De zicht­ba­re Kerk

Een vuurtoren die schittert op de top van een klif.

In het vol­gen­de arti­kel wil­len we laten zien dat de chris­te­lij­ke kerk een zicht­baar lichaam van gelo­vi­gen moet zijn. Dit is het bij­bel­se per­spec­tief. In het Nieu­we Tes­ta­ment wor­den de ter­men kerk en gemeen­te niet onder­schei­den en daar­om gebrui­ken we ze ook uit­wis­sel­baar. De Kerk moet door de wereld gezien wor­den en getui­ge­nis afleg­gen van Gods lief­de, rein­heid en heiligheid.

1 Naam­chris­te­nen wor­den in veel ”ker­ken” geaccepteerd

Veel men­sen weten dat niet ieder­een, die op zon­dag naar de ”kerk­dienst” gaat ook wer­ke­lijk een chris­ten is. Zul­ke men­sen noemt men dan ”naam­chris­te­nen”, die geen rela­tie met Jezus heb­ben. Deze ”zon­dag­schris­te­nen” gaan vaak wel naar de kerk­sa­men­kom­sten en ze bid­den, zin­gen en nemen vaak zelfs het hei­lig avond­maal met de ande­re aan­we­zi­gen. Tege­lij­ker­tijd wij­den zij hun leven niet aan Jezus toe. Vaak zien de ver­schil­len­de kerk­ge­noot­schap­pen deze situ­a­tie als bij­bels. Men noemt dit ”de leer van de onzicht­ba­re kerk”; ook wel kerk met een ”gro­te K” en kerk met een ”klei­ne k”.

Vol­gens deze leer is er een zicht­ba­re kerk en een onzicht­ba­re kerk

Het Nieu­we Tes­ta­ment laat ons een heel ander beeld van de kerk zien als hoe het hier­bo­ven is beschreven.

2 De kerk in de tijd van de bijbel

In de gemeen­te waren alleen chris­te­nen — geen naamchristenen

Na de toe­spraak van Pet­rus bij Pink­ste­ren is de eer­ste gemeen­te in Jeru­za­lem ont­staan. Over die gemeen­te kun­nen wij het vol­gen­de lezen:

En er gebeur­den door de han­den van de apos­te­len veel teke­nen en won­de­ren onder het volk; en zij waren allen eens­ge­zind bij­een in de zui­len­gang van Salo­mo. En van de ande­ren durf­de nie­mand zich daar bij hen aan te slui­ten, maar het volk had gro­te ach­ting voor hen. En er wer­den er steeds meer toe­ge­voegd die in de Hee­re geloof­den, menig­ten van zowel man­nen als vrou­wen, … (Han­de­lin­gen 5: 12–14)[2]

Onder de chris­te­nen von­den won­de­ren plaats. Hun toe­wij­ding tot God en lief­de voor was diep. Dit wek­te res­pect en ont­zag onder de Joden. Ze zagen dat als je bij de chris­te­nen wilt horen, je dan je hele leven voor Jezus moet geven. Wie de wens had om God met het hele hart lief te heb­ben, die geloof­de en voeg­de zich bij de kerk. De ande­re Joden, die niet bereid waren om zo te leven durf­den zich niet bij de kerk te voegen.

Als een onge­lo­vi­ge in de gemeen­te kwam, dan leid­den de chris­te­nen hem ertoe het ver­bor­ge­ne van zijn hart te zien:

Als nu de hele gemeen­te samen zou komen, en allen spra­ken in ande­re talen, en er kwa­men niet-inge­wij­den of onge­lo­vi­gen bin­nen, zou­den zij dan niet zeg­gen dat u bui­ten zin­nen bent? Maar als allen zou­den pro­fe­te­ren, en er kwam een onge­lo­vi­ge of niet-inge­wij­de bin­nen, dan zou die door allen over­tuigd en door allen beoor­deeld wor­den. En zo wor­den de ver­bor­gen din­gen van zijn hart open­baar, en zo zal hij zich met het gezicht ter aar­de wer­pen en God aan­bid­den, en ver­kon­di­gen dat God wer­ke­lijk in uw mid­den is. (1 Korin­the 14: 23–25)

De hele gemeen­te liet zich door God lei­den. Zij zet­ten zich met lief­de en toe­wij­ding in. Daar­door begreep een gast (bezoe­ker), waar­van hij zich moest beke­ren. Dit pro­ces kan van geval tot geval kor­ter of lan­ger heb­ben geduurd. Maar in ieder geval leid­den de chris­te­nen ieder­een naar een beslis­sing toe. Als de nieu­we­ling de beoor­de­ling van de chris­te­nen hoor­de, maar zich toch niet wil­de beke­ren, dan was er natuur­lijk geen basis om hem te dopen. Hij nam dan ook geen deel aan de gemeenschap.

Er waren uit­zon­de­rin­gen — voor kor­te tijd

Uit­zon­de­rin­gen kwa­men voor. Simon de tove­naar voeg­de zich bij­voor­beeld bij de chris­te­nen nadat hij het evan­ge­lie had gehoord. Toen Filip­pus bij de Sama­ri­ta­nen over Chris­tus preek­te, liet een groot aan­tal van hen zich dopen. Ook Simon liet zich dopen, hoe­wel hij zijn manier van den­ken niet had ver­an­derd. Toen­der­tijd bekeer­den zich zoveel men­sen tege­lij­ker­tijd. Daar­om was het niet zo een­vou­dig voor Filip­pus om te zien dat er een­tje (Simon) niet eer­lijk was. Zo luk­te het Simon om de de ande­re chris­te­nen te bedrie­gen — voor kor­te tijd. Maar al snel werd de waar­heid over hem zicht­baar. De apos­tel Pet­rus, die later uit Jeru­za­lem kwam, weer­stond hem op een reso­lu­te en dui­de­lij­ke manier:

En toen Simon zag dat de Hei­li­ge Geest gege­ven werd door mid­del van de hand­op­leg­ging van de apos­te­len, bood hij hun geld aan, en zei: Geef ook mij deze macht, opdat een­ie­der wie ik de han­den opleg, de Hei­li­ge Geest ont­vangt. Maar Pet­rus zei tegen hem: Laat uw geld met u naar het ver­derf gaan, omdat u dacht dat Gods gave door geld ver­kre­gen wordt! U hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet oprecht voor God. Bekeer u dan van deze slecht­heid van u en bid God of deze gedach­te van uw hart u mis­schien ver­ge­ven wordt. Want ik zie dat u zo bit­ter als gal bent en een klu­wen onge­rech­tig­heid. Maar Simon ant­woord­de en zei tegen hen: Bidt u voor mij tot de Hee­re, opdat mij niets over­komt van wat u gezegd hebt. (Han­de­lin­gen 8: 18–24)

Wij zien het­zelf­de stren­ge gedrag ook in een ander geval. Een paar men­sen slo­pen de gemeen­te bin­nen. Zij leef­den of dach­ten anders, als Jezus en de apos­te­len dat had­den geleerd:

