze er goede redenen voor hadden, dan hadden ze hun beslissing niet hoeven te verbergen en hadden ze alles in vertrouwen en openheid kunnen bespreken.

In de gemeente van God kunnen onoprechte mensen niet bestaan. Want het absoluut noodzakelijke vertrouwen voor de gemeenschappelijke dienst voor God wordt vernietigd als er geen eerlijk vragen naar de wil van God meer is.

Dit voorval leidt ons tot een verder punt van het gemeenschappelijke leven van de eerste christenen: de gemeenschap van goederen.

5 “Zij hadden alles gemeenschappelijk” (Handelingen 4:32) – De gemeenschap van goederen

In de tekst, die wij al eerder in dit onderwerp citeerden in Markus 10: 28-30 beloofde Jezus de discipelen ook akkers en huizen. De vervulling van deze belofte was dat de christenen hun bezit niet meer als privé-bezit betrachtten. Ze hadden alles gemeenschappelijk en ze deelden hun goederen met hun broeders en zusters in het geloof. Niemand had hen dat opgedragen of bevolen en het was een vrije beslissing voor hun geweten en voor God hoe ze hun bezit gebruikten. Uit het oogpunt van buitenstaanders was de gemeenschap van goederen wel het duidelijkste kenmerk van hun vertrouwen en van hun diepe eendracht en verbondenheid onder elkaar. Zoiets vindt men in de wereld niet. Omdat ze nieuwe mensen zijn geworden, kleefden ze niet meer aan hun aards bezit. De onvergankelijke, eeuwige goederen waren hun kostbaarste schat en op die manier was het heel normaal voor hen om ook de vergankelijke goederen voor het rijk van God in te zetten. Ze hebben niet alles in 1 „geldpot” gedaan, maar wie iets had, wat hij kon geven, waar het nodig was, die gaf het. Dat staat niet allen in Handelingen 2, maar ook in Handelingen 4: 32-37:

En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding des Heren Jezus, en er was grote genade over hen allen. Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte.
En Jozef, die van de apostelen de bijnaam Barnabas gekregen had – wat betekent: zoon der vertroosting –, een Leviet, uit Cyprus afkomstig, die eigenaar was van een akker, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten der apostelen.

Waar in de zogenoemde „kerken” van vandaag de dag de broederlijke liefde niet te vinden is (maar door religieuze vormen en het bezoeken van samenkomsten wordt vervangen) is ook de bereidheid het bezit met elkaar te delen niet te vinden. Daar brengen ook collectes of de kerkelijke belasting (waarvoor geen enkele basis in de bijbel te vinden is) of ook de soms gebruikelijke tienden geen verandering in. Men geeft toch meestal maar een fractie van zijn bezit. Natuurlijk zoeken theologen schijnbare argumenten, om het ontbreken van de gemeenschap van goederen van vandaag de dag goed te praten. Veel leden van de kerken accepteren die „uitleggingen” ook met vreugde omdat men iets nodig heeft om het eigen egoïsme met betrekking tot het aardse bezit te verbloemen. Er wordt dan bijvoorbeeld gezegd dat de christenen toentertijd alles deelden, omdat ze dachten dat Jezus binnenkort terug zou komen en dat ze hun aardse goederen sowieso niet meer lang nodig zouden hebben. Soms wordt ook gezegd, dat ze niet meer werkten en dat de gemeente in Jeruzalem daardoor arm werd en dat Paulus dan later geld moest verzamelen om de christenen van een hongerdood (door eigen schuld naar wat men dan zegt) te redden.

Wij zien in deze „argumenten” een opzettelijke en boosaardige verdraaiing van de liefde die God onder de eerste christenen schiep. Wie zoiets beweert, moet zich bewust zijn van wat hij de apostelen toedicht. Want daardoor zegt men, dat de apostelen niet door de Geest van God werden geleid en de gemeente in een „doodlopende straat” leidden. Op een indirecte manier betwijfel je dan ook de wijsheid van Jezus, die juist deze mannen koos om door hen zijn kerk te bouwen. Men bedenkt dan ook niet dat God zelf het werk van de apostelen had bekrachtigt en zijn goedkeuring over hun geestelijke autoriteit liet zien doordat hij door hun handen wonderen deed. Het is treurig om te zien, hoe mensen, en juist ook theologen, liever de autoriteit van de apostelen willen ondermijnen en het werk van God willen betwijfelen, als het eigen leven kritisch voor God, die toch ons hart ziet, te toetsen en te beproeven. We willen dat nu graag gedetailleerder behandelen:

Dat de eerste christenen dachten, dat Jezus binnenkort terugkomt, kan men niet met de Bijbel onderbouwen. Jezus gaf hen de opdracht het evangelie tot aan het einde van de aarde te verspreiden22. Ze dachten zeker niet zo onrealistisch om te geloven dat dat in een paar jaar zou zijn gebeurd.

