De een­heid /​ een­dracht van alle christenen

Een knoop van sterke touwen. Het drukt de kracht van eenheid uit.

Waar­over gaat het in dit artikel?
Wij schrij­ven waar­om wij gelo­ven dat de een­heid, waar Jezus voor bad, in de gemeen­te kan wor­den ver­we­zen­lijkt. Waar­in bestaat de een­heid van de chris­te­nen? — Chris­te­nen zijn één, niet alleen in de leer, maar ook in hun hou­ding en hun levenswandel.

…Ik heb hen laten delen in de groot­heid die u mij gege­ven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij. Dan zul­len zij vol­ko­men één zijn en zal de wereld begrij­pen dat u mij hebt gezon­den, en dat u hen lief­had zoals u mij lief­had. (Johan­nes 17:22–23) (NBV)

1 De een­heid van de chris­te­nen als afspie­ge­ling van de drie-eni­ge God

De een­heid komt voort uit Gods wezen. Drie-een­heid bete­kent: de god­de­lij­ke per­so­nen zijn onver­deeld en op een vol­ko­men manier één. In Jezus is het woord mens gewor­den en het was op een vol­ko­men manier in een­dracht met de Vader tot het ein­de door zijn gehoor­zaam­heid. Dit had hij aan zijn dis­ci­pe­len als voor­beeld gege­ven. Net zoals Jezus op een vol­ko­men manier een een­heid in geest en wil met de Vader vormt, moe­ten zijn dis­ci­pe­len in een­heid van geest, wil en hou­ding met elkaar samenleven.

In zijn gebed in Johan­nes 17 bidt Jezus de Vader, dat de een­heid ook onder die­ge­nen, die de woor­den van de dis­ci­pe­len horen, zal ont­staan. Dat zijn dus de chris­te­nen te allen tij­de. (Johan­nes 17: 11:17–24) Het vol­maak­te voor­beeld van de drie-een­heid laat zien, dat de diep­te van de een­heid van de chris­te­nen geen gren­zen heeft, want het voor­beeld is de rela­tie tus­sen de Vader en de Zoon.

Net zoals de Vader met de Zoon een een­heid vormt en de Zoon met de Vader een een­heid vormt, en er niets is wat hen van elkaar scheidt, zo kun­nen ook de dis­ci­pe­len in een­heid met elkaar en met de Zoon zijn.

2 De een­heid is moge­lijk en noodzakelijk

Deze een­heid is een bestaan­de rea­li­teit en een teken voor de wereld en voor de men­sen, die de waar­heid zoe­ken (Johan­nes 17: 21c en 23b). Het kan dus geen onbe­reik­baar doel zijn.

Jezus was zich bewust van het feit, dat hij voor zon­di­ge men­sen bidt. Maar op basis van de ver­los­sing werd er voor ieder­een, die een die­pe een­heid met de Vader wil zijn, de moge­lijk­heid geo­pend, om tot een die­pe een­heid met elkaar in staat te zijn. De een­heid met de leven­de God vormt de een­heid met Chris­tus en de ver­bon­den­heid in de lief­de door de geest.

Onvoor­waar­de­lijk ver­trou­wen, gren­ze­lo­ze lief­de en gehoor­zaam­heid, die tot elk offer bereid is, beschrijft de rela­tie tus­sen de Zoon en de Vader. Dat is ook voor een ieder, die Jezus wil vol­gen, te allen tij­de de weg. Bij de beke­ring schenkt God ons de wens ons hele leven in zijn hand te geven, hem de lei­ding te geven en onze wil hele­maal met de wil van de Vader te identificeren.

Vol­gens de bij­bel bete­kent “een­heid zijn” met Chris­tus ook een een­heid met ande­re chris­te­nen te zijn. (Han­de­lin­gen 2:37–38)[1]

Zij dan, die zijn (Pet­rus’) woord aan­vaard­den, lie­ten zich dopen …

… en voort­du­rend waren zij elke dag een­drach­tig in de tempel …

En de menig­te van hen, die tot het geloof geko­men waren, was één van hart en ziel, … (Hand. 2: 41), (Hand 2: 26) en (Hand. 4: 32a)

Omdat deze men­sen de een­heid met God en met ande­re chris­te­nen zoe­ken, kan God ze bij­een­bren­gen, zelfs als ze oor­spron­ke­lijk van­uit ver­schil­len­de ach­ter­gron­den komen. God wil, dat elk mens zich bekeert. Hij heeft daar alles voor gedaan en doet daar alles voor, maar Hij weet, dat het de per­soon­lij­ke beslis­sing van van zijn schep­se­len met een vrije wil is.