Want er zijn som­mi­ge men­sen bin­nen­ge­slo­pen, die tot dit oor­deel al lang tevo­ren opge­schre­ven zijn, god­de­lo­zen, die de gena­de van onze God ver­an­de­ren in los­ban­dig­heid, en die de eni­ge Heer­ser, God en onze Hee­re Jezus Chris­tus, ver­loo­che­nen. (Judas 4)

Het doel van Judas was tot uit­druk­king te bren­gen dat deze men­sen geen plaats in de kerk heb­ben. Zelfs als het hun luk­te om de kerk bin­nen te komen kon­den ze er maar kor­te tijd blij­ven, tot de gelo­vi­gen begre­pen dat het eigen­lijk geen broe­ders waren. We vin­den nog eni­ge ande­re ver­ma­nin­gen in de brie­ven van het Nieu­we Tes­ta­ment die de gemeen­ten oproe­pen om zul­ke men­sen te ont­mas­ke­ren en zich van hen af te schei­den: Han­de­lin­gen 20: 29–31; Mat­the­üs 24: 23–26; 1 Thi­mo­the­üs 4: 1–3; 6: 3–5; 2 Timo­the­üs 3: 1–9; 1 Johan­nes 2: 18–19.

3 Zui­ver­heid en hei­lig­heid van de kerk

Jezus leer­de dat de kerk men­sen die de zon­de wil­len vast­hou­den uit moet sluiten

Er was soms een lid van de gemeen­te, die zo had gezon­digd, dat hij het niet meer waard was om een dis­ci­pel te zijn. De chris­te­nen pro­beer­den hem te hel­pen en te ver­ma­nen. Als hij dan ondanks her­haal­de hulp en ver­ma­nin­gen geen berouw had van zijn zon­de om zich van zijn zon­de te beke­ren, dan beëin­dig­de de kerk de gemeen­schap met die per­soon: hij werd uit­ge­slo­ten. Uit­slui­ting uit de gemeen­te gebeurt op basis van het gebod van Jezus:

Indien uw broe­der zon­digt, ga heen, bestraf[3] hem onder vier ogen. Indien hij naar u luis­tert, hebt gij uw broe­der gewon­nen. Indien hij niet luis­tert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de ver­kla­ring van twee getui­gen of van drie elke zaak vast­sta. Indien hij naar hen niet luis­tert, zeg het dan aan de gemeen­te. Indien hij naar de gemeen­te niet luis­tert, dan zij hij u als de hei­den en de tol­le­naar. Voor­waar, Ik zeg u, al wat gij op aar­de bindt, zal gebon­den zijn in de hemel, en al wat gij op aar­de ont­bindt, zal ont­bon­den zijn in de hemel. (Mattheüs18: 15–18) (NBG51)

Over der woor­den ”… dan zij hij u als de hei­den en de tol­le­naar …”: De Joden geen gemeen­schap met hei­de­nen had­den omdat die als onrein wer­den beschouwd (zie Han­de­lin­gen 10: 28). Zij behan­del­den de tol­le­na­ren net als de hei­de­nen omdat die met de Romei­nen samen­werk­ten en geld­gie­rig waren (Mat­the­üs 9: 10–11). Deze alge­me­ne afwij­zing was niet goed, maar het was de prak­tijk bij de Joden. Jezus gaat op deze dage­lijk­se prak­tijk in. Hij laat zien, wat de wer­ke­lij­ke zin van de afschei­ding is. De reden daar­voor mag niet de soci­a­le of nati­o­na­le sta­tus van iemand zijn. Wer­ke­lijk afke­ren moet je je van iemand, die de hulp niet aan­neemt, die hij van zijn geloofs­broe­ders en ‑zus­ters krijgt, en zijn zon­den wil vasthouden.

De chris­te­nen slo­ten zul­ke men­sen ook uit

Er is een prak­tisch voor­beeld van deze woor­den van Jezus. De chris­te­nen in Korin­the pas­ten die toe:

Men hoort alge­meen dat er hoe­re­rij onder u voor­komt, en wel zo’n vorm van hoe­re­rij waar­van zelfs onder de hei­de­nen geen spra­ke is, name­lijk dat iemand de vrouw van zijn vader heeft. En u doet zich zo gewich­tig voor. Kunt u niet beter treu­ren, om dan hem die deze daad begaan heeft, uit uw mid­den weg te doen? Ik heb, hoe­wel afwe­zig met het lichaam, maar aan­we­zig met de geest, name­lijk reeds beslo­ten – als­of ik aan­we­zig was – om hem die dat zo gedaan heeft, in de Naam van onze Hee­re Jezus Chris­tus, als u en mijn geest bij­een­ge­ko­men zijn, in de kracht van onze Hee­re Jezus Chris­tus, over te geven aan de satan, tot ver­derf van het vlees, opdat de geest behou­den zal wor­den op de dag van de Hee­re Jezus. Uw roem is niet goed. Weet u niet dat een klein beet­je zuur­deeg het hele deeg door­zuurt? Ver­wij­der dan het oude zuur­deeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers onge­zuurd, want ook ons Paas­lam is voor ons geslacht: Chris­tus. (1 Korin­the 5: 1–7)

En dan een paar ver­zen later:

Maar nu heb ik u geschre­ven dat u zich niet moet inla­ten met iemand die, ter­wijl hij een broe­der wordt genoemd, een ontucht­ple­ger is, of een heb­zuch­ti­ge, of een afgo­den­die­naar, of een las­te­raar, of een dronk­aard, of een rover. MET ZO IEMAND MOET U ZELFS NIET ETEN. Het is toch niet aan mij om hen die bui­ten zijn te oor­de­len? Oor­deelt u immers niet alleen hen die bin­nen zijn? Maar hen die bui­ten zijn, oor­deelt God. EN DOE DE KWAADDOENER UIT UW MIDDEN WEG. (1 Korin­the 5: 11–13)

Uit­slui­ten is niet tegen de liefde

Iemand zou kun­nen vra­gen: ”Waar is de barm­har­tig­heid? Waar is het geduld? Hoop­te Pau­lus niet dat God het hart van de zon­daar nog kon ope­nen?” Jawel![4] De uit­slui­ting kan de zon­daar nog wak­ker schud­den om zijn posi­tie voor God te besef­fen en toch berouw te tonen. Maar hoe­wel hij het voor moge­lijk hield en juist daar­om (!), laat hij zien dat er dui­de­lij­ke voor­waar­den zijn om bij de kerk te horen.

Deze manier van afschei­ding (d.w.z. uit­slui­ting) is hard en doet pijn. Toch kan de gemeen­te van God geen gemeen­schap heb­ben met iemand die de zon­de vast­houdt. Als de uit­ge­slo­ten per­soon tot bezin­ning komt en berouw heeft, dan kan hij weer terug­ke­ren naar de kerk. Hij komt dan met een nieu­we beslis­sing om een leven te leven dat God en de kerk waar­dig is.

