Struc­tuur van de kerk: Amb­ten of ver­schil­len­de taken?

Deze muur is opgebouwd uit bouwstenen van verschillende afmetingen en kleuren, maar ze passen goed bij elkaar. Zo bouwen christenen ook de kerk met hun verschillende gaven. Geen enkele steen is belangrijker dan de andere.

Waar­over gaat het in dit artikel?
In dit onder­werp beschrij­ven wij hoe wij den­ken over ver­schil­len­de dien­sten in de kerk. We gebrui­ken lie­ver het woord ”taken” in de kerk dan ”amb­ten”. Chris­tus riep ons op om te die­nen in de kerk en niet naar een posi­tie te streven.
Na een paar alge­me­ne pun­ten over dit the­ma, beschrij­ven wij in het kort hoe de struc­tuur van de kerk er in de tijd van het nieu­we tes­ta­ment uit­zag en die dan ver­ge­lij­ken met de situ­a­tie van de insti­tu­ti­o­ne­le ker­ken van van­daag de dag.
Aan het ein­de laten wij zien waar­om wij geen domi­nee of voor­gan­ger heb­ben en waar­om wij zijn terug­ge­keerd naar de struc­tuur van de ker­ken in het nieu­we testament.

1 Alle chris­te­nen zijn broe­ders en zusters

Jezus Chris­tus is het hoofd van de kerk. Hij heeft een direc­te en leven­de rela­tie met elke chris­ten zon­der een ande­re (men­se­lij­ke) mid­de­laar of leider.

Want er is één God en ook één mid­de­laar tus­sen God en men­sen, de mens Chris­tus Jezus,… (1 Timo­te­üs 2:5)[1]

Alle Chris­te­nen zijn broe­ders en zus­ters in het geloof en zor­gen samen voor de kerk – ieder­een met de gaven die hij heeft gekre­gen. Dit is ook zicht­baar in de vol­gen­de teksten:

doch onze ede­le leden heb­ben dat niet nodig. God heeft even­wel het lichaam zó samen­ge­steld, dat Hij meer eer gaf aan het­geen mis­deeld was, opdat er geen ver­deeld­heid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelij­ke­lijk voor elkan­der zou­den zor­gen. (1 Korin­ti­ërs 12:24–25)

Jul­lie moe­ten je niet rab­bi laten noe­men, want jul­lie heb­ben maar één mees­ter, en jul­lie zijn elkaars broe­ders en zus­ters. En noem nie­mand op aar­de vader, want jul­lie heb­ben maar één vader, de Vader in de hemel. Laat je ook niet leraar noe­men, want jul­lie heb­ben maar één leraar, de mes­si­as. De belang­rijk­ste onder jul­lie zal jul­lie die­naar zijn. Wie zich­zelf ver­hoogt zal wor­den ver­ne­derd, en wie zich­zelf ver­ne­dert zal wor­den ver­hoogd. (Mat­te­üs 23: 8–12) (NBV)

Bij Chris­te­nen zijn er ver­schil­len in erva­ring, ken­nis van de bij­bel en gehoor­zaam­heid aan God.

We moe­ten ons wel van deze ver­schil­len bewust zijn, maar we mogen deze ver­schil­len nicht als te bepa­lend aan­zien. We mogen de chris­te­nen niet in 2 groe­pen ver­de­len – de ene groep, die in staat zijn de wil van God te laten zien en de ande­re groep die hen vol­gen. (Bijv.: Gees­te­lij­ke en leken; of: Men­sen die met de Hei­li­ge Geest zijn gedoopt en ande­re die dat niet zijn; enz.). Aan het ein­de van dit arti­kel zul­len wij een paar ver­zen uit­leg­gen, die in deze con­text ver­keerd wor­den gebruikt.

