Afval van het geloof

De foto toont een vader die hand in hand loopt met zijn jonge kind, wat hun wederzijdse relatie illustreert, gebaseerd op liefde en vertrouwen. De wederzijdse relatie blijft bestaan zolang beiden van elkaar blijven houden.

1 Con­se­quen­ties van de leer ”Eens gered, altijd gered”

Steeds vaker wordt men met de leer gecon­fron­teerd, dat als iemand eens gered is, hij voor altijd gered zou zijn. Daar­en­te­gen gaat het Nieu­we Tes­ta­ment er wel dege­lijk van­uit dat afval van het geloof moge­lijk is en een chris­ten zijn red­ding weer kan verliezen.

Bij deze pro­ble­ma­tiek gaat het op een heel direc­te manier over veel vra­gen van het chris­te­lijk geloof, over de leer over God, de mens en zijn ver­los­sing en behoud. Daar­om wil­len wij in dit arti­kel dit the­ma onder de loep nemen en laten zien waar­om het niet met de gezon­de leer over­een­stemt als iemand ont­kent dat het moge­lijk is van het geloof af te val­len. Deze leer is in strijd met de lief­de van God en de vrije natuur van de mens als het even­beeld van God. Deze leer neemt ook de zon­de en de strijd erte­gen niet seri­eus en acht de gena­de en de hei­lig­heid van God niet, die ons tot berouw en een hei­lig leven lei­den. Daar­om zal een chris­ten er ook naar stre­ven op deze vraag een dui­de­lijk ant­woord te vin­den.

Ver­der wil­len wij laten zien dat het niet pas tot afval van het geloof leidt als iemand zich bewust van God afkeert, maar dat het lang­du­rig vast­hou­den aan zon­de ook al dezelf­de con­se­quen­tie heeft. Wij hopen met dit arti­kel men­sen te ster­ken in de waar­heid en hen te waar­schu­wen voor mis­lei­ding en bedrog.

Ziet toe, broe­ders, dat bij nie­mand uwer een boos, onge­lo­vig hart zij, door af te val­len van de leven­de God (Hebree­ën 3:12)[1]

2 De rela­tie met God

De leven­de God wil een leven­de rela­tie met ons als men­sen. Hij heeft ons gescha­pen naar zijn even­beeld als vrije schep­se­len en als een wer­ke­lij­ke afspie­ge­ling van hem zelf. Vol­gens de essen­tie van zijn eigen natuur han­delt God altijd vol­gens de lief­de. Daar­om behan­delt hij ons niet als mari­o­net­ten maar res­pec­teert hij onze beslis­sin­gen. Hij accep­teert dat die ons beïn­vloe­den en gevol­gen met zich meebrengen.

Een leven­de rela­tie kan zich alleen op basis van een vrije keus ont­wik­ke­len. Pre­cies zoals wij door een vrije keu­ze kun­nen beslis­sen met God te leven kun­nen wij ook beslis­sen om ons van hem af te keren. Het Nieu­we Tes­ta­ment laat het gevaar dui­de­lijk zien dat men de gro­te gena­de van het behoud door het bedrog van de zon­de weer kan ver­lie­zen. De mens ein­digt dan in blind­heid, duis­ter­nis en verderf.

Als wij dus over afval spre­ken, bedoe­len wij het ver­lies of het prijs­ge­ven van de rela­tie met God.

3 Wat zegt het Nieu­we Testament?

3.1 Het beeld van de wijnstok

Ik ben de ware wijn­stok en mijn Vader is de land­man. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht dra­ge. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gespro­ken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u. Even­als de rank geen vrucht kan dra­gen uit zich­zelf, als zij niet aan de wijn­stok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijn­stok, gij zijt de ran­ken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zon­der Mij kunt gij niets doen. Wie in Mij niet blijft, is bui­ten­ge­wor­pen als de rank en is ver­dord, en men ver­za­melt ze en werpt ze in het vuur en zij wor­den ver­brand. (Johan­nes 15:1–6)

Elke rank die geen vrucht draagt wordt weg­ge­sne­den en in het vuur ver­brand. Een rank kan alleen vrucht dra­gen als hij in de wijn­stok blijft. Dat bete­kent dat hij hele­maal een een­heid met de wijn­stok is. Jezus sprak over men­sen die een rela­tie met hem heb­ben. Wie niet in de rela­tie met hem blijft draagt geen vrucht en wordt – figuur­lijk – afge­sne­den en verbrand.