Alle chris­te­nen in een gemeen­te zijn heiligen

Zo bescherm­den de eer­ste chris­te­lij­ke ker­ken de zui­ver­heid van de kerk. Men­sen die zich niet echt had­den bekeerd, kon­den niet onder hen blij­ven. Daar­om kan Pau­lus de broe­ders en zus­ters in zijn brie­ven ook als ”hei­li­gen” aan­spre­ken (bijv. 1 Korin­the 1: 1–3; 2 Korin­the 1: 1–2)[5]

In het Nieu­we Tes­ta­ment heeft de uit­druk­king ”hei­li­ge” dezelf­de bete­ke­nis als het woord ”chris­ten” (Han­de­lin­gen 9:13; Efe­ze 5:3; Filip­pen­zen 4:21–22; Hebree­ën 3:1). Alle Chris­te­nen zijn hei­li­gen. Alleen die­ge­nen horen bij de kerk, die zich laten hei­li­gen en God in hun leven laten rege­ren (Hebree­ën 12:14, Efe­ze 5:5, Gala­ten 5:19–21).

Het gaat hier niet over men­sen zon­der zon­de (dat wordt in het bij­zon­der in de brie­ven aan de gemeen­te van Korin­the dui­de­lijk). Maar het gaat over men­sen, ”de gehei­lig­den in Chris­tus Jezus” (1 Korin­the 1:2), die de ver­ge­ving en de ver­los­sing van Jezus heb­ben aan­ge­no­men. Ook als ze strui­ke­len en zon­di­gen, zul­len ze dan naar de ver­ma­ning luis­te­ren en wil­len ze zich ver­an­de­ren. De hele kerk en elk lid van de kerk strijdt tegen de zonde.

Een chris­ten kan geen dub­bel leven lei­den. Hij kan niet God die­nen en tege­lij­ker­tijd met zijn hart in de wereld zijn (Mat­the­üs 6: 24, Mat­the­üs 10: 38–39, Jako­bus 4: 4, 1 Johan­nes 2: 4–6, 1 Johan­nes 2: 15–17; Johan­nes 12: 25–26). Op die­zelf­de manier kan ook de kerk geen plaats voor zon­daars heb­ben, die zich niet wil­len veranderen.

Als men hui­che­laars in de gemeen­te laat, dan schaadt men hen en de gemeente

Er zijn men­sen, die zich chris­te­nen noe­men, maar de weg van deze wereld vol­gen. Als de gemeen­te deze men­sen als leden van de gees­te­lij­ke gemeen­schap zou­den accep­te­ren, dan zou­den ze die bedrie­gen. Zij zou­den ze behan­de­len als broe­ders zus­ters in Chris­tus hoe­wel ze dat eigen­lijk niet zijn. Ze zou­den ook een ver­keerd beeld van kerk (ver­men­ging) aan de onge­lo­vi­gen laten zien.

Vorm geen onge­lijk span met onge­lo­vi­gen, want wat heeft gerech­tig­heid gemeen­schap­pe­lijk met wet­te­loos­heid, en wel­ke gemeen­schap is er tus­sen licht en duis­ter­nis? En wel­ke over­een­stem­ming is er tus­sen Chris­tus en Beli­al? Of wat deelt een gelo­vi­ge met een onge­lo­vi­ge? Of welk ver­band is er tus­sen de tem­pel van God en de afgo­den? Want u bent de tem­pel van de leven­de God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hun mid­den wonen en onder hen wan­de­len, en Ik zal hun God zijn en zij zul­len Mijn volk zijn. GA DAAROM UIT HUN MIDDEN WEG EN ZONDER U AF, zegt de Hee­re, en raak het onrei­ne niet aan, en Ik zal u aan­ne­men, en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en doch­ters zijn, zegt de Hee­re, de Almach­ti­ge. (2 Korin­the 6: 14–18)

De kerk heeft geen gemeen­schap met ongelovigen

Ook de bete­ke­nis van het Griek­se woord voor kerk, ”εκκλήσια” [eccle­sia]  bete­kent ”gemeen­schap, die zich naar bui­ten (eruit) laat roe­pen”. Dat is een zin­spe­ling op de gewoon­te, dat de herau­ten en boden in de Griek­se ste­den vroe­ger gewend waren de men­sen voor de open­lij­ke samen­komst uit hun hui­zen te roe­pen. Op die manier roe­pen ook de boden van het evan­ge­lie het volk van God uit de wereld tot zijn gemeen­te. Chris­te­nen blij­ven in deze wereld en onder de onge­lo­vi­gen leven, maar ze heb­ben geen gees­te­lij­ke gemeen­schap met hen.[6].

Door wat wij hier­bo­ven al schre­ven, kun­nen wij zien, dat de prak­tijk van de eer­ste chris­te­nen in de bij­bel heel anders was als die van de ”kerk­ge­noot­schap­pen” van­daag de dag. Tegen­woor­dig kan ieder­een een lid van een kerk wor­den (na een paar for­ma­li­tei­ten). Vaak wordt het uit­slui­ten van men­sen uit de gemeen­te niet in prak­tijk gebracht. Het is belang­rijk om meer tijd met elkaar door te bren­gen en elkaar meer aan­dacht te geven om deel te kun­nen nemen aan elkaars gees­te­lijk leven. Zo kun­nen we onder­schei­den wie als deel van de kerk moet wor­den geac­cep­teerd en wie moet wor­den uit­ge­slo­ten. Zon­der deze toe­wij­ding voor de hei­li­ging van onze broe­ders kun je de wil van Chris­tus niet ver­vul­len. De kerk blijft dan niet zui­ver. Dat is een gevaar is voor het bestaan van de kerk.

4 De gelij­ke­nis van het onkruid tus­sen de tarwe

De ver­keer­de prak­tijk begon niet pas in onze tijd. Al in de vier­de eeuw, in ver­band met de Dona­ti­sche strijd[7], gebruik­te Augus­ti­nus de gelij­ke­nis van het onkruid en de tar­we uit het Nieu­we Tes­ta­ment. Daar­mee wil­de hij de aan­we­zig­heid van naam­chris­te­nen in de kerk goed­pra­ten. Augus­ti­nus zei op basis van deze gelij­ke­nis, dat de kerk een ”gemengd lichaam” (cor­pus per­mix­tum). Daar­in leven de slech­te men­sen samen met de recht­vaar­di­ge mensen.