2 Struc­tuur van de kerk in het nieu­we testament

2.1 Oud­sten

In Han­de­lin­gen vin­den we een paar tek­sten waar staat dat de Apos­te­len oud­sten heb­ben ingezet:

En nadat zij voor hen in elke gemeen­te oud­sten had­den aan­ge­we­zen, droe­gen zij hen onder bid­den en vas­ten de Here op, in wie zij geloofd had­den. (Han­de­lin­gen 14:23)

In de chris­te­lij­ke gemeen­ten in de bij­bel was het niet zo (zoals men van­daag de dag vaak ziet) dat er één dominee/​priester was en dan nog ouder­lin­gen of dia­ke­nen. De oud­sten (Grieks: ouder = pres­by­te­ros) waren dezelf­den als de opzie­ners (Grieks: opzie­ner = epis­ko­pos;) en ook als de her­ders (Grieks: poi­me­nes) van de kerk. Dit is deze twee ver­zen in Han­de­lin­gen 20 goed zichtbaar.

Maar hij zond iemand van Milete naar Efe­ze en ont­bood de oud­sten der gemeen­te; (Han­de­lin­gen 20: 17)

… en in het­zelf­de hoofd­stuk over dezelf­de per­so­nen:

Ziet dan toe op uzelf en op de gehe­le kud­de, waar­over de hei­li­ge Geest u tot opzie­ners gesteld heeft, om de gemeen­te Gods te wei­den, die Hij Zich door het bloed van zijn Eige­ne ver­wor­ven heeft. (Han­de­lin­gen 20: 28)

Het feit dat men de ter­men “opzie­ner” en “oud­ste” voor dezelf­de per­so­nen kan gebrui­ken, laat zien, dat ze niet ver­schil­len­de niveaus van een hië­rar­chie beschrij­ven. Ze beschrij­ven sim­pel­weg ver­schil­len­de aspec­ten van dezelf­de taak. In de bij­bel bete­kent “epis­ko­pos” gewoon oud­ste, wat iets heel anders is als wat van­daag de dag bis­schop word genoemd.

Het is inder­daad zo, dat in de twee­de eeuw na Chris­tus één per­soon de lei­der van de gemeen­te in een stad werd. Dat was anders in de tijd van de apos­te­len, toen de gemeen­ten nog niet door één per­soon wer­den geleid, maar door meer­de­re oud­sten.

In de brief aan de Filip­pen­zen 1:1 en in 1 Pet­rus 5: 1–5 wor­den de “opzieners”/”oudsten in meer­voud aangesproken.

Pau­lus en Timo­te­üs, dienst­knech­ten van Chris­tus Jezus, aan al de hei­li­gen in Chris­tus Jezus, die te Filip­pi zijn, teza­men met hun opzie­ners en dia­ke­nen;… (Filip­pen­zen 1: 1)

(hier wordt geen domi­nee aan­ge­spro­ken, omdat hij niet bestond)

De oud­sten onder u ver­maan ik dan als mede­oud­ste en getui­ge van het lij­den van Chris­tus,… (1. Pet­rus 5:1(-5)

(Pet­rus noemt zich zelf hier ook niet domi­nee, maar “gewoon” een oudste)

In Han­de­lin­gen 14:23 en in Titus 1:5 staat, dat er meer­de­re oud­sten wer­den benoemd.

Deze struc­tuur was een soort van bescher­ming tegen val­se leren. Als een oud­ste von de juis­te weg afweek werd hij door de ande­re chris­te­nen vermaand.

Ziet dan toe op uzelf en op de gehe­le kud­de, waar­over de hei­li­ge Geest u tot opzie­ners gesteld heeft, (…) en uit uw eigen mid­den zul­len man­nen opstaan, die ver­keer­de din­gen spre­ken om de dis­ci­pe­len ach­ter zich aan te trek­ken. (Han­de­lin­gen 20: 28:30)

Het was ook een bescher­ming tegen het gevaar dat een afzon­der­lij­ke per­soon zich een hoge posi­tie ver­schaft, wat in 3de brief van Johan­nes vers 9 wordt bekritiseerd:

Ik heb aan de gemeen­te een en ander geschre­ven; maar Dio­tre­fes, die onder hen de eer­ste tracht te zijn, ont­vangt ons niet.

De lei­ding van de chris­te­lij­ke gemeen­te, zoals hier­bo­ven beschre­ven, bete­kent niet, dat de oud­sten alles bepa­len. In Mat­te­üs 18: 15–18 laat Jezus zien, dat de belang­rijk­ste beslis­sin­gen door de hele kerk moe­ten wor­den genomen.

