Over het gevaar van valse leren

“Neem je in acht, houd je aan de leer …” (1 Timoteüs 4:16) (NBV)

Waarover gaat het in dit artikel?

Dit artikel schrijven wij waarom wij geloven dat de leer van Jezus de waarheid van God is en hoe wij dit begrijpen. Wie valse leren leert, eert God niet. Valse leren zijn een zuurdesem en leiden de mensen op een dwaalspoor.

1 Inleidende gedachten over het belang van de juiste leer

De essentie van het christendom, wat christenen geloven en wat ze hopen, is samengevat in de persoon van Jezus Christus. Wie iets anders leert dan wat Jezus leerde, veracht zijn autoriteit en daardoor ook de autoriteit van God. Dat toont de hoogmoed van valse leraren en het wordt dan ook begrijpelijk waarom het nieuwe testament zulke harde woorden over hen zegt.

Vandaag de dag heerst er onder theologen vaak de mening, dat veel berichten over het leven van Jezus legenden zijn. Zij denken ook dat veel van de woorden van Jezus in de Bijbel uit de vrome fantasie van zijn volgelingen komen en dat Jezus deze woorden niet werkelijk heeft gezegd. Op die manier hebben deze theologen een „goede” reden om het nieuwe testament niet zo serieus te nemen. Een „goed” excuus om de woorden van de heilige schrift niet gehoorzaam te zijn. Ze creëren op deze manier hun eigen religie.

De zogenoemde liberale theologen nemen als vanzelfsprekend aan dat de pastorale brieven (1 en 2 Timotheus en Titus) niet authentiek zijn. Maar de waarheid die in deze brieven staat is toch ook de waarheid over hen, net zoals wat Paulus in de brief aan de Galaten 1:8-9 schrijft:

Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel – vervloekt is hij! Ik heb het al eerder gezegd en zeg het nu opnieuw: wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat u hebt ontvangen – vervloekt is hij! (NBV)1

Er zijn veel mensen die denken, dat de leer niet zo belangrijk is. Die manier van denken komt vaak voort uit het feit dat ze zichzelf en andere mensen niet willen beoordelen (zie ook ons artikel „liefde en beoordelen”). De argumentatie luidt dan dat we tolerant moeten zijn en de manier van denken van iemand anders moeten accepteren omdat je de waarheid sowieso niet kan vinden. Maar Jezus zegt in het evangelie van Johannes:

En tegen de Joden die in hem geloofden zei Jezus: ‚Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’ (Johannes 8,31-32) (NBV)

Hoe belangrijk de juiste leer werkelijk is, hopen wij door de volgende gedachten begrijpelijk te maken.

2 De leer van Jezus is de waarheid van God

Jezus antwoordde: ‚Wat Ik u leer, heb Ik niet van Mijzelf, maar van God. Hij heeft Mij gestuurd. Als iemand ernaar verlangt Gods wil te doen, zal Hij kunnen onderscheiden of mijn woorden van God komen of van Mijzelf.’ (Johannes 7,16-17) (Het Boek)

Bij de dingen die Jezus zegt legt hij er de nadruk op dat God de oorsprong van zijn leer is. Wat hij zegt is wat God zegt. Door de woorden van Jezus kunnen wij het wezen van God en zijn wil leren kennen. De belangrijkste voorwaarde daarvoor is de bereidheid om volgens de wil van God te leven.

3 Wie valse leren leert, eert God niet

Jezus waarschuwde zijn discipelen op hun hoede te zijn voor het zuurdesem van de sadduceeërs en farizeeërs (Matteüs 16: 6 en 12). Hij bedoelde hun leer daarmee. Hij gebruikte ook het volgende citaat uit het oude testament:

tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen. (Matteüs 15:9) (NBV)

Jezus noemt het niet alleen vergeefse Godsdienst, maar hij noemde de schriftgeleerden en de farizeeërs ook huichelaars:

Huichelaars, wat is Jesaja’s profetie toch toepasselijk op u: ‚Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij;’ (Matteüs 15:7-8) (NBV)

Wat Jezus vaak bekritiseert zijn de toevoegingen aan de heilige schrift vanuit de traditie.

Iedere leer, die afwijkt van het Bijbelse fundament is een gebod van mensen. Mensen, die andere doelen hebben als God te dienen, hebben zulke leren verzonnen. Valse leren zijn het resultaat van ongehoorzaamheid en kunnen daarom niet als gevolg een relatie met God hebben. Als iemand in een valse leer blijft geloven, hoewel de juiste leer aan hem werd uitgelegd, dan leidt het tot een vernietiging van de relatie met God (als hij een relatie met God had).

De leer is een uitdrukking van het wezen van God. Daarom leidt een valse leer tot een verkeerde voorstelling van God.