Laten we eens kij­ken naar wat Jezus eigen­lijk zei in de gelijkenis:

Een ande­re gelij­ke­nis hield Hij hun voor. Hij zei: Het Konink­rijk der heme­len is gelijk aan iemand die goed zaad zaai­de in zijn akker. Maar toen de men­sen slie­pen, kwam zijn vij­and en zaai­de onkruid tus­sen de tar­we, en ging weg. Toen het gewas opkwam en vrucht voort­bracht, kwam ook het onkruid tevoor­schijn. De sla­ven van de heer des hui­zes gin­gen naar hem toe en zei­den: Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dan dit onkruid van­daan? Hij zei tegen hen: Een vij­an­dig mens heeft dat gedaan. De sla­ven zei­den tegen hem: Wilt u dan dat wij erheen gaan en het ver­za­me­len? Maar hij zei: Nee, opdat u bij het ver­za­me­len van het onkruid niet mis­schien tege­lijk ook de tar­we zelf uit­trekt. Laat ze alle­bei samen tot de oogst opgroei­en, en in de oogst­tijd zal ik tegen de maai­ers zeg­gen: Ver­za­mel eerst het onkruid en bind het in bos­sen om het te ver­bran­den, maar breng de tar­we bij­een in mijn schuur.  (Mat­the­üs 13: 24–30)

Toen Jezus de menig­te had laten weg­gaan, ging Hij naar huis. En Zijn dis­ci­pe­len kwa­men bij Hem en zei­den: Ver­klaar ons de gelij­ke­nis van het onkruid op de akker. Hij ant­woord­de en zei tegen hen: Hij die het goe­de zaad zaait, is de Zoon des men­sen. De akker is de wereld, het goe­de zaad zijn de kin­de­ren van het Konink­rijk en het onkruid zijn de kin­de­ren van de boze. De vij­and die het gezaaid heeft, is de dui­vel; de oogst is de vol­ein­ding van de wereld en de maai­ers zijn enge­len. Zoals dan het onkruid ver­za­meld en met vuur ver­brand wordt, zo zal het ook zijn bij de vol­ein­ding van deze wereld: de Zoon des men­sen zal Zijn enge­len uit­zen­den, en zij zul­len uit Zijn Konink­rijk ver­za­me­len alle strui­kel­blok­ken, en hen die de wet­te­loos­heid doen, en zij zul­len hen in de vuri­ge oven wer­pen; daar zal gejam­mer zijn en tan­den­ge­knars. Dan zul­len de recht­vaar­di­gen stra­len als de zon, in het Konink­rijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, laat hij horen. (Mat­the­üs 13: 36–43)

In deze gelij­ke­nis van het onkruid tus­sen de tar­we is de akker de wereld en niet de kerk (vers 38). De kerk is in de wereld en schijnt als een licht. Daar­om kan de kerk niet iden­tiek zijn met de wereld!

… opdat u onbe­ris­pe­lijk en oprecht zult zijn, kin­de­ren van God, smet­te­loos te mid­den van een ver­keerd en ont­aard geslacht, waar­on­der u schijnt als lich­ten in de wereld, door vast te hou­den aan het Woord van het leven, mij tot roem met het oog op de dag van Chris­tus, dat ik niet tever­geefs heb hard­ge­lo­pen en mij ook niet tever­geefs heb inge­span­nen. (Filip­pen­zen 2: 15–16)

Jezus gebruik­te de gelij­ke­nis van het onkruid en de tar­we om de Joden te hel­pen om hun idee­ën over de Mes­si­as te cor­ri­ge­ren. De Joden van toen­ter­tijd ver­wacht­ten een Mes­si­as die zou komen als een zege­vie­ren­de koning en een recht­vaar­di­ge rech­ter. Hij zou zijn volk red­den van de onder­druk­king van de god­de­lo­zen en de boos­doe­ners in het land vernietigen.

Maar Jezus regeer­de niet als een poli­tie­ke koning. Hij kwam ook niet om de boos­doe­ners te bestraf­fen. Het laat­ste oor­deel zal plaats­vin­den op de dag van Zijn weder­komst. Tot de dag van het oor­deel moe­ten de goe­den en de kwa­den samen op de aar­de leven. Zijn konink­rijk is gees­te­lijk en Hij heeft de wereld op een gees­te­lij­ke manier overwonnen:

Deze din­gen heb Ik tot u gespro­ken, opdat u in Mij vre­de zult heb­ben. In de wereld zult u ver­druk­king heb­ben, maar heb goe­de moed: Ik heb de wereld over­won­nen. (Johan­nes 16: 33)

In Mat­the­üs 13: 41 ver­za­melt de Zoon des Men­sen de boos­doe­ners uit zijn rijk. Maar hier bete­kent Zijn rijk niet de kerk, maar de wereld. Jezus zal bij zijn twee­de komst de Heer van de hele gescha­pen wereld zijn. Hij zal het gezag heb­ben om er als de Mes­si­as over te heersen:

En de zeven­de engel blies op de bazuin, en er klon­ken lui­de stem­men in de hemel, die zei­den: De konink­rij­ken van de wereld zijn van onze Hee­re en van Zijn Chris­tus gewor­den, en Hij zal Koning zijn in alle eeu­wig­heid. (Open­ba­ring 11: 15)

Een soort­ge­lij­ke inter­pre­ta­tie is ook van toe­pas­sing op de gelij­ke­nis van het visnet.

Het Konink­rijk der heme­len is ook gelijk aan een net, uit­ge­wor­pen in de zee, dat aller­lei soor­ten vis­sen bij­een­brengt. Als het vol gewor­den is, trek­ken de vis­sers het op de oever. Ze gaan zit­ten en ver­za­me­len de goe­de vis­sen in vaten, maar de slech­te gooi­en zij weg. Zo zal het bij de vol­ein­ding van de wereld zijn: de enge­len zul­len uit­gaan en de slech­ten uit het mid­den van de recht­vaar­di­gen afzon­de­ren, en zij zul­len hen in de vuri­ge oven wer­pen; daar zal gejam­mer zijn en tan­den­ge­knars. (Mat­the­üs 13: 47–50)

Het feit dat Jezus het konink­rijk van de hemel ver­ge­lijkt met het vis­net bete­kent niet dat het vis­net betrek­king heeft op de kerk. In ande­re gelij­ke­nis­sen ver­ge­lijkt Hij het konink­rijk van de hemel bij­voor­beeld met een koning[8] of met een koop­man[9]. In deze gelij­ke­nis­sen is er geen enke­le reden om te den­ken dat de koning of de koop­man een sym­bool is voor de kerk. Jezus gebruik­te vaak de uit­druk­king ”het konink­rijk van de hemel”, als Hij iets wil­de uit­leg­gen over het konink­rijk van God. Het ”konink­rijk van God” (in Mat­the­üs: ”konink­rijk van de hemel”) bete­ken­de voor de Joden het konink­rijk van de Mes­si­as. Met Zijn gelij­ke­nis­sen wil­de Jezus voor­al hun ver­keer­de idee­ën daar­over corrigeren.