De woor­den van Jezus hier laten zien dat het moge­lijk is om de rela­tie met God weer te ver­lie­zen.

3.2 De brief aan de Hebreeën

Want het is onmo­ge­lijk, dege­nen, die eens ver­licht zijn geweest, van de hemel­se gave geno­ten heb­ben en deel gekre­gen heb­ben aan de hei­li­ge Geest, en het goe­de woord Gods en de krach­ten der toe­ko­men­de eeuw gesmaakt heb­ben, en daar­na afge­val­len zijn, weder opnieuw tot beke­ring te bren­gen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw krui­si­gen en tot een bespot­ting maken. Want de grond, die de regen, wel­ke er tel­kens op valt, indrinkt en gewas voort­brengt, geschikt voor hen, ter wil­le van wie hij ook bewerkt wordt, ont­vangt zegen van God; doch als hij door­nen en dis­te­len draagt, is hij ondeug­de­lijk en niet ver van de ver­vloe­king, die uit­loopt op ver­bran­ding. (Hebree­ën 6:4–8)

Als men­sen die zich bekeer­den, ver­licht wer­den en deel kre­gen aan de Hei­li­ge Geest, terug­val­len in het leven in de zon­de, krui­si­gen zij – figuur­lijk – de zoon van God opnieuw en maken zij Hem tot een bespot­ting. Deze men­sen ver­loo­che­nen de kracht van de red­ding en ver­los­sing in Jezus omdat gelo­vi­gen door die kracht van zon­den wor­den bevrijd. Zul­ke men­sen kun­nen zich niet meer beke­ren van de ver­har­ding en de blind­heid die ze zelf geko­zen hebben.

Het moet in deze tekst over iemand gaan die zich wer­ke­lijk bekeer­de omdat er staat: „… deel gekre­gen heb­ben aan de Hei­li­ge Geest“. Ook de uit­druk­king „…weder opnieuw tot beke­ring te bren­gen“ laat zon­der twij­fel zien dat deze mens zich al een keer bekeerd had en een chris­ten is geworden.

Het­zelf­de geldt voor „de zoon van God opnieuw krui­si­gen“, omdat dat inhoudt dat die­ge­ne al een keer door Jezus’ ver­los­sings­werk werd gered.

„De hemel­se gave geno­ten heb­ben“ bete­kent niet alleen er even van te proe­ven of het uit te pro­be­ren als iets wat men eigen­lijk niet bezit. Zo wordt het soms geïn­ter­pre­teerd. Maar dat klopt niet. Nie­mand zegt toch ook dat als er in Hebree­ën 2:9 staat dat Jezus „…voor een ieder de dood zou sma­ken“, dat hij niet wer­ke­lijk gestor­ven zou zijn. In de Griek­se oor­spron­ke­lij­ke tekst staat het­zelf­de woord voor „genie­ten“ (Heb. 6:4) en „sma­ken“ (Heb. 2:9). Dus net zoals Jezus de dood smaak­te en wer­ke­lijk dood was, is het zo dat het genie­ten van de hemel­se gave bete­kent, dat iemand wer­ke­lijk een chris­ten is.

Want indien wij opzet­te­lijk zon­di­gen, nadat wij tot erken­te­nis der waar­heid geko­men zijn, blijft er geen offer voor de zon­den meer over, maar een vre­se­lijk uit­zicht op het oor­deel en de fel­heid van een vuur, dat de weder­span­ni­gen zal ver­te­ren. Indien iemand de wet van Mozes ter­zij­de heeft gesteld, wordt hij zon­der mede­do­gen gedood op het getui­ge­nis van twee of drie per­so­nen. Hoe­veel zwaar­der straf, meent gij, zal híj ver­die­nen, die de Zoon van God met voe­ten heeft getre­den, het bloed des ver­bonds, waar­door hij gehei­ligd was, onrein geacht en de Geest der gena­de gesmaad heeft? Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het ver­gel­den! En weder­om: De Here zal zijn volk oor­de­len. Vre­se­lijk is het, te val­len in de han­den van de leven­de God! (Hebree­ën 10:26–31)

Bij deze ver­zen gaat het weer over men­sen die „tot erken­te­nis der waar­heid geko­men zijn“, en de auteur rekent zich­zelf daar­toe. In het Nieu­we Tes­ta­ment is “tot erken­te­nis der waar­heid komen” een ele­ment om een chris­ten te wor­den. Bij „een vre­se­lijk uit­zicht op het oor­deel en de fel­heid van een vuur“ kan het alleen maar over men­sen gaan die eeu­wig van God geschei­den zijn. Dat er geen offer meer over­blijft zin­speelt erop dat die­ge­ne het offer van Jezus al een keer voor zich had aan­vaard. Het­zelf­de geldt voor „het bloed des ver­bonds, waar­door hij gehei­ligd was, onrein geacht“.