We lezen ook in Johannes 21:18-19, dat Jezus Petrus voorzegde, dat Petrus, als hij oud zou zijn geworden, een gewelddadige dood zou sterven. Dat is een duidelijke indicatie en mededeling dat Petrus de wederkomst van Jezus tijdens zijn leven op aarde niet mee zou maken.

Natuurlijk wilden de christenen wel elk moment voorbereid zijn, om Jezus weer te ontmoeten en leefden in die verwachting, wanneer het ook zou zijn. Hij had hen zelf (en ons allen) geleerd, om waakzaam te zijn, want de Zoon des mensen komt als een dief in de nacht23.

De grondstukken, die ze verkochten, hadden ze niet meer nodig en dat had ook een concrete achtergrond: Sommige vrome Joden dachten, dat de Messias, bij zijn komst, in Jeruzalem zou verschijnen. Daarom kochten ze grondstukken in of bij Jeruzalem, waar ze dan werden begraven, zodat ze dan gelijk op de juiste plaats zouden zijn, als de Messias zou komen bij de opstanding van de doden. Toen ze christenen werden en dus wisten, dat de Messias (Jezus) al was gekomen verkochten ze hoogstwaarschijnlijk deze eigendommen om de armen geld te kunnen geven. Maar hun huizen hielden ze, om erin te wonen en samen te komen, zoals we in het citaat van Handelingen 2 (vers 46) al lazen.

We mogen ook aanemen, dat de christenen in Jeruzalem, wat het werken betreft, niet op een andere manier dachten dan Paulus, die in de brief aan de Thessalonicenzen heel duidelijke vermanende woorden gebruikt tegen een ongeregelde levenswandel van sommige christenen:

Maar wij bevelen u, broeders, in de naam van de Here Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan elke broeder, die zich ongeregeld gedraagt, in strijd met de overlevering, die gij van ons ontvangen hebt. Gij weet immers zelf, hoe ons voorbeeld behoort gevolgd te worden, daar wij bij u niet van de regel afgeweken zijn, noch gegeven brood bij iemand hebben gegeten; maar met moeite en inspanning werkten wij dag en nacht, om niemand van u lastig te vallen; niet, dat wij er geen bevoegdheid toe hebben, maar om ons u tot een voorbeeld ter navolging te stellen. Want ook toen wij bij u waren, bevalen wij u dit: Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten. Wij horen namelijk, dat sommigen onder u zich ongeregeld gedragen, door geen werk te verrichten, maar bezig te zijn met wat geen werk is; zulke mensen bevelen wij en wij vermanen hen in de Here Jezus Christus, dat zij rustig bij hun werk blijven en hun eigen brood eten. (2 Thessalonicenzen 3:6-12)

De gemeenschap van goederen onder de christenen betekent natuurlijk niet dat men gewoon rustig van het bezit van andere christenen profiteert. Iedereen moet door te werken voor zijn eigen levensonderhoud zorgen en op een bescheiden manier leven zodat hij geven kan aan degenen die het nodig hebben.

De collecte voor de gemeenten in Palestina, waarover we in het Nieuwe Testament kunnen lezen24 is geen voorbeeld om te bewijzen dat de gemeenschap van goederen niet werkte of mislukte. Integendeel is het een voorbeeld voor de zegen van de gemeenschap van goederen in een grotere omvang. De reden voor de verzameling van geld was een algemene hongersnood, waar het in Handelingen 11: 27-30 gaat:

En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius. En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus.