Indien uw broe­der zon­digt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen.

Indien hij naar u luis­tert, hebt gij uw broe­der gewon­nen. Indien hij niet luis­tert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de ver­kla­ring van twee getui­gen of van drie elke zaak vast­sta. Indien hij naar hen niet luis­tert, zeg het dan aan de gemeen­te. Indien hij naar de gemeen­te niet luis­tert, dan zij hij u als de hei­den en de tol­le­naar. Voor­waar, Ik zeg u, al wat gij op aar­de bindt, zal gebon­den zijn in de hemel, en al wat gij op aar­de ont­bindt, zal ont­bon­den zijn in de hemel. (Mat­te­üs 18: 15–18)

Elke chris­ten is ver­ant­woor­de­lijk voor de leer en voor de belang­rijk­ste beslis­sin­gen in de kerk, die het lichaam van Chris­tus is. Een oud­ste mag niet de func­tie van het lichaam ver­van­gen, maar hij moet zich voor de gezond­heid van het lichaam van Chris­tus inzetten.

2.2 Dia­ke­nen

In Filip­pen­zen 1: 1 wor­den dia­ke­nen genoemd. Het Griek­se woord bete­kent “die­naar”, “hel­per” of “gezan­te”. Ver­wan­te uit­druk­kin­gen vin­den we in Han­de­lin­gen 6: 1–6

…hun wedu­wen bij de dage­lijk­se ver­zor­ging ver­waar­loosd werden.(Handelingen 6:1 woor­de­lijk “dage­lijk­se dienst” Grieks: diakonia)

… Het bevre­digt niet, dat wij met ver­on­acht­za­ming van het woord Gods de tafels bedie­nen. (Han­de­lin­gen 6: 2 “bedie­nen”, Grieks: diakonein)

Het geschil­punt is hier de ver­de­ling van het eten aan de arme chris­te­nen. De apos­te­len benoem­den 7 dis­ci­pe­len, die voor deze dienst wer­den geko­zen. Ze wor­den in deze tekst geen dia­ke­nen genoemd, maar het is waar­schijn­lijk, dat de term “dia­ken”, die in Filip­pen­zen 1: 1 en 1 Timo­te­üs 3: 8 wordt gebruikt ook met de dienst van het orga­ni­se­ren en de ver­de­ling van mate­ri­ë­le goe­de­ren te maken had.

3 De struc­tuur van de kerk na de apostelen

Na de dood van de apos­te­len Pet­rus en Pau­lus is de situ­a­tie niet essen­ti­eel ver­an­derd. Dat kun­nen we aan de hand van een brief zien, die de chris­te­lij­ke gemeen­te van Rome aan de chris­te­lij­ke gemeen­te van Korin­the rond het jaar 70 schreef. Deze brief is bekend als de eer­ste brief van Cle­mens. Deze brief hoort niet bij het nieu­we tes­ta­ment. Wij cite­ren hem hier als his­to­risch docu­ment. Het hoofd­za­ke­lij­ke doel van deze brief is het juis­te res­pect voor de oud­sten. Daar staat:

Het is voor ons geen klei­ne zon­de, als wij man­nen, die onbe­ris­pe­lijk en hei­lig hun offer heb­ben gebracht, uit hun Bis­schops­ambt ver­drij­ven. Zalig zijn de Pres­by­ters, die hun levens­weg al heb­ben door­lo­pen en een vol­ko­men ein­de, dat rijk is aan vruch­ten, heb­ben bereikt. Zij moe­ten niet bang zijn, dat ze van de voor hen bepaal­de plaat­sen wor­den ver­dre­ven. Wij moe­ten het name­lijk bele­ven, dat jul­lie som­mi­ge Pres­by­ters, die een goe­de wan­del had­den, uit de hei­li­ge dienst heb­ben ver­dre­ven, die ze door een onbe­ris­pe­lij­ke wan­del had­den ver­vuld. (1ste brief van Cle­mens 44)