3 Wat bete­kent de een­heid van alle christenen?

3.1 Een­heid /​ enig­heid in de leer

En zij ble­ven vol­har­den bij het onder­wijs der apos­te­len … (Hand 2: 42)

daar zij het woord met alle bereid­wil­lig­heid aan­na­men en dage­lijks de Schrif­ten nagin­gen, of deze din­gen zo waren. (Hand. 17: 11b)

En Pau­lus ging naar de syna­go­ge en trad drie maan­den lang vrij­moe­dig op, om hen door bespre­kin­gen te over­tui­gen aan­gaan­de het Konink­rijk Gods. Maar toen som­mi­gen ver­hard en onge­hoor­zaam ble­ven en ten aan­ho­ren van de menig­te kwaad ble­ven spre­ken van de weg, maak­te hij zich van hen los en zon­der­de zijn dis­ci­pe­len af, ter­wijl hij dage­lijks bespre­kin­gen hield in de gehoor­zaal van Tyran­nus. En dit ging twee jaar lang zo voort, zodat allen, die in Asia woon­den, het woord des Heren hoor­den, Joden zowel als Grie­ken. (Hand 19: 8–10)

Als gij dit de broe­ders voor­houdt, zult gij een goed die­naar van Chris­tus Jezus zijn, wèl onder­legd in de woor­den des geloofs en der goe­de leer, … (1 Tim. 4: 6)

Blijf gij ech­ter bij wat u geleerd en toe­ver­trouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kinds­been af de hei­li­ge schrif­ten kent, die u wijs kun­nen maken tot zalig­heid door het geloof in Chris­tus Jezus. Elk van God inge­ge­ven schrift­woord is ook nut­tig om te onder­rich­ten, te weer­leg­gen, te ver­be­te­ren en op te voe­den in de gerech­tig­heid, opdat de mens Gods vol­ko­men zij, tot alle goed werk vol­ko­men toe­ge­rust. (2 Tim. 3: 14–17)

Door deze tek­sten wordt dui­de­lijk hoe belang­rijk de leer van de apos­te­len is, die van Chris­tus komt. De Hei­li­ge Geest leidt iede­re chris­ten en alle men­sen die God zoe­ken tot deze leer.

Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien heb­ben en toch gelo­ven. (Joh. 20: 29)

… doch wan­neer Hij komt, de Geest der waar­heid, zal Hij u de weg wij­zen tot de vol­le waar­heid; want Hij zal niet uit Zich­zelf spre­ken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spre­ken en de toe­komst zal Hij u ver­kon­di­gen. (Joh. 16: 13)

En Ik zal de Vader bid­den en Hij zal u een ande­re Troos­ter geven om tot in eeu­wig­heid bij u te zijn, de Geest der waar­heid, die de wereld niet kan ont­van­gen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. (Joh. 14: 16–17)

Hij is het, die de gered­de gelo­vi­gen in staat stelt een een­heid te zijn in de leer, in de inter­pre­ta­tie en de uit­leg van het Woord van God, omdat ze “de Vader aan­bid­den zul­len in geest en in waar­heid” (Joh. 4: 23–24 en Filipp. 2: 1–2).

Het is in strijd met het Woord van God, dat de Hei­li­ge Geest men­sen, die een open hart voor de waar­heid heb­ben, bij belang­rij­ke vra­gen (bijv. ver­los­sing door Chris­tus, Uit­ver­kie­zing, moe­ten we een paus heb­ben enz.) tot ver­schil­len­de inter­pre­ta­ties leidt (Efez 4:1–6).

Want Hij wil dat alle christenen …

… de een­heid des geloofs en der vol­le ken­nis van de Zoon Gods bereikt heb­ben, de man­ne­lij­ke rijp­heid, de maat van de was­dom der vol­heid van Chris­tus. 14 Dan zijn wij niet meer onmon­dig, op en neder, heen en weder geslin­gerd onder invloed van aller­lei wind van leer, door het val­se spel der men­sen, in hun sluw­heid, die tot dwa­ling ver­leidt, … (Efez 4: 13–24)

Het afwij­ken van de juis­te leer was van­af het begin al een wer­ke­lijk gevaar. Daar­om heb­ben Jezus en ook de apos­te­len ver­maand om waak­zaam te zijn en in staat te zijn de juis­te van de val­se leer te onder­schei­den (1 Kor. 2: 12–15).

Maar gij, kom uit voor het­geen met de gezon­de leer strookt. (Titus 2:1)

O Timo­te­üs, bewaar wat u is toe­ver­trouwd, houd u bui­ten het bereik van de onhei­li­ge, hol­le klan­ken en de tegen­stel­lin­gen der ten onrech­te zo genoem­de ken­nis. (1 Tim. 6: 20)

(Het woord dat hier in het Grieks voor ken­nis wordt gebruikt is gno­sis. Zo heet ook de val­se leer waar­over Pau­lus hier spreekt.)

