”Wie zegt in Hem te blij­ven, moet ook zelf zo wan­de­len als Hij gewan­deld heeft.”

(1 Johan­nes 2:6)

Wij zijn men­sen die er diep naar ver­lan­gen om het voor­beeld van Jezus Chris­tus te vol­gen, Zijn woord te gehoor­za­men en broe­der­lij­ke lief­de te beoe­fe­nen, zoals de chris­te­nen in het Nieu­we Tes­ta­ment dat deden. We stre­ven ernaar Gods wil te begrij­pen door onze dage­lijk­se gesprek­ken en naden­ken over de Bij­bel, en door dit toe te pas­sen in ons leven. De vrucht hier­van zijn deze arti­ke­len op onze website.

Zie alle artikelen

En toen zij dit (over Jezus) hoor­den, wer­den zij diep in het hart geraakt en zei­den tegen Pet­rus en de ande­re apos­te­len: “Wat moe­ten wij doen?”

(Geci­teerd uit Han­de­lin­gen 2:37)

Dit vroe­gen de Joden zich af in het jaar 30 na Chris­tus, nadat ze Pet­rus over Jezus had­den horen spre­ken. Het­zelf­de heb­ben ook wij ons afge­vraagd, zoals ieder­een die die­per over de zin van zijn leven nadenkt — of hij nu athe­ïst, katho­liek of boed­dhist is. Wij zijn opge­groeid in ver­schil­len­de geloofs­rich­tin­gen of in een athe­ïs­ti­sche omge­ving. Maar alle­maal heb­ben we vast­ge­steld dat ver­schil­len­de wegen niet tot het­zelf­de doel lei­den. Er zijn zo veel wegen waar­uit we kun­nen kie­zen en er zijn zo veel men­sen die ver­schil­len­de ant­woor­den aan­bie­den: pro­tes­tan­ten, katho­lie­ken, Jehova’s getui­gen, adven­tis­ten, gere­for­meer­den, Evan­ge­li­sche Gemeen­ten, Pink­ster­ge­meen­ten, boed­dhis­ten, mos­lims, athe­ïs­ten, … de vraag is echter:

Wat is de juis­te weg, wat is de waarheid?

Van­daag de dag hoort men vaak het ant­woord: ”Ieder­een heeft zijn eigen waar­heid”, of: ”Nie­mand kan het wer­ke­lijk weten”. Wij den­ken dat zul­ke uit­spra­ken in strijd zijn met het feit dat er één objec­tie­ve wer­ke­lijk­heid is, bij­voor­beeld: de aar­de is rond of de aar­de is plat. Bei­de moge­lijk­he­den kun­nen niet tege­lij­ker­tijd waar zijn. Deze ene rea­li­teit blijft abso­luut en onver­an­derd, hoe je het ook bekijkt. Zo is het ook met reli­gi­eu­ze kwes­ties. Het kan niet zo zijn dat twee tegen­strij­di­ge moge­lijk­he­den tege­lij­ker­tijd waar zijn, één voor mij en één voor jou:

Laten we nog een paar vra­gen bekij­ken waar­bij twee tegen­strij­di­ge ant­woor­den niet tege­lij­ker­tijd waar kun­nen zijn:

God wil ons hel­pen de waar­heid te vinden

Ieder­een die God wil ken­nen moet bij zul­ke vra­gen toch een klaar stand­punt heb­ben. Als we wil­len weten hoe we vol­gens Gods wil kun­nen leven, kun­nen we bij zul­ke vra­gen niet onver­schil­lig blij­ven. Om ant­woor­den op deze vra­gen te vin­den heb­ben we geen nieu­we open­ba­ring of een spe­ci­a­le uit­leg­gings­me­tho­de van de Bij­bel nodig. Wij den­ken ook niet dat wij zelf de bron van de waar­heid zijn. We wil­len ons niet boven ande­ren ver­hef­fen en zijn ons bewust van onze tekort­ko­min­gen. De waar­heid is toe­gan­ke­lijk door­dat Jezus haar aan de men­sen heeft geopenbaard.

De mees­te men­sen den­ken dat er geen abso­lu­te waar­heid bestaat. In onze maat­schap­pij over­heerst de denk­wij­ze dat de waar­heid rela­tief is. Velen zijn aan deze mening gewend geraakt en den­ken dat wat zij als waar­heid zien, voor een ander niet waar hoeft te zijn: ”Wat voor mij goed is, dát is mijn waarheid”.

Maar als alles het­zelf­de gewicht en dezelf­de gel­dig­heid zou heb­ben, dan maakt het uit­ein­de­lijk hele­maal niets meer uit wat iemand denkt. Er zijn dan geen nor­men meer voor wat goed en slecht, waar en onwaar is. Ieder­een kan iets zoe­ken wat bij zijn eigen smaak en behoef­ten past. Men­sen schet­sen hun eigen plaat­je van de hemel vol­gens het kleu­ren­pa­let van hun eigen begeer­ten en wen­sen. Zo maken zij hun eigen reli­gie, die in hun situ­a­tie lijkt te pas­sen. In fei­te wordt reli­gie dan als een soort kunst beschouwd, zoals in de wereld van de mode. Men­sen beïn­vloe­den de trends en de trends beïn­vloe­den de men­sen. Gods weg is ech­ter anders:

Hoe wil God mijn leven veranderen?