Deze hongersnood trof diverse gebieden in het Romeinse rijk met verschillende hevigheid. De Joden waren bij voorbaat al armer omdat ze diverse vormen van belasting, heffingen en lasten hadden: Tienden voor de Priesters en de Tempeldienst, de Tempelbelasting voor de renovatie van de tempel, de belasting aan de Romeinen en de tol aan de tollenaren. In deze situatie was het voor de christenen in andere gebieden, die meer bezit hadden, vanzelfsprekend hun broeders te helpen in het sterker betroffen en arme Palestina. Deze vanzelfsprekende bereidheid om met elkaar te delen en te helpen vinden we ook bij de gemeenten, die in de tijd van de derde reis van Paulus de gemeenten in Judea ondersteunden. Paulus schreef in deze context over de gemeenten in Macedonië in 2 Korintiërs 8: 3-4:

… want (zij deden), dat getuig ik, wat zij konden, ja meer dan dat, en zij vroegen, met alle aandrang, uit eigen beweging van ons de gunst, deel te mogen nemen aan het dienstbetoon voor de heiligen, …

En verder in het hoofdstuk bemoedigt hij de Korintiërs op de volgende manier:

Ik geef dit niet als een bevel, maar ik tracht aan die toewijding van anderen ook de echtheid uwer liefde te toetsen. Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden. En ik geef op dit punt mijn mening, want dit is voor u nuttig; gij hebt immers reeds vroeger, het vorige jaar, een begin gemaakt, niet alleen met de uitvoering, maar ook met het willen; voltooit thans dan ook de uitvoering, opdat met de maat van uw bereidwilligheid ook de voltooiing uit hetgeen gij hebt overeenstemme. Want als de bereidvaardigheid aanwezig is, is zij welkom naar hetgeen zij heeft, niet naar hetgeen zij niet heeft. Want niet om anderen verlichting te schenken, wordt het u zwaar gemaakt, maar uit het oogpunt van billijkheid kome uw overvloed voor het ogenblik hun gebrek ten goede, opdat hun overvloed wederkerig uw gebrek ten goede zou komen en er zodoende gelijkheid zij, zoals er geschreven staat: die veel (verzameld had), had niet over en die weinig (verzameld had), had niet te kort. (2 Korintiërs 8: 8-15)

De collecte voor de christenen moest natuurlijk niet tot gevolg hebben dat iemand in nood kwam, maar het doel van het delen is dat iedereen krijgt, wat hij nodig heeft om te leven. De bereidheid om te delen beargumenteert Paulus met de houding van Jezus, „arm” te worden om andere „rijk” te maken en niet met de verwachting, dat Jezus binnenkort weer terugkomt. Hij ziet dat als een bewijs van de echtheid van hun liefde. Christenen moeten namelijk niet met woorden liefhebben, maar met daad en waarheid:

Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten. Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid. (1 Johannes 3:16-18)

Verder staat er ook nog een bemoediging om te delen in Hebreeën 13:16:

En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid25 niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.

Hier zien we ook dat de reden om de armen deel te laten hebben aan de eigen goederen niet de verwachting was, dat Jezus binnenkort terug zou komen. Ze deden het omdat dat offers zijn, die God behagen.

5.1 Over de tienden

We willen ook nog in het kort iets over de tienden schrijven: Zoals we al zeiden is dit gebruikelijk in verschillende gemeenten en waarschijnlijk denken veel mensen, dat dat bijbels is. Men kan in de bijbel zeker iets over de tienden vinden, maar niet als een gewoonte van de christenen. In het Oude Testament was het geven van de tienden bestemd voor de dienst van de priesters en de Levieten en voor het financieren van de offers in de tempel26.  Volgens Deuteronomium 14: 28-29 werden de tienden bovendien in elk derde jaar voor de armen in het volk gebruikt. Maar er staat nergens in het Nieuwe Testament dat de christenen dat onderling in de praktijk brachten. In plaats daarvan vinden we, dat ze alles met elkaar deelden. Dat strookt ook met de beschrijving in Handelingen 4:32, dat de christenen één hart en één ziel waren. Zo een diep vertrouwen, zoals men het vaak niet eens in families vindt, houdt ook niet bij het geld op. Dit vertrouwen was mogelijk, omdat ze elkaars leven kenden. Ze wisten hoe oprecht hun broeders waren in kwesties, die de wil van God betreffen, en daarom konden ze ook hun geld of andere goederen hun broeders toevertrouwen, zodat ze die, op een manier die God behaagt, konden gebruiken.