Hier staat dat de Pres­by­ters (oud­sten), die de taak heb­ben een Epis­ko­pos (opzie­ner) te zijn. De term “epis­ko­pos” (opzie­ner) en “pres­by­te­ros” (oud­ste) wor­den in deze brief noch een keer als syno­niem gebruikt en we lezen hier niets over iemand die als eni­ge de lei­der is. Daar­aan kan men zien, dat de struc­tuur von kerk, zoals we die eer­der in dit arti­kel beschre­ven ook na de dood van de apos­te­len niet ver­an­der­de. De apos­te­len heb­ben voor loka­le ker­ken niet “één lei­der” benoemd, ook niet toen ze stier­ven. Zo had Pau­lus, toen hij de kerk van Efe­ze ver­liet, hoe­wel hij wist dat som­mi­ge chris­te­nen in het gevaar waren, om hun geloof te ver­lie­zen, alleen gezegd:

En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zij­ner gena­de, … (Han­de­lin­gen 20: 32)

Al aan het begin van de twee­de eeuw kan men zien, dat er in bij­na al de gemeen­ten toch één lei­der was. Ze wor­den “epis­ko­poi” (opzie­ners) genoemd. Dat was het oor­spron­ke­lij­ke syno­niem voor oud­sten. Daar­over kan men in de brie­ven van Igna­ti­us van Anti­o­chië (35–110) lezen. Er is hier geen ver­bin­ding met een bij­zon­de­re benoe­ming door de apos­te­len (de Rooms katho­lie­ken en de Ortho­doxen zeg­gen dat “pries­ters” door de opvol­gers van de apos­te­len moe­ten wor­den benoemd, bijv. door bis­schop­pen = apos­to­li­sche suc­ces­sie). Dat de rol van één per­soon zo wordt bena­drukt is ver weg van wat er in het nieu­we tes­ta­ment staat. Igna­ti­us schrijft:

Laat nie­mand zon­der de bis­schop iets doen wat de kerk betreft. (Igna­ti­us aan Smyr­na 8: 1)

Deze ont­wik­ke­ling werd voort­ge­zet, en daar­door wat het zo, dat aan het ein­de van de 2de eeuw Ire­neus van Lyon de epis­ko­poi als opvol­gers van de apos­te­len zag.

4 Rooms-Katho­lie­ke kerkstructuur

In de docu­men­ten van het Rooms-katho­lie­ke twee­de Vati­ka­ni­sche Con­ci­lie (1965) staat:

De taak nu om op authen­tie­ke wij­ze het geschre­ven of over­ge­le­ver­de woord Gods te ver­kla­ren is alleen aan het levend leer­ambt van de Kerk toe­ver­trouwd, dat zijn gezag uit­oe­fent in naam van Jezus Chris­tus. Dit leer­ambt ech­ter staat niet boven het woord Gods maar is de die­naar er van door alleen te leren wat over­ge­le­verd is, voor­zo­ver het nl. dit over­ge­le­ver­de krach­tens god­de­lij­ke opdracht en onder de bij­stand van de Hei­li­ge Geest, met eer­bied aan­hoort, hei­lig bewaart en trouw uit­een­zet, en door­dat het uit deze éne geloofs­schat alles put, wat het als door God geo­pen­baard te gelo­ven voor­houdt. (Dei ver­bum 10)

Dat het woord van God alleen door het levend leer­ambt van de “katho­lie­ke kerk” kan wor­den ver­klaard bete­kent in de prak­tijk, dat men een spe­ci­a­le “sleu­tel” nodig heeft om de bij­bel te “ont­cij­fe­ren”. Vol­gens de rooms-katho­lie­ken bezit de pries­ter als ver­te­gen­woor­di­ger van de bis­schop de sleu­tel om de juis­te bete­ke­nis van de Schrift te onderscheiden.

De apos­tel Johan­nes schreef op een heel ande­re manier aan de christenen:

Dit heb ik u geschre­ven over hen, die u mis­lei­den. En wat u betreft, de zal­ving, die gij van Hem ont­van­gen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zal­ving u leert over alle din­gen, en waar­ach­tig is en geen leu­gen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft. (1ste brief van Johan­nes 2: 26–27)

De sleu­tel voor de inter­pre­ta­tie van de Hei­li­ge Schrift is de Hei­li­ge Geest, die in alle chris­te­nen woont. Dat bete­kent de zal­ving, die Johan­nes hier noemt.