5 Ande­re tek­sten die vaak ver­keerd wor­den geïnterpreteerd

2 Timo­the­üs 2:16–21

Maar ont­wijk onhei­li­ge, inhouds­lo­ze praat. Want zij die dat doen, zul­len steeds meer in god­de­loos­heid toe­ne­men. En hun woord zal zich uit­zaai­en als kan­ker; onder hen bevin­den zich Hyme­ne­üs en Filet­us. Zij zijn van de waar­heid afge­we­ken door te bewe­ren dat de opstan­ding reeds heeft plaats­ge­von­den, en bre­ken het geloof van som­mi­gen af. Toch blijft het vas­te fun­da­ment van God staan, met dit zegel: De Hee­re kent wie van Hem zijn, en: Ieder die de Naam van Chris­tus noemt, moet zich ver hou­den van de onge­rech­tig­heid. Maar in een groot huis zijn niet alleen voor­wer­pen van goud en van zil­ver, maar ook van hout en aar­de­werk. Som­mi­ge zijn voor eer­vol, maar ande­re voor oneer­vol gebruik. Als iemand zich dan van deze din­gen rei­nigt, zal hij een voor­werp zijn voor eer­vol gebruik, gehei­ligd en van veel nut voor de Hee­re, voor elk goed werk gereed­ge­maakt. (2 Timo­the­üs 2: 16–21)

Pau­lus heeft het in vers 20 over een ”huis”. Om de val­se leer van de ”onzicht­ba­re kerk” te onder­steu­nen zegt men dat dat huis iden­tiek is met de kerk. De vaten voor eer­vol en oneer­vol gebruik wor­den dan fou­tief als gelo­vi­gen en onge­lo­vi­gen gezien. Die zou­den dan samen in de kerk zijn.

Het is juist dat het huis betrek­king heeft op de kerk omdat het in de con­text over het leven van de kerk gaat. Maar de vaten voor eer­vol en oneer­vol[10]

Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoe­wel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Chris­tus. Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, het­zij dat wij Joden zijn, het­zij Grie­ken, het­zij sla­ven, het­zij vrij­en; en wij allen zijn van één Geest door­drenkt. (1 Korin­the 12: 12–13)

En het oog kan niet zeg­gen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of ver­vol­gens het hoofd tegen de voe­ten: Ik heb jul­lie niet nodig. Ja, meer nog, de leden van het lichaam die de zwak­ste schij­nen te zijn, zijn ech­ter juist zeer nood­za­ke­lijk. En aan de leden van het lichaam die wij als min­der eer­vol beschou­wen, ver­le­nen wij gro­ter eer en onze oneer­ba­re leden krij­gen een gro­te­re eer. Onze eer­ba­re leden ech­ter heb­ben dat niet nodig. Maar God heeft het lichaam zo samen­ge­steld, dat Hij aan het lid dat tekort­komt, gro­ter eer gaf, opdat er geen ver­deeld­heid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelij­ke zorg zou­den dra­gen. (1 Korin­the 12:21–25)

Hier is het dui­de­lijk dat de eer­ba­re en de oneer­ba­re leden betrek­king heb­ben op chris­te­nen. Pau­lus wil zeg­gen dat iede­re chris­ten waar­de­vol is, omdat de Hei­li­ge Geest in hem woont, wat voor gaven hij ook heeft. Zoals ieder lid van het lichaam met het hoofd is ver­bon­den en gehoor­zaam is aan het hoofd, zo is ook ieder lid van de kerk ver­bon­den met Chris­tus. [gebruik] heb­ben geen betrek­king op de gelo­vi­ge en onge­lo­vi­ge leden. Door de con­text kun­nen we zien dat het over leden gaat die sterk zijn in hun geloof en in de leer en de ande­ren, die zwak­ker zijn. De zwak­ke­re laten zich gemak­ke­lij­ker door val­se lera­ren beïn­vloe­den. (Er waren gnos­ti­sche val­se leraars bui­ten de kerk. Die moest men ver­mij­den omdat hun leer ”zich uit­zaai­de als kan­ker”. Zij had­den al veel men­sen in de war gebracht in hun geloofsleven)

Jezelf te rei­ni­gen van ”deze din­gen” is een beet­je het­zelf­de als de gedach­te in vers 19: ”Ieder die de Naam van Chris­tus noemt, moet zich ver hou­den van de onge­rech­tig­heid …”. Dus ”deze din­gen” heeft geen betrek­king op de voor­wer­pen voor oneer­vol gebruik, maar op de val­se leren en leraars. De ”voor­wer­pen voor oneer­vol gebruik” waren men­sen die begon­nen toe te geven aan de invloed van de gnos­ti­sche bedrie­gers. Als als ze zich dan weer van hen zou­den afschei­den zou­den ze ”een voor­werp zijn voor eer­vol gebruik, gehei­ligd en van veel nut voor de Hee­re, voor elk goed werk gereed­ge­maakt” wor­den.

1 Korin­the 15: 34

Word op de juis­te manier nuch­ter en zon­dig niet, want som­mi­gen heb­ben geen ken­nis van God. Tot bescha­ming zeg ik u dit. (1 Korin­the 15: 34)

In de con­text gaat het in deze tekst over het cor­rec­te begrip van de opstan­ding. Het lijkt erop dat som­mi­ge chris­te­nen in Korin­the beïn­vloed waren door het Griek­se con­cept van het leven na de dood. Zij wer­den onze­ker over wat er pre­cies met hun lichaam zou gebeu­ren na de dood. Deze chris­te­nen begon­nen te twij­fe­len of hun lichaam zou opstaan uit de dood.

In het alge­meen geloof­den de Grie­ken in de onster­fe­lijk­heid van de geest. Maar ze kon­den zich de weder­op­stan­ding van het lichaam niet voor­stel­len. Pau­lus legt gron­dig uit wat de juis­te chris­te­lij­ke leer is over de opstan­ding. Tege­lij­ker­tijd berispt hij de chris­te­nen voor hun twij­fels omdat ze op die manier de kracht van God betwij­fe­len of Hij de doden kan opwek­ken. Daar­om zegt hij dat som­mi­ge van hen geen ken­nis van God heb­ben. Ze begrij­pen niet hoe krach­tig Hij is en dat het voor Hem niet te moei­lijk is om de doden weer op te wek­ken in onster­fe­lij­ke licha­men. Het bete­kent niet dat som­mi­ge leden van de gemeen­te in Korin­the geen chris­te­nen waren. In de inlei­den­de groet van de brief zien we dat hij ze alle­maal als ”hei­li­gen” zag:

… aan de gemeen­te van God die in Korin­the is, aan de gehei­lig­den in Chris­tus Jezus, geroe­pen hei­li­gen, met allen die de naam van onze Hee­re Jezus Chris­tus aan­roe­pen, in elke plaats, zowel hun als onze Hee­re … (1 Korin­the 1: 2)