4 De leer en het leven zijn nauw met elkaar verbonden

Er zijn verschillende voorbeelden, die dit feit veraanschouwelijken. Bijvoorbeeld de volgende gelijkenis:

Wanneer Ik kom in mijn heerlijkheid met al de engelen, zal Ik op mijn schitterende troon zitten. Alle volken zullen voor Mij bijeen worden gebracht. Dan zal Ik hen van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen en de bokken scheidt. De schapen zal Ik aan mijn rechterhand zetten en de bokken aan mijn linkerhand. Dan zal Ik tegen de mensen aan mijn rechterhand zeggen: ‚Kom, gezegende kinderen van mijn Vader. U mag het Koninkrijk binnengaan, dat van het begin van de wereld af voor u bestemd is. Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en u hebt Mij in uw huis uitgenodigd. Ik had niets om aan te trekken en u hebt Mij kleren gegeven. Ik was ziek en u hebt Mij opgezocht. Ik zat in de gevangenis en u bent bij Mij geweest.’ Deze goede mensen zullen vragen: ‚Here, wanneer hebben wij gezien dat U honger had en hebben wij U te eten gegeven? Of dat U dorst had en hebben wij U te drinken gegeven? Of dat U een vreemdeling was en hebben wij U geholpen? Of dat U niets had om aan te trekken en hebben wij U kleren gegeven? En wanneer was U ziek of zat U in de gevangenis en hebben wij U bezocht?’ Ik zal tegen hen zeggen: ‚Toen u dit voor één van mijn minste broeders hebt gedaan, deed u het voor Mij.’ Daarna zal Ik tegen de mensen aan mijn linkerhand zeggen: ‚Weg jullie, vervloekten! Naar het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn trawanten bestemd is. Want Ik had honger en u wilde Mij niet te eten geven. Ik had dorst en u wilde Mij niet te drinken geven. Ik was een vreemdeling en u wilde Mij niet in huis opnemen. Ik had niets om aan te trekken en u wilde Mij geen kleren geven. Ik was ziek en u wilde Mij niet opzoeken. Ik zat in de gevangenis en u hebt Mij aan mijn lot overgelaten.’ Dan zullen zij vragen: ‚Maar Here, wanneer hebben wij dan gezien dat U honger had of dorst? Of dat U een vreemdeling was? Of dat U niets had om aan te trekken? Of dat U ziek was of in de gevangenis zat? Wanneer hebben wij U niet geholpen?’ Ik zal hun antwoorden: ‚Toen u de minste van mijn broeders niet wilde helpen, wilde u Mij niet helpen.’ Die mensen gaan naar de eeuwige straf. Maar de goede en eerlijke mensen gaan naar het eeuwige leven.
(Matteüs 25:31-46) (Het Boek)

Als iemand bijvoorbeeld deze gelijkenis zo interpreteert, alsof dit betrekking op christenen zou hebben (dat hoort men niet zelden), dan is zijn voorstelling van het christendom beperkt tot de inzet op sociaal gebied. Maar in deze gelijkenis spreekt Jezus over mensen, die hem niet kennen. Zij zijn verwonderd dat zij het goede, dat ze hebben gedaan, voor Jezus hebben gedaan. Een christen weet natuurlijk dat alles wat hij doet, voor Jezus is. Jezus zegt hier dus iets over de vraag wat er in de eeuwigheid gebeurt met mensen die hem hier op aarde niet konden leren kennen. Het Griekse woord ethnoi (naties) in vers 32 verwijst daarnaar. De joden maakten ook taalkundig een onderscheid tussen het/hun volk (Grieks: laos) en alle andere volken (Grieks: ethnoi) wat bijvoorbeeld ook in Handelingen 26:17 zichtbaar wordt. „Ethnoi” (naties) zijn de volken die God niet kennen. Wij als christenen zijn gezanten van Christus (2. Korintiërs 5: 20), die ook weten dat ze deze opdracht hebben om door de verbreiding van de leer van Jezus en door een heilig leven God aan te bevelen. Jezus zal aan christenen dan ook zeker vragen of ze dat hebben gedaan.

De gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe is ook een interessant voorbeeld:

Jezus vertelde nog een gelijkenis. U kunt zich het Koninkrijk van de hemelen ook zo voorstellen. Een boer zaaide goed graan op zijn land. Maar op een nacht, terwijl iedereen sliep, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen het graan. Toen het graan begon te groeien, schoot ook het onkruid op. De knechten gingen naar de boer toe en zeiden: ‚Het veld waar u dat goede graan hebt gezaaid, staat vol onkruid!’ ‚Dat heeft een vijand gedaan”, zei hij. ‚Zullen wij het onkruid ertussen uittrekken?’ vroegen zij. ‚Nee,’ antwoordde de boer. ‚Want dan trekken jullie het jonge graan ook mee. Laat ze maar samen opgroeien tot de oogst. Dan zal ik tegen de maaiers zeggen dat zij eerst het onkruid bijeen moeten halen en verbranden. Daarna kunnen zij het graan in de schuur brengen. (Matteüs 13:24-30) (Het Boek)

Vandaag de dag zeggen veel mensen dat deze gelijkenis betrekking heeft op de kerk. Ze willen het dan als een argument gebruiken om te zeggen dat de gelovigen en de ongelovigen samen kunnen zijn in een gemeente. Zij denken dat dan eerst aan het einde van de wereld duidelijk zal worden wie er werkelijk bij God hoort en wie niet. Ze willen daarmee beargumenteren dat een christen zich niet hoeft af te scheiden van een ongelovige en dat hij hem ook niet hoeft te beoordelen (zie ook ons artikel „liefde en beoordelen”), omdat God aan het einde zal oordelen. Als men een beetje verder leest, is zichtbaar dat Jezus hier over iets anders praat.