Bij de rooms katho­lie­ken word der auto­ri­teit van de bis­schop­pen vaak met de apos­te­len ver­ge­le­ken. Maar wij zien de auto­ri­teit van de apos­te­len door hun per­soon­lij­ke erva­ring met Jezus en de rol, die ze bij oprich­ting van de kerk speel­den, als uniek.

Zo zijt gij dan geen vreem­de­lin­gen en bij­wo­ners meer, maar mede­bur­gers der hei­li­gen en huis­ge­no­ten Gods, gebouwd op het fun­da­ment van de apos­te­len en pro­fe­ten, ter­wijl Chris­tus Jezus zelf de hoek­steen is. (Efe­zi­ërs 2: 19–20)

De Apos­tel Pau­lus ver­bindt zijn apos­tel-zijn met het feit, dat hij Jezus heeft gezien:

Ben ik niet vrij? Ben ik geen apos­tel? Heb ik niet Jezus, onze Here, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Here? (1. Korin­ti­ërs 9: 1)

5 De gebrui­ke­lij­ke struc­tuur van veel ande­re ”ker­ken”

De mees­te pro­tes­tan­ten en evan­ge­li­sche groe­pen ver­wer­pen de Rooms-katho­lie­ke leer, dat de bis­schop­pen de leer­au­to­ri­teit heb­ben. Tege­lij­ker­tijd den­ken ze nor­maal gespro­ken dat men één “domi­nee” boven de “oud­sten” te benoe­men. De Domi­nee heeft dan in de gemeen­te de taak te pre­ken en bij belang­rij­ke beslis­sin­gen heeft hij het laat­ste woord. Om dat te onder­steu­nen wor­den als argu­ment vaak Timo­te­üs en Titus genoemd, die mede­wer­kers van Pau­lus waren en die in Efe­ze en Kre­ta een belang­rij­ke rol had­den (1 Timo­te­üs 1: 3; Titus 1:5). Dit argu­ment houdt geen reke­ning met het feit, dat ze in die ste­den ble­ven om het werk van de apos­tel af te maken. Ze ble­ven daar niet voor een onbe­grens­de tijd en er werd ook geen posi­tie of een ambt inge­voerd, om hun rol na hun ver­trek voort te zetten.

Het helpt ook om de vraag te stel­len: wie was in de bij­bel eigen­lijk de domi­nee van Rome, Korin­the, Filip­pi, Gala­tië, Efe­ze, Kol­lo­se, enz.? Wij ken­nen geen enke­le naam van een domi­nee. Omdat ze niet bestonden.

Hië­ro­ny­mus, een kerk­va­der uit de 4de eeuw, zag het niet zo, dat deze wijd­ver­brei­de vorm van lei­ding in de Kerk, door Jezus was gege­ven, maar dat het een late­re ont­wik­ke­ling van de kerk was. Hij schreef:

… Voor­dat er in [onze] reli­gie door de aan­zet van de dui­vel schei­din­gen ont­ston­den en voor­dat er onder de men­sen werd gezegd: “ik hoor bij Pau­lus, ik bij Apol­los en ik bij Kep­has”, wer­den de gemeen­ten gemeen­schap­pe­lijk door een raad van Pres­by­ters geleid. Zodra een ieder van hen begon, die­ge­nen, die door hem wer­den gedoopt als zijn eigen vol­ge­lin­gen te zien, en niet van Chris­tus was het voor de hele wereld beslist, dat er één per­soon uit de kring van de Pres­by­ters werd geko­zen, en boven de rest werd gesteld om voor de hele gemeen­te te zorgen.

Op die manier werd het zaad voor de schei­din­gen weg­ge­no­men. … Daar­om moe­ten opzie­ners erop let­ten, dat ze op basis van een afge­spro­ken gewoon­te en niet op basis van een gebod van God boven de Pres­by­ters wor­den inge­zet. Zij moe­ten de gemeen­te samen lei­den, door het voor­beeld van Mozes te vol­gen, die, hoe­wel hij Israel alleen had kun­nen lei­den, zeven­tig man­nen koos, met wie hij samen over het volk samen oor­deel­de. (Hië­ro­ny­mus, Com­men­ta­ri­us in epis­tu­lam Pau­li ad Titum 1:5)

Maar een door men­sen afge­spro­ken “gewoon­te” in te voe­ren is geen gees­te­lijk oplos­sing voor een probleem.