Mat­the­üs 25:1–13

Dan zal het Konink­rijk der heme­len gelijk zijn aan tien meis­jes, die hun lam­pen namen en op weg gin­gen, de brui­de­gom tege­moet. Vijf van hen waren wijs en vijf waren dwaas. Zij die dwaas waren, namen wel hun lam­pen maar geen olie met zich mee. De wij­zen namen met hun lam­pen ook olie mee in hun kruik­jes. Toen de brui­de­gom uit­bleef, wer­den zij allen sla­pe­rig en vie­len in slaap. En te mid­der­nacht klonk er een geroep: Zie, de brui­de­gom komt, ga naar bui­ten, hem tege­moet! Toen ston­den al die meis­jes op en maak­ten hun lam­pen in orde. De dwa­zen zei­den tegen de wij­zen: Geef ons van uw olie, want onze lam­pen gaan uit. Maar de wij­zen ant­woord­den: In geen geval, anders is er mis­schien niet genoeg voor ons en u. Ga lie­ver naar de ver­ko­pers en koop olie voor uzelf. Toen zij weg­gin­gen om olie te kopen, kwam de brui­de­gom; en zij die gereed waren, gin­gen met hem naar bin­nen naar de brui­loft, en de deur werd geslo­ten. Later kwa­men ook de ande­re meis­jes, die zei­den: Heer, heer, doe ons open! Hij ant­woord­de en zei: Voor­waar, ik zeg u: ik ken u niet. Wees dan waak­zaam, want u weet de dag en ook het uur niet waar­op de Zoon des men­sen komen zal. (Mat­the­üs 25: 1–13)

Deze gelij­ke­nis is een waar­schu­wing voor de gelo­vi­gen om te vol­har­den tot het ein­de. Ze moe­ten er zelfs op voor­be­reid te zijn om lang te wach­ten op de weder­komst van Jezus. De gelo­vi­gen die niet tot het ein­de toe vol­har­den (die niet genoeg olie heb­ben) zul­len niet in zijn hemels rijk (de brui­loft) mogen ingaan. Als iemand beslist om Jezus te vol­gen wordt hij een lid van het lichaam van Chris­tus. Maar als hij dan later het geloof weer los­laat, dan ver­liest hij zij eeu­wig leven.[11]

Wij moe­ten ons bewust zijn van het feit dat een gelij­ke­nis gren­zen heeft. Jezus wil­de de men­sen bemoe­di­gen om stand­vas­tig te zijn en altijd vor­be­reid te zijn op zijn komst. Deze gelij­ke­nis is geen beschrij­ving van het leven in de gemeen­te. Daar­om kan hij niet als argu­ment wor­den gebruikt tegen de nood­zaak van een schei­ding tus­sen gelo­vi­gen en ongelovigen.

Johan­nes 10:14–16

Ik ben de goe­de Her­der en Ik ken de Mij­nen en word door de Mij­nen gekend, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik geef Mijn leven voor de scha­pen. Ik heb nog ande­re scha­pen, die niet van deze schaaps­kooi zijn; ook die moet Ik bin­nen­bren­gen, en zij zul­len Mijn stem horen en het zal wor­den één kud­de en één Her­der. (Johan­nes 10: 14–16)

Jezus zegt dat er ”één kud­de” zal zijn in de toe­komst. Daar­om den­ken veel men­sen dat de kud­de betrek­king heeft op de gelo­vi­gen die Jezus op de laat­ste dag zal ver­za­me­len van­uit de ver­schil­len­de zicht­ba­re ker­ken. Dan zou­den de gelo­vi­gen, die ver­strooid zijn in de vele ver­schil­len­de kud­des tot één kud­de wor­den verenigd.

Maar waar­om zou deze toe­kom­sti­ge gebeur­te­nis betrek­king moe­ten heb­ben op de laat­ste dag? Het kan net zo goed betrek­king heb­ben op een ande­re toe­kom­sti­ge gebeur­te­nis. Jezus spreekt over dege­nen die ”van deze schaaps­kooi” zijn en over ande­re ”die niet van deze schaaps­kooi zijn”. De scha­pen van deze schaaps­kooi had Hij al geroe­pen en Hij zou de ande­re scha­pen later roe­pen. Al de scha­pen die naar de stem van de goe­de her­der luis­te­ren zou­den samen één kud­de vor­men. In vers 16 spreekt Hij over ”deze” schaaps­kooi. Dat moet betrek­king heb­ben op Isra­ël omdat Jezus tij­dens zijn dienst op aar­de de taak had om de ”ver­lo­ren scha­pen van het huis van Isra­ël” te roepen:

Deze twaalf zond Jezus uit en Hij gebood hun: U zult u niet op weg bege­ven naar de hei­de­nen en u zult geen enke­le stad van de Sama­ri­ta­nen bin­nen­gaan, maar ga lie­ver naar de ver­lo­ren scha­pen van het huis van Isra­ël. En als u op weg gaat, pre­dik dan: Het Konink­rijk der heme­len is nabij­ge­ko­men. (Mat­the­üs 10: 5–7)

Daar­uit blijkt dat de ”ande­re scha­pen” betrek­king heeft op de hei­de­nen. Jezus ver­wees naar het feit dat er onder de hei­de­nen men­sen waren die ook naar zijn oproep zou­den luis­te­ren. Een paar jaar later zou­den de de dis­ci­pe­len deze gro­te gebeur­te­nis bele­ven: de ver­e­ni­ging van Joden en hei­de­nen. Dit is samen­ge­vat in de brief van Pau­lus aan de Efeziërs:

Bedenk daar­om dat u die voor­heen hei­de­nen was in het vlees en die onbe­sne­de­nen genoemd werd door hen die genoemd wor­den besnij­de­nis in het vlees, die met de hand gebeurt, dat u in die tijd zon­der Chris­tus was, ver­vreemd van het bur­ger­schap van Isra­ël en vreem­de­lin­gen wat betreft de ver­bon­den van de belof­te. U had geen hoop en was zon­der God in de wereld. Maar nu, in Chris­tus Jezus, bent u, die voor­heen ver­af was, door het bloed van Chris­tus dicht­bij geko­men. Want Hij is onze vre­de, Die bei­den één gemaakt heeft. En door de tus­sen­muur, die schei­ding maak­te, af te bre­ken, heeft Hij de vij­and­schap in Zijn vlees teniet­ge­daan, name­lijk de wet van de gebo­den, die uit bepa­lin­gen bestond, opdat Hij die twee in Zich­zelf tot één nieu­we mens zou schep­pen en zo vre­de zou maken, en opdat Hij die bei­den in één lichaam met God zou ver­zoe­nen door het kruis, waar­aan Hij de vij­and­schap gedood heeft. En bij Zijn komst heeft Hij door het Evan­ge­lie vre­de ver­kon­digd aan u die ver­af was, en aan hen die dicht­bij waren. Want door Hem heb­ben wij bei­den door één Geest de toe­gang tot de Vader. Zo bent u dan niet meer vreem­de­lin­gen en bij­wo­ners, maar mede­bur­gers van de hei­li­gen en huis­ge­no­ten van God, … (Efe­ze 2: 11–19)

Dus de ver­e­ni­ging van de scha­pen van­uit de twee schaaps­kooi­en vond al plaats in de eer­ste eeuw. Toen wer­den de Jood­se chris­te­nen en de chris­te­nen van­uit de hei­de­nen als één kud­de samen­ge­voegd in de kerk.