Vol­gens deze tekst kan een mens zijn behoud ver­lie­zen als hij opzet­te­lijk, d.w.z. bewust en aan­hou­dend, moed­wil­lig zon­digt. Om het behoud te ver­lie­zen hoeft het niet zo te zijn dat een chris­ten zijn Red­der (Jezus) bewust afwijst, maar ook een gelei­de­lijk terug­val­len in de zon­de kan daar­toe lei­den. De laat­ste toe­stand van zo iemand is slech­ter als toen hij nog geen chris­ten was.

3.3 Hebree­ën 3:12

Dit vers, dat in het begin van dit arti­kel is geci­teerd, is geschre­ven om de lezers van de brief voor te hou­den dat ze op hun broe­ders en zus­ters in de gemeen­te moe­ten toe­zien zodat nie­mand „door een kwaad­wil­lig, onge­lo­vig hart afval­lig wordt van de leven­de God“. Net zoals in ande­re tek­sten zien we hier dat er een nauw ver­band is tus­sen afval van het geloof en het ont­bre­ken van wer­ke­lijk hech­te gemeen­schap van de christenen.

Som­mi­ge men­sen zeg­gen dat de brief aan de Hebree­ën niet aan chris­te­nen werd geschre­ven. Maar in de brief is het dui­de­lijk dat de schrij­ver wer­ke­lijk aan broe­ders in het geloof schrijft, bijv.:

Maar het is onze begeer­te, dat ieder uwer dezelf­de ijver blij­ve beto­nen tot de ver­we­zen­lij­king der hoop tot het ein­de toe, opdat gij niet traag wordt, maar navol­gers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de belof­ten beër­ven. (Hebree­ën 6:11–12)

Dat laat zien dat die­ge­nen die de brief ont­van­gen niet onbe­keerd zijn. Zij staan dus niet vóór de stap om van naam­chris­te­nen ech­te chris­te­nen te wor­den. Maar zij moe­ten vol­hou­den tot het ein­de en oppas­sen dat ze niet lui en pas­sief wor­den op de goe­de weg, die ze al heb­ben inge­sla­gen. Ze zijn dus al christenen.

De auteur spreekt zijn gea­dres­seer­den als broe­ders aan als hij ze ver­maant. Hij zag dat som­mi­ge van hen zwak in het geloof waren, maar hij beoor­deel­de het toch zo, dat ze chris­te­nen waren. Door de ver­ma­nin­gen zien wij dat ze in het gevaar waren de samen­kom­sten te ver­waar­lo­zen en weer gevan­gen en ver­hard te wor­den door zon­den. Ze waren vroe­ger Joden (daar­om: Hebree­ën) en ze voel­den zich erg aan­ge­trok­ken door de tem­pel­dienst waar­aan ze vroe­ger deel­na­men. Ze ver­ga­ten de zui­ve­ring die ze kre­gen door hun lauw­heid en angst voor lei­den (Hebree­ën 10:23–29).

Daar­om kan nie­mand uit de beschre­ven situ­a­tie con­clu­de­ren dat de gea­dres­seer­den geen wer­ke­lij­ke chris­te­nen waren.

Boven­dien vind je ook ver­der in het Nieu­we Tes­ta­ment ner­gens deze gekun­stel­de onder­schei­ding tus­sen men­sen ”die alleen maar met hun mond chris­te­nen zijn” en wer­ke­lij­ke christenen.