Hij legde namelijk uit dat de akker de WERELD is (Matteüs 13:37). In de WERELD leven de rechtvaardige en de onrechtvaardige samen hoewel God alle mensen goed heeft gemaakt. God wil niet alle ongehoorzame mensen in de wereld uitroeien. Hij gaf iedereen een vrije wil om je leven te leven zoals je dat wilt tot zijn dood. Wij kunnen in andere teksten in het nieuwe testament zien, dat een christen geen geestelijke gemeenschap met iemand kan hebben die een ongelovige is.

Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen. Wat is de verwantschap tussen gerechtigheid en wetteloosheid? Wat heeft licht met duisternis te maken? Waarin lijken Christus en Beliar op elkaar? Wat hebben een gelovige en een ongelovige gemeen? Wat heeft de tempel van God met afgoden te maken? Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‚Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk. Daarom zegt de Heer: Ga weg bij de ongelovigen, zonder je van hen af en raak niets aan dat onrein is. Dan zal ik jullie aannemen en jullie vader zijn, en jullie mijn zonen en dochters – zegt de almachtige Heer.’ (2 Korintiërs 6:14-18) (NBV)

4.1 Valse leren werken als een zuurdesem

Daarom waarschuwt de Bijbel ons…

… er is nog één ding waarvoor ik u ernstig wil waarschuwen, en dat is het gevaar van scheuring. Sommigen zijn daarop uit. Zij proberen u verkeerde dingen te laten doen, dingen die ingaan tegen wat u is geleerd … (Romeinen 16:17) (Het Boek)

Wij mogen dit citaat niet egocentrisch interpreteren. Het gaat niet over de een of andere leer die wij 2000 jaren na Jezus hebben gehoord maar het gaat over de juiste leer die de christenen in Rome in de eerste eeuw gehoord hebben.

In zijn brief aan Titus schrijft Paulus:

Wie na twee keer te zijn terechtgewezen nog steeds verdeeldheid zaait, moet je uit de gemeente verwijderen; je weet dat zo iemand het spoor volkomen bijster is en door te zondigen zichzelf veroordeelt. (Titus 3,10-11) (NBV)

4.2 Valse leraren leiden mensen op een dwaalspoor

Dwaalleraren willen de waarheid aan de voorstelling en wensen van mensen aanpassen: van mensen, die iets comfortabels en interessants zoeken, wat meer zekerheid lijkt te geven, maar de wat mogelijkheid voor compromissen openhoudt.

Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoetkomen en hen naar de mond praten. Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. (2 Timoteüs 4:3-4) (NBV)

Valse leren worden vaak snel verbreid. Het is makkelijker om op de brede weg te lopen – maar die leidt in het verderf. In het nieuwe testament wordt de gemeenschap met valse leraars heel duidelijk afgekeurd:

Wie niet bij de leer van Christus blijft maar verder wil gaan, heeft God niet. Wie bij die leer blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon. Als er iemand bij u komt die deze leer niet uitdraagt, ontvang hem dan niet in uw huis en groet hem niet, want wie zo iemand groet, is medeplichtig aan zijn kwalijke praktijken. (2 Johannes 9-11) (NBV)

In de tijd van het nieuwe testament was gastvrijheid een erezaak, ook voor de christenen. Iemand te groeten betekende iets intiemers als wat het vandaag betekent. Johannes keurt deze gemeenschap af in het geval van valse leraren; christenen moeten duidelijk laten zien dat ze afstand nemen van iedere valse leer. Wat hebben waarheid en leugen met elkaar te maken?

Iedere christen zal ijverig zijn om de juiste leer te leren kennen. Dit is een uiting van zijn liefde voor de waarheid en het creëert de basis om op de smalle weg verder te kunnen gaan. Daarom vermaant Paulus de christenen:

… Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen … (Efeziërs 4:14) (NBV)

Als het iemand zich niet bewust laat leiden door het woord van God moet hij niet verbaasd te zijn als hij op een dwaalspoor wordt gebracht. Zelfs luiheid in het nadenken opent al de deur voor de invloed van valse leren.

„NEEM JE IN ACHT, HOUD JE AAN DE LEER EN BLIJF DAT DOEN; DAN RED JE ZOWEL JEZELF ALS HEN DIE NAAR JE LUISTEREN.” (1 Timoteüs 4:16) (NBV)

Scroll to top ↑


Voetnoten:
  1. Als bijbelvertaling hebben wij vaak „Het Boek” geciteerd vanwege de eenvoudigheid. Wanneer deze vertaling de zin van de tekst inhoudelijk niet goed weergeeft citeren wij de NBV-vertaling. Dit is dan aan het einde van het citaat vermeld.