Gij daar­en­te­gen hebt vol­le aan­dacht geschon­ken aan mijn onder­richt, wij­ze van doen, bedoe­ling, … (2 Tim. 3:10a)

Indien iemand een ande­re leer ver­kon­digt en zich niet voegt naar de gezon­de woor­den van onze Here Jezus Chris­tus en de leer der gods­vrucht, dan is hij opge­bla­zen, hoe­wel hij niets weet, … (1 Tim. 6: 3–4a)

… die met een schijn van gods­vrucht de kracht daar­van ver­loo­chend heb­ben; houd ook dezen op een afstand. (2. Tim. 3: 5)

3.2 Een­heid /​ een­dracht in hou­ding en levensvragen

… maakt (dan) mijn blijd­schap vol­ko­men door eens­ge­zind te zijn, één in lief­de­be­toon, één van ziel, één in stre­ven, … (Filipp. 2:2)

Weest allen mijn navol­gers, broe­ders, en ziet op hen, die even­zo wan­de­len, gelijk gij ons tot voor­beeld hebt. Want velen wan­de­len – ik heb het u dik­wijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenen­de – als vij­an­den van het kruis van Chris­tus. (Filipp. 3:17–18)

Ik ver­maan u dus: volgt mijn voor­beeld. Juist hier­om heb ik Timo­te­üs tot u gezon­den, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Chris­tus [Jezus] indach­tig maken, zoals ik die over­al in elke gemeen­te leer. (1 Cor. 4: 16–17)

Als gevan­ge­ne in de Here, ver­maan ik u dan te wan­de­len waar­dig der roe­ping, waar­me­de gij geroe­pen zijt, met alle nede­rig­heid en zacht­moe­dig­heid, met lank­moe­dig­heid, en elkan­der in lief­de te ver­dra­gen, en u te beij­ve­ren de een­heid des Gees­tes te bewa­ren door de band des vre­des: één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroe­pen zijt in de ene hoop uwer roe­ping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.(Efez. 4: 1–6)

De God nu der vol­har­ding en der ver­troos­ting geve u eens­ge­zind van het­zelf­de gevoe­len te zijn naar (het voor­beeld van) Chris­tus Jezus, opdat gij een­drach­tig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Chris­tus moogt ver­heer­lij­ken. (Rom. 15: 5–6)

Het gaat hier niet om uni­for­mi­teit, maar dat ieder­een van de broe­ders en zus­ters zich inzet voor de opbouw van de gemeen­te, het lichaam van Chris­tus. En dat met zijn gave en talen­ten (1 Cor. 12: 4 en 13 en Efez. 4: 16). Ieder lid is op dezelf­de manier belang­rijk (1 Cor. 12: 14–27).

De bij­bel maakt geen ver­schil tus­sen de the­o­rie en de praktijk:

Gij daar­en­te­gen hebt vol­le aan­dacht geschon­ken aan mijn onder­richt, wij­ze van doen, bedoe­ling, geloof, lank­moe­dig­heid, lief­de, vol­har­ding, (2 Tim. 3: 10)

Weest dan navol­gers Gods, als gelief­de kin­de­ren, en wan­delt in de lief­de, zoals ook Chris­tus u heeft lief­ge­had en Zich voor ons heeft over­ge­ge­ven als offer­ga­ve en slacht­of­fer, Gode tot een wel­rie­ken­de reuk. (Efez. 5 1–2a)

Hier­aan zul­len allen weten, dat gij dis­ci­pe­len van Mij zijt, indien gij lief­de hebt onder elkan­der. (Joh. 13: 35)

Het bewust­zijn van het belang van de een­heid vind men ook in het Oude Tes­ta­ment en in de ker­ke­lij­ke geschrif­ten van de eer­ste eeuwen.

Een bede­vaarts­lied. Van David. Ziet, hoe goed en hoe lie­fe­lijk is het, als broe­ders ook teza­men wonen. Het is als de kos­te­lij­ke olie op het hoofd, neder­vloei­en­de op de baard, de baard van Aäron, die neder­golft op de zoom van zijn kle­de­ren. Het is als dauw van de Her­mon, die neder­daalt op de ber­gen van Sion. Want daar gebiedt de HERE de zegen, leven tot in eeu­wig­heid. (Psalm 133)

”Hoor nu over de ste­nen die in het huis zijn. De vier­kan­te en wit­te ste­nen, die pre­cies op hun plaats pas­sen, zijn de apos­tels, opzie­ners, lera­ren, die­na­ren, die door de barm­har­tig­heid van God beroe­pen wer­den en geleid heb­ben, en geleerd en gediend in hei­lig­heid en beschei­den­heid die­ge­nen die door God geko­zen zijn, zowel die­ge­nen die zijn ont­sla­pen als ook die­ge­nen, die zijn geble­ven. Ze waren het met elkaar eens en had­den vre­de onder elkaar en heb­ben naar elkaar geluis­terd. Dit bete­kent het, dat de ste­nen pre­cies samen pas­sen in het bouw­werk van de toren.” (Pas­tor van Her­mas – Visi­oen III: 51–53) (Chris­te­lijk geschrift uit de twee­de eeuw na Christus)


Voetnoten

  1. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de NBG51 geciteerd.


Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de NBG51 geciteerd.