3.4 Afval van het geloof en val­se leren

Gij zijt los van Chris­tus, als gij door de wet gerech­tig­heid ver­wacht; bui­ten de gena­de staat gij. (Gala­ten 5:4)

In het nieu­we tes­ta­ment is de waar­schu­wing tegen afval van het geloof nauw ver­bon­den met de oproep de juis­te leer te behou­den. De brief aan de Gala­ten is daar­voor een goed voor­beeld. Aan het begin van deze brief laat Pau­lus zien dat hij heel bezorgd is, omdat de Gala­ten zich zo snel lie­ten ver­lei­den tot een „ander evan­ge­lie“[2]. Uit de con­text van de brief is zicht­baar wie de val­se leraars en ver­lei­ders waren: de Joden die wil­den dat die­ge­nen, die zich van­uit het hei­den­dom tot het chris­ten­dom had­den bekeerd, de wet van Mozes moesten hou­den om God te kun­nen behagen.

Voor Pau­lus was het dui­de­lijk: als ze nu begin­nen met for­ma­lis­ti­sche tem­pel­dienst­han­de­lin­gen, die ertoe lei­den dat men „bui­ten de gena­de staat„ (Griek­se oor­spr. tekst: uit de gena­de val­len). Dat is een ver­lies van het behoud en afval van het geloof.

In Gala­ten 4:11 zegt Pau­lus dat hij bezorgd is over de Gala­ten, of hij niet tever­geefs voor ze heeft gewerkt. Als de afval van het geloof niet moge­lijk zou zijn, dan zou­den zul­ke zor­gen hele­maal onte­recht zijn geweest.

Maar de Geest zegt nadruk­ke­lijk, dat in late­re tij­den som­mi­gen zul­len afval­len van het geloof, door­dat zij dwaal­gees­ten en lerin­gen van boze gees­ten vol­gen, … (1 Timo­the­üs 4:1)

In de brief aan Timo­the­üs is zicht­baar dat jon­ge chris­te­nen gecon­fron­teerd wer­den met nog een ande­re gevaar­lij­ke val­se leer. Een vroe­ge vorm van Gno­sis (1 Timo­the­üs 6:20) leid­de ertoe dat som­mi­ge chris­te­nen van het ware geloof zijn afge­raakt, en in het geloof schip­breuk heb­ben gele­den, zoals Hyme­ne­üs en Phi­let­us (1 Timo­the­üs 1:18–20, 2 Timo­the­üs 2:17).

Gie­rig­heid en alle ande­re soor­ten van begeer­ten leid­den som­mi­ge gelo­vi­gen ook al weg van het geloof (1 Timo­the­üs 6:6–10, 5:14–15).

3.5 De brie­ven van Johannes

In bepaal­de geval­len kan het voor­ko­men dat som­mi­gen die het geloof heb­ben ver­la­ten, nooit chris­te­nen waren.

Johan­nes schrijft in zijn brief over soort­ge­lij­ke gnos­ti­sche ketterijen:

Kin­de­ren, het is de laat­ste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een anti­christ komt, zijn er nu ook vele anti­chris­ten opge­staan, en daar­aan onder­ken­nen wij, dat het de laat­ste ure is. Zij zijn van ons uit­ge­gaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zou­den zij bij ons geble­ven zijn: maar aan hen moest open­baar wor­den, dat niet allen uit ons zijn. (1 Johan­nes 2:18–19)

De con­clu­sie van Johan­nes dat de val­se lera­ren de Hei­li­ge Geest nooit heb­ben gehad en daar­om eigen­lijk nooit bij de gemeen­te hoor­den wordt gegrond op het feit dat ze anders zou­den zijn geble­ven. Men kan de indruk krij­gen dat Johan­nes als het ware een regel wil schrij­ven, dat alleen al door de trouw van een mens zicht­baar wordt of hij een chris­ten was of niet. Maar de uit­druk­king „anti­christ“ maakt dui­de­lijk dat de per­so­nen om wie het gaat zelf val­se leren ver­breid­den en dat ze niet alleen ontrou­we gelo­vi­gen waren. Omdat Johan­nes er bij ande­re (zoals de hier­na­ge­noem­de) tek­sten van­zelf­spre­kend van­uit gaat dat iemand zijn behoud kan ver­lie­zen, kun­nen we de boven­staan­de tekst als een uit­zon­der­lijk geval zien. Over het alge­meen gebruik­ten gnos­ti­sche leraars op een bedrieg­lij­ke manier dezelf­de uit­druk­kin­gen als de chris­te­nen, maar dan met een heel ande­re inhoud. Daar­door was het voor jon­ge chris­te­nen, die nog niet zo vast in de juis­te leer ston­den, soms moei­lijk te zien wat er pre­cies niet in orde was. Dit is een reden waar­om Johan­nes wil­de bena­druk­ken: deze men­sen had­den zich nooit wer­ke­lijk bekeerd.