6 Onze conclusie

1. Er is geen mens, die geen fou­ten kan maken. Iede­re chris­ten heeft cor­rec­tie nodig. Ieder chris­ten moet groei­en, om ver­ant­woor­de­lijk­heid te kun­nen dra­gen. Wij zien het niet als de lei­ding van God, één per­soon over de hele kerk of een loka­le chris­te­lij­ke gemeen­te te stellen.

2. Een kerk heeft oud­sten nodig, die erop let­ten, dat de juis­te leer en juis­te levens­wan­del heerst. Hun auto­ri­teit komt niet door een uni­ver­si­teits­di­plo­ma, maar door chris­te­lij­ke deug­den, erva­ring en de bekwaam­heid om te leren. In de kerk kun­nen er ook oud­sten zijn, die niet offi­ci­eel door de chris­te­nen, of door de ande­re oud­sten voor hen, wer­den benoemd. Bij som­mi­ge tek­sten in de bij­bel moest een for­me­le benoe­ming van oud­sten hel­pen om dui­de­lijk te maken, wie in staat is deze taak te dra­gen. Maar bij onze omstan­dig­he­den zien wij de nood­za­ke­lijk­heid niet om dat te doen, omdat onze gemeen­te stap voor stap is gegroeid en wij elkaar goed ken­nen. Wij ken­nen ook onze oud­sten. Dat ver­an­dert hun taak niet. Alles, wat wij over oud­sten heb­ben gezegd, kun­nen wij op hen toe­pas­sen. Zij nemen deel aan ons leven en wij aan hun leven. Ze ver­die­nen hun geld met een nor­ma­le baan en werk­plek zoals de ande­re chris­te­nen dat ook doen. Ze heb­ben ook bemoe­di­ging en ver­ma­ning nodig, net zoals de ande­re chris­te­nen dat ook nodig heb­ben. Ze belij­den ook hun zon­den aan een ieder van de ande­re chris­te­nen. De oud­sten zijn niet de eni­gen die de ande­re chris­te­nen leren.

3. Wij moe­ten niet samen­ko­men om een pro­gram­ma te con­su­me­ren, maar om actief deel te nemen. Het is niet moei­lijk om aan samen­kom­sten met een pro­gram­ma deel te nemen. Maar dat leert ons niet, ver­ant­woor­de­lijk te zijn. Als chris­te­nen niet leren de ver­ant­woor­de­lijk­heid voor de kerk te dra­gen, is een ont­wik­ke­ling naar een ver­keer­de struc­tuur niet te ver­mij­den. Ande­ren lief te heb­ben bete­kent, de ver­ant­woor­de­lijk­heid voor hen te dra­gen. De apos­tel Pau­lus bemoe­digt ons dat te doen.

Ik heb ech­ter, mijn broe­ders, zelf al de over­tui­ging van u, dat gij zelf reeds vol van goed­heid zijt, ver­vuld met al de ken­nis, in staat ook elkan­der terecht te wij­zen. (Romei­nen 15: 14)

Broe­ders en zus­ters, wan­neer u merkt dat een van u een mis­stap heeft begaan moet u, die door de Geest geleid wordt, hem zacht­moe­dig weer op het rech­te pad bren­gen. Pas op dat u ook zelf niet tot mis­stap­pen wordt ver­leid. (Gala­ten 6: 1 (NBV))

Als wij dat doen, kun­nen wij de een­heid bou­wen, die niet van boven gestuurd wordt, maar die uit ons hart komt. Deze een­heid kan ook een getui­ge­nis voor de wereld zijn.