6 Schapen onder de wolven

Op de waardering, die de christenen aanvankelijk van het volk in Jeruzalem genoten, volgde al snel wat Jezus in de volgende woorden voorzegde:

Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. (Matteüs 10: 16-22)

De religieuze leiders onder de Joden probeerden van het begin af aan een einde te maken aan deze nieuwe „sekte”27. Ze waren bang dat ze hun invloed op het volk en hun aanzien van de mensen zouden verliezen en wilden de waarheid over hun leven niet horen28. Ze gaven de apostelen een spreekverbod, lieten ze geselen en sloten ze op29. Maar „zonder ophouden, iedere dag, leerden zij (de apostelen) in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is” (Handelingen 5: 42). Toen Stefanus de leden van de hoge raad hun schuld aan de moord van Jezus wilde laten zien, en hoe zeer ze God tegenstreefden, werd hij daarvoor zonder proces gestenigd. Daardoor was hij de eerste christen, die zijn Heer volgde in de martelaarsdood.30. Ook vanuit de berichten over Paulus weten we, dat hij voor zijn zendingsactiviteit vervolging moest lijden – vaak door de Joden, maar ook door de heidenen31.

De christenen waren geen burgers, die zich aanpasten aan de tijdgeest32. Als huisgenoten Gods33 wisten ze dat ze gehoorzaam moesten zijn tegenover de waarheid van het evangelie en bleven standvastig, ook als er verzet en tegenstand kwam van mensen, die zich niet wilden laten roepen, om zich te bekeren. Ze wilden met hun leven laten zien wat de wil van God voor alle mensen is. Paulus bemoedigde hen, dat ze als lichtende sterren  te midden van een ontaard en verkeerd geslacht moesten schijnen34. Op die manier bekeken zij de wereld en ze wisten dat vriendschap met de wereld vijandschap tegen God betekent35. Hun normen en waarden en werken waren dus heel anders als die van de mensen om hen heen, die op een zelfgekozen weg volgens hun eigen begeerten wilden leven. Als dat voor iemand geen duidelijk teken van het werk van God was, dan vond hij het een aanklacht tegen zichzelf en dat leidde tot een gewelddadige afwijzing van het evangelie en van degene die het verkondigde36.

Nog in de 2de en 3de eeuw waren de christenen een buitenbeentje in de maatschappij. Ze scheidden zich af van de wereldse genietingen waarin de meeste mensen hun vreugde zochten. Zij deden niet mee aan de openlijke feesten en religieuze rituelen en ze maanden de mensen om zich te bekeren van hun zondige leven. Op die manier ontstond de vijandschap van de mensen tegen de christenen. Huiveringwekkende geruchten over de christenen deden de ronde en in de tijd van de vervolging door de regeringen werden veel christenen veroordeeld, zonder dat er iets slechts bewezen kon worden. Via deze link (komt nog) vindt je een verzameling van citaten uit de vroegchristelijke schriften, die een preciezer inzicht in de situatie van die tijd geven.

7 Wat betekent dat voor ons?

Het leven van de vroege christenen was geen vorm die ze naar hun eigen goeddunken bepaalden. Zij hebben het leven van elke dag, hun vrije tijd, hun gaven en talenten, vreugde en lijd, geld en goederen, alles wat bij het leven hoort, met elkaar gedeeld en voor elkaar gegeven. Op alle manieren wilden ze elkaar helpen om in het leven God trouw te blijven. Zo wilden ze als apostelen van Jezus Zijn toewijding volgen zoals de apostel Johannes het uitdrukt:

Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. (…) Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten. (1 Johannes 3: 14 en 16)

De liefde tot elkaar, zoals het onder broeders en zusters normaal is, was uiting van hun liefde voor God. Johannes schreef dat duidelijk en eenvoudig:

Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat37 , dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. En dit gebod hebben wij van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben. (1 Johannes 4: 19-21)

Dat geldt ook vandaag de dag voor iedereen, die Jezus wil volgen, d.w.z. die christen wil zijn. Het is zelfbedrog met ernstige gevolgen als men denkt, dat het „christen-zijn” betekent dat dat alleen een relatie tussen mij en God is in combinatie met af en toe kerkdienst of samenkomst te bezoeken. De bruid van Christus is de kerk, niet losse christen38. De kerk werd ook als zijn lichaam gekenmerkt en hij is het hoofd. Door hem moeten alle leden met elkaar verbonden zijn en hij leidt hen in hun gemeenschappelijke dienst voor God39. Hoe Jezus wilde dat de kerk eruit moet zien, kun je in andere onderwerpen van deze website nauwkeuriger lezen, bijv. in het artikel „de gemeente in het Nieuwe Testament” (komt nog).