Dus de omstan­dig­he­den zijn hier heel anders als die in de vol­gen­de tekst:

Als iemand zijn broe­der ziet zon­di­gen, een zon­de niet tot de dood, moet hij bid­den en God zal hem het leven geven, hun name­lijk, die zon­di­gen niet tot de dood. Er bestaat zon­de tot de dood: daar­voor zeg ik niet, dat hij moet vra­gen. (1 Johan­nes 5:16)

Als hij dit schrijft ver­on­der­stelt Johan­nes dat het moge­lijk is dat een broe­der zon­de doet „die tot de dood leidt“. Dat bete­kent dat het zon­di­gen tot de gees­te­lij­ke dood leidt. Som­mi­ge men­sen die per­ti­nent niet wil­len gelo­ven dat het moge­lijk is om van het geloof af te val­len zeg­gen dat het hier over de licha­me­lij­ke dood gaat en niet over de gees­te­lij­ke dood. Maar Johan­nes moest de chris­te­nen zeker niet over­tui­gen, dat ze niet voor doden kun­nen bid­den. Als het in deze tekst niet over afval gaat, wat voor een zin zou deze tekst dan hebben?

God wil de zon­de van de men­sen ver­ge­ven, hoe erg de zon­de ook is, als de mens er berouw van heeft. Als men­sen er geen berouw van wil­len heb­ben, dan zal ook de licha­me­lij­ke dood niets aan hun hard­nek­kig­heid veranderen.

4 Maar wie stand­houdt tot het ein­de zal wor­den gered

Behal­ve de tek­sten die direct laten zien dat het moge­lijk is om van het geloof af te val­len, zijn er nog veel tek­sten die de chris­te­nen aan­spo­ren om in het geloof te volharden.

Een broe­der zal zijn broe­der over­le­ve­ren ten dode en een vader zijn kind, en kin­de­ren zul­len opstaan tegen hun ouders en hen ter dood bren­gen. En gij zult door allen gehaat wor­den om mijns naams wil; maar wie vol­hardt tot het ein­de, die zal behou­den wor­den. (Mat­the­üs 10:21–22)

Ande­re tek­sten die het­zelf­de laten zien: 1 Korin­the 15:1–2; Kolos­sen­zen 1:21–23; Hebree­ën 10:35–39.

Som­mi­ge men­sen den­ken dat deze tek­sten, die over afval van het geloof gaan, alleen maar een ern­sti­ge waar­schu­wing zijn. Als iemand die negeert, dan den­ken ze, dat dit dan geen con­se­quen­ties zou heb­ben en dat God dan uit­ein­de­lijk toch zijn waar­schu­wing niet uitvoert.

Maar als afval van het geloof uit­ein­de­lijk geen con­se­quen­ties heeft omdat die­ge­ne toch in de hemel komt, waar­om zijn er dan zo veel waar­schu­win­gen in de bij­bel om stand te hou­den tot het ein­de? God die altijd de waar­heid spreekt, pro­beert zijn kin­de­ren niet met loze drei­ge­men­ten tot gehoor­zaam­heid te lei­den. Zelfs bij de men­se­lij­ke peda­go­gie wor­den zul­ke metho­des nor­maal gespro­ken verworpen.

Zelfs het oude tes­ta­ment laat dui­de­lijk zien dat God de zon­den voor de beke­ring niet laat mee­tel­len als we ons beke­ren van de god­de­loos­heid, maar ook dat onze vroe­ge­re gerech­tig­heid ons niet kan hel­pen als we ons weer van de waar­heid afkeren.

Maar wan­neer een recht­vaar­di­ge zich afkeert van zijn recht­vaar­di­ge wan­del en onrecht doet, naar al de gru­we­len han­delt, die de god­de­lo­ze bedrijft – zal hij dan leven? Met geen van zijn recht­vaar­di­ge daden zal reke­ning gehou­den wor­den. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zon­de die hij bedre­ven heeft, daar­om zal hij ster­ven. (Eze­chi­ël 18:24)

Waar­om waren er zul­ke stren­ge straf­fen in het oude testament?