Maar als allen pro­fe­te­ren en er komt een onge­lo­vi­ge of toe­hoor­der bin­nen, dan wordt hij door allen weer­legd, wordt hij door allen door­grond, het ver­bor­ge­ne van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aar­de wer­pen, God aan­bid­den en belij­den, dat God inder­daad in uw mid­den is. (1 Korin­the 14: 24–25)

Iede­re dag leren wij, deze ver­ant­woor­de­lijk­heid te dra­gen, door oot­moe­dig en nede­rig te zijn. De oot­moed en nede­rig­heid is het, die ons in staat stelt, naar ande­ren te luis­te­ren – naar onze oude­re, maar ook naar onze jon­ge­re gees­te­lij­ke broe­ders en zus­ters. (1 Pet­rus 5: 5)

7 Tek­sten, die gebruikt wor­den om de struc­tuur van van­daag de dag te rechtvaardigen

Er zijn twee tek­sten, waar het woord opzie­ner (epis­ko­pos) in het enkel­voud voor­komt. Dat zijn 1. Timo­the­üs 3:2 en Titus 1:7. Titus 1:5 heeft betrek­king op dezelf­de per­so­nen. Daar­aan kan men zien dat ervan wordt uit­ge­gaan dat er meer­de­re oud­sten of opzie­ners in een gemeen­te zijn. Pau­lus beschrijft hier de voor­waar­den die voor de dienst als opzie­ner in de gemeen­te moe­ten wor­den ver­vuld. Maar hij wil niet zeg­gen dat er maar 1 opzie­ner moet zijn. Ook het feit dat later in 1. Timo­the­üs 3:8 de die­na­ren in het meer­voud wor­den genoemd spreekt daar niet tegen. Het zijn gewoon ver­schil­len­de moge­lijk­he­den om essen­ti­ë­le voor­waar­den voor de taken te noe­men. (Een een­vou­dig voor­beeld: Brom­fiet­sen heb­ben meest­al 2 wie­len, maar een auto heeft er altijd 4.)

In Hebree­ën 13 wor­den twee keer lei­ders of voor­gan­gers genoemd. In vers 7 wor­den daar­mee de apos­te­len en de oud­sten uit de eer­ste tijd bedoeld. In Vers 17 de oud­sten ten tij­de als de brief werd geschre­ven. Het is gewoon een ande­re bena­ming voor de dienst van de oud­sten en de opzie­ners. Dat is weer een indi­ca­tie dat er onder de eer­ste chris­te­nen geen amb­ten met pre­cies afge­ba­ken­de bena­min­gen waren.

Jako­bus, de broer van de Heer, wordt vaak als lei­der van de gemeen­te in Jeru­za­lem genoemd, omdat hij op eni­ge plaat­sen afzon­der­lijk wordt genoemd (bijv. in Han­de­lin­gen 12:17 en 21:18). Hij sprak ook bij de kerk­ver­ga­de­ring in Han­de­lin­gen 15 het laat­ste woord. Het is onom­stre­den dat hij een gro­te auto­ri­teit bezat onder de chris­te­nen. Zijn gehoor­zaam­heid en zijn diep begrip van de leer van Jezus wor­den ook dui­de­lijk in de brief van Jako­bus. In zijn tijd werd hij zelfs door men­sen, die geen chris­te­nen waren, ”Jako­bus de recht­vaar­di­ge” genoemd. Maar het is een groot ver­schil, of een gelo­vi­ge door zijn bij­zon­de­re toe­wij­ding dan ook bij­zon­de­re auto­ri­teit bezit, of dat er zo een ambt als lei­der van een gemeen­te bestaat (bijv. dominee/​voorganger). Zo een posi­tie bestond toen­ter­tijd in geen enke­le gemeen­te. Zoals we eer­der al noem­den werd de poging, de eer­ste te wil­len zijn, door de apos­tel Johan­nes scherp bekri­ti­seerd (3 Johannes).

Over de per­soon van Pet­rus en of hij bis­schop van van Rome of zelfs de eer­ste Paus was, ver­wij­zen we op ons onder­werp over het Paus­dom (komt mis­schien nog)[2].


Voetnoten

  1. Bij­bel­tek­sten zijn vol­gens de ver­ta­ling NBG 51 geci­teerd ten­zij anders aangegeven.
  2. Bij inte­res­se kunt u ons per email vragen


Bij­bel­tek­sten zijn vol­gens de ver­ta­ling NBG 51 geci­teerd ten­zij anders aangegeven.

Bij inte­res­se kunt u ons per email vragen