6 Samen­vat­ting

De leer van de ”onzicht­ba­re kerk”, ofwel ”kerk met een klei­ne k” en ”Kerk met een gro­te K”, komt niet in de bij­bel voor. Er zijn ver­schil­len tus­sen de leden van de chris­te­lij­ke kerk in hoe ”vol­was­sen” iemand al is in het geloof, hoe diep zijn geloof is of hoe gehoor­zaam hij is. Maar ieder lid heeft een rela­tie met het hoofd, Chris­tus (1 Korin­the 12: 12–27; Efe­ze 4: 15–16). Deze kerk wordt door de wereld gezien:

Een nieuw gebod geef Ik u, name­lijk dat u elkaar lief­hebt; zoals Ik u lief­ge­had heb, moet u ook elkaar lief­heb­ben. Hier­door zul­len allen inzien dat u Mijn dis­ci­pe­len bent: als u lief­de onder elkaar hebt. (Johan­nes 13: 34–35)

… Ik in hen, en U in Mij, opdat zij vol­maakt één zijn en opdat de wereld erkent dat U Mij gezon­den hebt en hen lief­ge­had hebt, zoals U Mij hebt lief­ge­had. (Johan­nes 17: 23)

De wereld moet de kerk kun­nen zien. De chris­te­lij­ke kerk moet zich altijd bewust zijn van haar ver­ant­woor­de­lijk­heid. Een ”kerk” die als een ”ver­mengd lichaam” leeft is niet het lichaam van Chris­tus. Zo een ”kerk” ver­vult niet de opdracht die Jezus de kerk toe­ver­trouw­de. Chris­te­nen leven in die­pe gemeen­schap die geba­seerd is op de leer van Chris­tus. Alleen op die manier kan hun getui­ge­nis over de lief­de van Chris­tus authen­tiek zijn voor de wereld.

Bij de leer van onzicht­ba­re ”kerk” gaat het er alleen om of men gelooft en behoort tot de onzicht­ba­re ”kerk”. Die zou dan bestaan uit indi­vi­du­e­le gelo­vi­gen ver­spreid over alle ”kerk­ge­noot­schap­pen”. Het is dan onbe­lang­rijk tot welk kerk­ge­noot­schap mein behoort of dat je uber­haupt bij een kerk hoort.

Op deze manier zou wat Jezus zei over de kerk over broe­der­lief­de, weder­zijd­se die­pe hulp, een­heid als een getui­ge­nis voor de wereld onmo­ge­lijk of uiterst beperkt zijn. Als deze onzicht­ba­re vorm van gemeen­schap vol­doen­de zou zijn, zou dat bete­ke­nen dat de kerk die in de eer­ste eeuw na Chris­tus bestond, niet meer nodig is. Het resul­taat van deze bena­de­ring ver­draait de bete­ke­nis van de kerk en doet het doel van de kerk teniet. Het maakt de men­sen ook onver­schil­lig om de kerk te bescher­men tegen de zon­de en onbij­bel­se leringen.


Voetnoten

  1. De beken­de refor­ma­tor Johan­nes Cal­vijn (1509 — 1564) for­mu­leer­de de leer van de onzicht­ba­re kerk als volgt: ”Want we heb­ben gezegd, dat de Hei­li­ge Schrift in twee­ër­lei zin van de kerk spreekt. Soms, wan­neer ze de kerk noemt, bedoelt ze die kerk, die inder­daad voor Gods aan­schijn kerk is, in wel­ke geen ande­ren opge­no­men wor­den, dan die door de gena­de der aan­ne­ming kin­de­ren Gods, en door de hei­lig­ma­king des Gees­tes waar­ach­ti­ge leden van Chris­tus zijn. En dan bevat zij niet slechts de hei­li­gen, die op de aar­de wonen, maar alle uit­ver­ko­re­nen, die er van het begin der wereld geweest zijn. Dik­wijls ech­ter duidt de Schrift met de naam kerk aan de gan­se menig­te der men­sen, die over de aar­de ver­spreid is, en die belijdt, dat zij één God en Chris­tus dient, door de Doop in zijn ver­bond wordt inge­lijft, door de deel­ne­ming aan het Avond­maal haar een­heid in de ware leer en lief­de betuigt, een­stem­mig­heid heeft in het Woord des Hee­ren, en tot de pre­di­king daar­van de dienst onder­houdt, die door Chris­tus inge­steld is. In deze kerk ech­ter zijn zeer veel hui­che­laars gemengd, die niets van Chris­tus heb­ben dan de naam en de uiter­lij­ke schijn; zeer veel eer­gie­ri­gen, heb­zuch­ti­gen, afgun­sti­gen, kwaad­spre­kers, som­mi­gen van een onrein leven, die een tijd­lang ver­dra­gen wor­den, of omdat ze niet door een wet­tig oor­deel kun­nen over­tuigd wor­den, of omdat niet altijd een behoor­lij­ke gestreng­heid van tucht heerst. Even­als het dus nodig is, dat we een onzicht­ba­re, alleen voor Gods ogen waar­neem­ba­re kerk gelo­ven, zo wordt ons gebo­den deze, die ten aan­zien der men­sen kerk genoemd wordt, hoog te ach­ten en gemeen­schap met haar te oefe­nen.” (INSTITUTIE Boek IV hoofd­stuk 1.7)
  2. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.
  3. ”bestraf hem” bete­kent hier: ”ver­maan hem” of ”berisp hem” of ”wijs hem terecht”
  4. Dit is zicht­baar in 1 Korin­the 5: 5: … opdat de geest behou­den zal wor­den op de dag van de Hee­re Jezus.
  5. Een soort­ge­lij­ke manier van aan­spre­ken ziet men ook in ande­re brie­ven: Romei­nen 1: 1–7; Filip­pen­zen 1:1; Kolos­sen­zen 1: 1–4; 2 Pet­rus 1: 1–4
  6. Zie ook de pre­di­king van Pet­rus bij Pink­ste­ren in Han­de­lin­gen 2:40: ”Laat u behou­den uit dit ver­keer­de geslacht”
  7. De Dona­tis­ten (genoemd naar hun lei­der, Dona­tus, bis­schop van Cart­ha­go) zei­den dat de kerk uit ”hei­li­gen” moet bestaan, niet uit ”zon­da­ren”. De sacra­men­ten zoals de doop, die bis­schop­pen uit­voer­den, die hun geloof tij­dens de ver­vol­ging onder de Romein­se kei­zer Dio­cle­tia­nus (vier­de eeuw na Chris­tus) had­den ver­loo­chend, zou ongel­dig zijn. Augus­ti­nus was het met dit gezichts­punt niet eens en was een vuri­ge tegen­stan­der van de Dona­tis­ten. Hier is een uit­trek­sel uit zijn werk: ”… Wat ech­ter voor­al bewaakt moet wor­den, is dat geen enkel indi­vi­du zich mag laten ver­lei­den en bedrie­gen door men­sen die zich in de katho­lie­ke kerk zelf bevin­den en die erdoor gedra­gen wor­den als het kaf dat tot aan de tijd van het schei­den van kaf en koren in stand gehou­den wordt. … je zult getui­ge moe­ten zijn van vele dronk­aards, gie­ri­ge man­nen, bedrie­gers, over­spe­li­gen, over­spe­li­gen, man­nen die hei­lig­schen­nen­de char­mes aan hun per­soon bin­den en ande­ren die aan tove­naars en astro­lo­gen zijn over­ge­le­verd, en wichel­roe­de­lo­pers die in aller­lei soor­ten van god­de­lo­ze kun­sten wor­den beoe­fend. U zult ook moe­ten toe­zien hoe juist die mensenmassa’s die de the­a­ters vul­len op de fees­te­lij­ke dagen van de hei­de­nen ook de ker­ken vul­len op de fees­te­lij­ke dagen van de chris­te­nen. En als je deze din­gen ziet, zul je geneigd zijn ze te imi­te­ren. Neen, waar­om zou ik de uit­druk­king gebrui­ken, zult u zien, in ver­wij­zing naar de din­gen die u zeker al kent? Want u bent niet onwe­tend van het feit dat velen die chris­te­nen wor­den genoemd, zich bezig­hou­den met al die kwa­de din­gen die ik kort heb genoemd. Ook bent u niet onwe­tend van het feit dat man­nen die u kent om de naam van chris­te­nen te dra­gen, zich soms schul­dig maken aan nog erge­re over­tre­din­gen dan deze. …” (AUGUSTINUS)
  8. Mat­the­üs 18: 23
  9. Mat­the­üs 13: 45–46
  10. In de Griek­se oor­spron­ke­lij­ke tekst staan de woor­den “timē” = eer, waar­de (HSV: eer­vol gebruik) en ”ati­mia” = oneer, het tegen­deel van “timē” (HSV: oneer­vol gebruik). (Ze zijn afge­leid van de werk­woor­den “timaō” = waar­de­ren eren en “ati­ma­zō” = niet waar­de­ren, ont­e­ren.) Ook in 1 Korin­the 12: 23 gebruikt Pau­lus een woord dat is afge­leid van het Griek­se woord “timē”: “ati­mo­te­ros” = meer ver­acht (HSV: min­der eer­vol). Deze tekst kan ons hel­pen om dich­ter bij de bete­ke­nis te komen van wat Pau­lus bedoel­de in 2 Timo­the­üs 2: 20, toen hij schreef: ”voor­wer­pen voor eer­vol en oneer­vol gebruik”:
  11. zie bij­voor­beeld: Hebr. 6:4–8 en Hebr. 10:24–31 en ande­re tek­sten, die wij in ons arti­kel over afval van het geloof heb­ben geschreven.