Was dat niet zo om ons te onder­wij­zen dat wij zon­de moe­ten ver­mij­den en er ver weg van moe­ten blij­ven, zodat wij niet de ver­nie­ti­gen­de gevol­gen ervan moe­ten dra­gen? Gevol­gen: een ver­hard hart en afge­sne­den zijn van God.

5 Tek­sten die vaak wor­den gebruikt als argu­men­ten tegen de leer van afval van het geloof

Wat zul­len wij dan van deze din­gen zeg­gen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen over­ge­ge­ven heeft, ons met Hem ook niet alle din­gen schen­ken? Wie zal uit­ver­ko­re­nen Gods beschul­di­gen? God is het, die recht­vaar­digt; wie zal ver­oor­de­len? Chris­tus Jezus is de gestor­ve­ne, wat meer is, de opge­wek­te, die ter rech­ter­hand Gods is, die ook voor ons pleit. Wie zal ons schei­den van de lief­de van Chris­tus? Ver­druk­king of benauwd­heid, of ver­vol­ging of hon­ger, of naakt­heid, of gevaar, of het zwaard? (…) Want ik ben ver­ze­kerd, dat noch dood noch leven, noch enge­len noch mach­ten, noch heden noch toe­komst, noch krach­ten, noch hoog­te noch diep­te, noch enig ander schep­sel ons zal kun­nen schei­den van de lief­de Gods, wel­ke is in Chris­tus Jezus, onze Here. (Romei­nen 8:31–35; 38–39)

In deze tekst gaat het over de trouw van God aan zijn kin­de­ren. Als een chris­ten trouw blijft aan God, dan kan geen enke­le der­de per­soon, geen ande­re macht en ook niet de dood ons van God scheiden.

Het is het plan van God dat elke chris­ten trouw blijft tot het ein­de. Daar­voor krijgt iede­re chris­ten de nodi­ge kracht van God.

Maar in deze tekst wil niets erover zeg­gen wat er gebeurt als een chris­ten zelf niet meer tegen de zon­de wil vech­ten en zich van God afkeert. We kun­nen niet ver­wach­ten dat God bij elke belof­te de voor­waar­den erbij schrijft.

En dit is de wil van Hem, die Mij gezon­den heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gege­ven heeft, niets ver­lo­ren late gaan, maar het opwek­ke ten jong­sten dage. (Johan­nes 6:39)

Van­zelf­spre­kend wil God niet dat er ook maar één chris­ten ver­lo­ren gaat. Maar uit lief­de heeft hij ons de vrije wil gege­ven. En die zal hij niet nege­ren. Als wij iets beslis­sen, accep­teert hij dat. Dat beperkt zijn abso­lu­te soe­ve­rei­ni­teit natuur­lijk op geen enke­le manier.

Vol­gens 1 Timo­the­üs 2:4 wil God dat alle men­sen de waar­heid leren ken­nen en daar­door wor­den gered. Als God dit dan wil, waar­om gebeurt het dan niet (dat alle men­sen wor­den gered)? Het ant­woord is dat de mees­te men­sen hun leven niet wil­len ver­an­de­ren. Zo kun­nen ook chris­te­nen hun geloof en behoud ver­lie­zen als ze niet meer voor God wil­len leven, d.w.z. als ze de de zon­de meer lief­heb­ben als dege­ne die hen ervoor wil bewa­ren (God). Waar­om zou er een ande­re maat­staf voor chris­te­nen moe­ten zijn? God bevoor­deelt nie­mand; zelfs bij die­ge­nen die zich al heb­ben bekeerd, maar geen “bekeerd leven” wil­len leven.

Mijn scha­pen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij vol­gen Mij, en Ik geef hun eeu­wig leven en zij zul­len voor­ze­ker niet ver­lo­ren gaan in eeu­wig­heid en nie­mand zal ze uit mijn hand roven. (Johan­nes 10:27–28)

In deze tekst gaat het ook om Gods trouw. De uit­druk­king “uit mijn hand roven” laat zien dat Jezus het hier over invloed van bui­ten­af heeft. God wil ons hel­pen om trouw te blij­ven als we hem om hulp vra­gen. Maar Jezus zal ons niet dwin­gen in zijn hand te blij­ven tegen een dui­de­lij­ke beslis­sing van onze eigen wil in, die zicht­baar wordt in hoe we leven.