In Gods ogen zijn alle men­sen die niet naar waar­heid zoe­ken gevan­gen. Maar Jezus wil ons bevrij­den — en het is aan ons om zijn hulp aan te nemen.

Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloof­den: Als u in Mijn woord blijft, bent u wer­ke­lijk Mijn dis­ci­pe­len, en u zult de waar­heid ken­nen, en de waar­heid zal u vrij­ma­ken. (Johan­nes 8:31–32)[1]

De waar­heid zal ons vrij­ma­ken — dat bete­kent dat wij de waar­heid over ons­zelf moe­ten inzien. Wij moe­ten onze zon­den toe­ge­ven en de ver­ge­ving van God door Jezus aan­ne­men. Dan kan hij ons de kracht geven om onze zon­den te over­win­nen en hei­lig te leven. Dan kan hij ons de kracht geven om ons hele leven te geven om hem te die­nen, zoals Pet­rus het zegt:

En het schrift­ge­deel­te dat hij las, was dit: Hij is als een schaap naar de slach­ting geleid en zoals een lam stem­me­loos is bij de scheer­der, zo doet Hij Zijn mond niet open. (Han­de­lin­gen 8:32)

Jezus wil ons vrij maken

Het zoe­ken naar de wil van God heeft ons tot de vol­gen­de vra­gen geleid:

Hoe moet mijn leven eruitzien?

Hoe moet een chris­te­lij­ke gemeen­te eruitzien?

Bij de eer­ste chris­te­nen in Jeru­za­lem zag het er zo uit:

En zij vol­hard­den in de leer van de apos­te­len en in de gemeen­schap, in het bre­ken van het brood en in de gebe­den. […] En zij ble­ven dage­lijks eens­ge­zind in de tem­pel bij­een­ko­men, en ter­wijl zij van huis tot huis brood bra­ken, namen zij geza­men­lijk voed­sel tot zich, met vreug­de en in een­voud van hart; (Han­de­lin­gen 2:42 en 46)

Voor de chris­te­nen des­tijds was het van­zelf­spre­kend om elke dag samen te komen en zich met de leer bezig te hou­den. Het getuigt van hun gro­te toe­wij­ding en lief­de voor God en hun broe­ders en zus­ters in het geloof. Ook wij heb­ben deze gro­te wens om als chris­te­nen ons leven te delen met onze broe­ders en zus­ters in het geloof. We lezen samen in de Bij­bel en nemen deel aan elkaars vreug­de, moei­lijk­he­den en gees­te­lij­ke strijd. We zijn heel dank­baar dat we in een tijd leven waar goe­de ver­voers­mo­ge­lijk­he­den en com­for­ta­be­le werk­tij­den dage­lijk­se chris­te­lij­ke gemeen­schap moge­lijk maken. Het dage­lijks samen­ko­men is voor ons een uiting van lief­de en een gevolg van het ver­lan­gen om ons geloof te leven, om onze tijd voor God en de broe­ders en zus­ters in het geloof te geven. Want wat ik belang­rijk vind, daar­voor gebruik ik mijn tijd!

De lief­de, die Jezus leert, is de basis voor de gemeente

Als iemand zou zeg­gen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broe­der haten, dan is hij een leu­ge­naar. Want wie zijn broe­der, die hij ziet, niet lief­heeft, hoe kan hij God lief­heb­ben, Die hij niet gezien heeft? En dit gebod heb­ben wij van Hem, dat wie God lief­heeft, ook zijn broe­der moet lief­heb­ben. (1 Johan­nes 4:20–21)

Deze hech­te gemeen­schap helpt ons ook om elkaar te ster­ken in onze strijd tegen de zon­de en om in de prak­tijk te bren­gen wat de Bij­bel leert:

… maar ver­maan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spre­ken, opdat nie­mand van u ver­hard zal wor­den door de ver­lei­ding van de zon­de. (Hebree­ën 3:13)

We wil­len niet op een opper­vlak­ki­ge manier samen zijn of ach­ter een mas­ker voor elkaar ver­ber­gen wie we wer­ke­lijk zijn. We belij­den onze zon­den en zwak­he­den aan elkaar om elkaar te hel­pen in de strijd om een hei­lig leven, vol­gens het voor­beeld van Jezus.

Een nieuw gebod geef Ik u, name­lijk dat u elkaar lief­hebt; zoals Ik u lief­ge­had heb, moet u ook elkaar lief­heb­ben. Hier­door zul­len allen inzien dat u Mijn dis­ci­pe­len bent: als u lief­de onder elkaar hebt. (Johan­nes 13:34–35)

Deze lief­de wil­len wij leven — niet alleen op zon- en feest­da­gen, maar elke dag op dezelf­de manier; niet alleen met een paar vrien­den die we zelf heb­ben uit­ge­ko­zen, maar met ieder­een die in de waar­heid wil leven.

 




Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.