In ons leven willen wij in alle opzichten het voorbeeld van de eerste christenen volgen en nodigen ook jou uit om dat met ons samen te doen. Wij komen in verschillende plaatsten en steden samen. Ook als het verder weg is, is dat voor ons ook geen onoverkomelijk probleem, om contact te hebben met mensen, die het verlangen hebben om Jezus heel serieus te volgen. Niet alleen vanuit de woorden van Jezus40, maar ook uit eigen ervaring weten wij dat er niet veel van zulke mensen zijn. Het was in de hele geschiedenis van de mensheid helaas het geval, dat de meeste mensen niet op de wegen van God wilden wandelen.

Net zoals de eerste christenen, ondervinden wij ook afkeuring, veroordeling, terugwijzing en ook laster en valse beschuldigingen. Wij zijn ook geconfronteerd met mensen, die stenen in onze weg willen leggen. Omdat zij zelf hun leven niet aan God en zijn woord willen onderschikken, proberen zij onze liefde voor God en onze gehoorzaamheid als overdreven, wettisch en „rechtvaardigheid uit werken” te bestempelen. Wij willen graag alle mensen uitnodigen om zich nicht van vooroordelen te laten afschrikken, maar zelf de verantwoordelijkheid voor de waarheid te nemen en ons leven te leren kennen. Dan kan men een eigen oordeel op basis van de bijbel vormen.

Met ons gemeenschappelijk leven willen wij een getuigenis zijn voor de veranderende kracht van God zijn en daardoor bemoedigen niet kleingelovig te zijn en te twijfelen, of het vandaag de dag nog mogelijk is om zo te leven. Wij zien hoeveel zegen het brengt en ook hoe nodig het is om te groeien in de nederigheid, onbaatzuchtigheid, zelfverloochening, en de bereidheid tot toewijding in zachtmoedigheid en geduld; om erin te groeien elkaar hoger te achten als zichzelf en niet het eigen voordeel te zoeken en het beste voor je naaste te zoeken. Wij hebben niet alleen ervaren, hoe Jezus ons daartoe in staat kan stellen, maar ook dat wij zijn toewijding en liefde voor ons daardoor dieper begrijpen en ervaren en dat het onze lof en dankbaarheid voor Hem vergroot.

Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden. Geliefden, indien God ons zó heeft liefgehad, behoren ook wij elkander lief te hebben. Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zijn liefde is in ons volmaakt geworden. (1 Johannes 4:7-12)

Scroll to top ↑


Voetnoten:
  1. Als Bijbelvertaling hebben wij, tenzij bij het citaat anders aangegeven, de NBG51 geciteerd. 
  2. Lukas 6: 12-16 
  3. Johannes 13: 34-35 
  4. Johannes 5: 30-46 
  5. Lukas 11:1 
  6. Lukas 5: 30-32 
  7. Markus 6:31-34 
  8. Lukas 6: 27-35 
  9. Johannes 10:11 
  10. Lukas 6: 27-35 
  11. Matteüs 16:21 
  12. Handelingen 2: 1-13 
  13. Marcus 1:14 
  14. zie Psalm 32: 1-5 
  15. Romeinen 5:5 
  16. Lukas 14:33 
  17. Lukas 9:23 
  18. Jakobus 5:16 en Handelingen 19:18 
  19. Matteüs 5: 14-15 
  20. Handelingen 5: 12-14 
  21. Handelingen 5: 1-11 
  22. Handelingen 1:8 
  23. Lukas 12: 35-40 
  24. bijv. in Romeinen 15: 25-27 
  25. het Griekse woord hier: „koinonia”, betekent niet „aalmoes geven” maar het betekent de onderlinge hulp in de gemeente 
  26. Nehemia 10: 37-38 
  27. Handelingen 24: 5 en 14 
  28. Jezus sprak daarover in Johannes 8: 37-47 
  29. Handelingen 5: 17-23; 40-41 
  30. Handelingen 7 
  31. 2 Korintiërs 11: 22-27 
  32. Romeinen 12: 1-2 en 1 Petrus 4: 1-5 
  33. Efeziërs 2:19 
  34. Filippenzen 2: 14-16 
  35. Jakobus 4:4 
  36. 2 Korintiërs 4: 7-11 
  37. Zoals ook in andere teksten in het Nieuwe Testament betekent haten hier minachten of terugplaatsen achter iets of iemand. 
  38. Efeziërs 5: 25-27 
  39. 1 Korintiërs 12: 12 en verder 
  40. Lukas 13: 22-24