In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waar­heid, het evan­ge­lie uwer behou­de­nis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelo­vig werdt, ook ver­ze­geld met de hei­li­ge Geest der belof­te, die een onder­pand is van onze erfe­nis, tot ver­los­sing van het volk, dat Hij Zich ver­wor­ven heeft, tot lof zij­ner heer­lijk­heid. (Efe­zi­ërs 1:13–14)

En bedroeft de hei­li­ge Geest Gods niet, door wie gij ver­ze­geld zijt tegen de dag der ver­los­sing. (Efe­zi­ërs 4:30)

De hei­li­ge geest als voor­schot op onze erfe­nis wordt ver­ge­le­ken met een stem­pel of een zegel. Een stem­pel of zegel bete­kent een beves­ti­ging en soms ook een her­ken­nings­te­ken. Maar een zegel is niet iets wat je niet kan ver­bre­ken, als­of wij Gods eigen­dom zou­den moe­ten blij­ven. Het ver­bre­ken van het zegel of de stem­pel heeft con­se­quen­ties. God wil natuur­lijk chris­te­nen niet alleen een voor­schot geven maar de hele belo­ning – eeu­wi­ge red­ding. Daar­om bena­drukt Pau­lus Gods plan van ver­los­sing elke keer weer opnieuw om de gelo­vi­gen te sterken.

Dus gaat het er in Efe­zi­ërs om dat Pau­lus de chris­te­nen wil bemoe­di­gen en niet over de vraag of iemand van het geloof kan afvallen.

5.1 Een kind van God

Som­mi­ge men­sen gebrui­ken de ver­ge­lij­king van de rela­tie met God met een “ouder – kind” rela­tie om te bear­gu­men­te­ren dat de rela­tie “God – gelo­vi­ge” niet kan wor­den ont­bon­den. De uit­druk­king “een kind van God te zijn” is een beeld, en niet elk aspect van dit beeld (rela­tie van een men­se­lij­ke vader met zijn kind) kan wor­den ver­ge­le­ken met de rela­tie met God. Nie­mand kan bij­voor­beeld kie­zen wel­ke men­se­lij­ke vader hij wil heb­ben. Bij de rela­tie met God is dat wel het geval.

Ieder­een die van God afvalt blijft wel Zijn schep­sel, op dezelf­de manier als iemand een kind van zijn ouders blijft, ook als er geen rela­tie tus­sen hen meer is. En net zoals alleen die­ge­nen die Jezus accep­te­ren kin­de­ren van God kun­nen wor­den, kun­nen ook alleen die­ge­nen behou­den wor­den die trouw blijven.

6 Moge­lij­ke oor­za­ken die ervoor zor­gen dat men­sen de leer van afval van het geloof afwijzen

6.1 Geen inte­res­se in ande­re gelovigen

We kun­nen ande­re men­sen alleen laten zien wat we zelf in prak­tijk bren­gen in ons leven. Als er nieu­we men­sen in de gemeen­te komen, wordt hen dan toe­rei­kend voor ogen gesteld wat de navol­ging van Chris­tus wer­ke­lijk in de prak­tijk betekent?

Veel men­sen ver­waar­lo­zen de gemeen­schap met ande­re chris­te­nen. Hun pri­vé­za­ken zijn belang­rij­ker als de gees­te­lij­ke din­gen en de ver­ant­woor­de­lijk­heid voor ande­re men­sen wordt vaak op de lei­ders afge­scho­ven als dat über­haupt het geval is. Het resul­taat is dat de men­sen bij zich­zelf hun zon­den niet zien, en ande­re men­sen wor­den niet opge­roe­pen om hun zon­den los te laten en weer ande­re men­sen val­len terug in oude zonden.

Het is begrij­pe­lijk dat het bij zul­ke omstan­dig­he­den moei­lijk is – en soms ook niet juist – om iemand die in zon­de leeft, te zien als van God afgevallen.

Er zijn dan ook geval­len dat iemand die zich van God afkeert, weer terug­komt en opnieuw begint. In zo een geval ont­staat de vraag of zo iemand zich echt bekeerd had. Bij zul­ke omstan­dig­he­den ont­staat al snel de wens en de val­se leer, dat het niet moge­lijk is om af te val­len van de lief­heb­ben­de God…

Het is niet juist de situ­a­tie in het Nieu­we Tes­ta­ment te zien van­uit het per­spec­tief van zul­ke erva­rin­gen en dan tot de con­clu­sie te komen, dat alle men­sen die zich van het geloof afke­ren, nooit chris­te­nen waren. De vol­gen­de ver­zen zijn niet de eni­ge tekst die dat dui­de­lijk weerlegt:

Want indien zij, aan de bezoe­de­lin­gen der wereld ont­vlo­den door de erken­te­nis van de Here en Hei­land Jezus Chris­tus, toch weer erin ver­strikt raken en erdoor over­mees­terd wor­den, dan is hun laat­ste toe­stand erger dan de eer­ste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen ken­nis ver­kre­gen te heb­ben van de weg der gerech­tig­heid, dan met die ken­nis zich af te keren van het hei­li­ge gebod dat hun over­ge­le­verd is. Hun is over­ko­men, wat een waar spreek­woord zegt: Een hond, die terug­ge­keerd is naar zijn uit­braak­sel, of: een gewas­sen zeug naar de mod­der­poel. (2 Pet­rus 2:20–22)

6.2 Niet tegen de zon­den te wil­len vechten

Als God niet het belang­rijk­ste is in het leven, dan zal men ook niet genoeg lief­de heb­ben om zo radi­caal tegen de zon­de te vech­ten zoals Jezus het leer­de: “En indien uw oog u tot zon­de ver­leidt, ruk het uit en werp het van u.” (Mat­the­üs 18:9). Als deze oproep van Jezus te veel inspan­ning kost, wil­len men­sen lie­ver de garan­tie dat je sowie­so bij God komt.

7 Val­se leren

7.1 De inter­pre­ta­tie van “gena­de”

God brengt het “wil­len en het wer­ken” in ons teweeg. Daar­om kan nie­mand zich beroe­men op wat een mens zelf doet. Wat kun­nen wij geven, dat we niet heb­ben ont­van­gen? Maar nie­mand kan de gena­de wer­ke­lijk begrij­pen als ze niet met al hun kracht zich ervoor inzet­ten hun leven wer­ke­lijk ter beschik­king te stel­len van hun schepper.

Als iemand denkt dat God – zon­der dat wij ook maar iets doen – alles voor ons doet om ons het eeu­wi­ge leven te geven, en dan een com­for­ta­bel leven opbouwt en het dan als wet­tisch, zelf­in­ge­no­men en arro­gant ziet als iemand ernaar streeft de gebo­den van Jezus te hou­den, dan heeft die­ge­ne niet begre­pen wat gena­de bete­kent. ”Geloof zon­der wer­ken is dood” (Jako­bus 2:17).

7.2 Uit­ver­kie­zing

De leer van de pre­des­ti­na­tie zoals Augus­ti­nus, Luther of Cal­vijn erin geloof­den leert dat:

het niet zo is dat God de toe­komst al kent en weet wel­ke beslis­sin­gen de mens zal nemen, en op deze basis men­sen kiest, maar dat hij zelf bepaalt wie er wordt gered (Luther) en wie niet (Cal­vijn) zon­der er reke­ning mee te hou­den wat de mens wil.

Deze manier van den­ken ont­kent de vrije wil van de mens en zou bete­ke­nen dat de mens zelf niet kan beslis­sen of hij bij God wil zijn of niet. Maar afval van God laat de vrije wil juist zien. Als iemand con­se­quent denkt en in predestinatie/​uitverkiezing gelooft, dan moet hij ook loo­che­nen dat afval van het geloof moge­lijk is. Als iemand daar­en­te­gen in de vrije wil gelooft, zal hij ook erken­nen dat afval van het geloof moge­lijk is.

Zie ook ons onder­werp over UITVERKIEZING.

Om de boven­ge­noem­de rede­nen en ook nog veel ande­re rede­nen (te veel om nu hier op te noe­men), zijn wij ervan over­tuigd dat chris­te­nen een ondub­bel­zin­nig stand­punt moe­ten betrek­ken wat afval van het geloof betreft.

En ieder­een die ont­zag, eer­bied en res­pect voor God heeft en die berouw heeft over zijn zon­den, ze belijdt en ze los­laat moet hele­maal geen angst voor afval van het geloof hebben.

Wij beant­woor­den graag vra­gen, die je mis­schien over dit arti­kel hebt.


Voetnoten

  1. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de NBG51 geciteerd.
  2. Gala­ten 1: 6–9


Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de NBG51 geciteerd.

Gala­ten 1: 6–9