De beken­de refor­ma­tor Johan­nes Cal­vijn (1509 — 1564) for­mu­leer­de de leer van de onzicht­ba­re kerk als volgt: ”Want we heb­ben gezegd, dat de Hei­li­ge Schrift in twee­ër­lei zin van de kerk spreekt. Soms, wan­neer ze de kerk noemt, bedoelt ze die kerk, die inder­daad voor Gods aan­schijn kerk is, in wel­ke geen ande­ren opge­no­men wor­den, dan die door de gena­de der aan­ne­ming kin­de­ren Gods, en door de hei­lig­ma­king des Gees­tes waar­ach­ti­ge leden van Chris­tus zijn. En dan bevat zij niet slechts de hei­li­gen, die op de aar­de wonen, maar alle uit­ver­ko­re­nen, die er van het begin der wereld geweest zijn. Dik­wijls ech­ter duidt de Schrift met de naam kerk aan de gan­se menig­te der men­sen, die over de aar­de ver­spreid is, en die belijdt, dat zij één God en Chris­tus dient, door de Doop in zijn ver­bond wordt inge­lijft, door de deel­ne­ming aan het Avond­maal haar een­heid in de ware leer en lief­de betuigt, een­stem­mig­heid heeft in het Woord des Hee­ren, en tot de pre­di­king daar­van de dienst onder­houdt, die door Chris­tus inge­steld is. In deze kerk ech­ter zijn zeer veel hui­che­laars gemengd, die niets van Chris­tus heb­ben dan de naam en de uiter­lij­ke schijn; zeer veel eer­gie­ri­gen, heb­zuch­ti­gen, afgun­sti­gen, kwaad­spre­kers, som­mi­gen van een onrein leven, die een tijd­lang ver­dra­gen wor­den, of omdat ze niet door een wet­tig oor­deel kun­nen over­tuigd wor­den, of omdat niet altijd een behoor­lij­ke gestreng­heid van tucht heerst. Even­als het dus nodig is, dat we een onzicht­ba­re, alleen voor Gods ogen waar­neem­ba­re kerk gelo­ven, zo wordt ons gebo­den deze, die ten aan­zien der men­sen kerk genoemd wordt, hoog te ach­ten en gemeen­schap met haar te oefe­nen.” (INSTITUTIE Boek IV hoofd­stuk 1.7)

Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.

”bestraf hem” bete­kent hier: ”ver­maan hem” of ”berisp hem” of ”wijs hem terecht” 

Dit is zicht­baar in 1 Korin­the 5: 5: … opdat de geest behou­den zal wor­den op de dag van de Hee­re Jezus.

Een soort­ge­lij­ke manier van aan­spre­ken ziet men ook in ande­re brie­ven: Romei­nen 1: 1–7; Filip­pen­zen 1:1; Kolos­sen­zen 1: 1–4; 2 Pet­rus 1: 1–4

Zie ook de pre­di­king van Pet­rus bij Pink­ste­ren in Han­de­lin­gen 2:40: ”Laat u behou­den uit dit ver­keer­de geslacht”

De Dona­tis­ten (genoemd naar hun lei­der, Dona­tus, bis­schop van Cart­ha­go) zei­den dat de kerk uit ”hei­li­gen” moet bestaan, niet uit ”zon­da­ren”. De sacra­men­ten zoals de doop, die bis­schop­pen uit­voer­den, die hun geloof tij­dens de ver­vol­ging onder de Romein­se kei­zer Dio­cle­tia­nus (vier­de eeuw na Chris­tus) had­den ver­loo­chend, zou ongel­dig zijn. Augus­ti­nus was het met dit gezichts­punt niet eens en was een vuri­ge tegen­stan­der van de Dona­tis­ten. Hier is een uit­trek­sel uit zijn werk: ”… Wat ech­ter voor­al bewaakt moet wor­den, is dat geen enkel indi­vi­du zich mag laten ver­lei­den en bedrie­gen door men­sen die zich in de katho­lie­ke kerk zelf bevin­den en die erdoor gedra­gen wor­den als het kaf dat tot aan de tijd van het schei­den van kaf en koren in stand gehou­den wordt. … je zult getui­ge moe­ten zijn van vele dronk­aards, gie­ri­ge man­nen, bedrie­gers, over­spe­li­gen, over­spe­li­gen, man­nen die hei­lig­schen­nen­de char­mes aan hun per­soon bin­den en ande­ren die aan tove­naars en astro­lo­gen zijn over­ge­le­verd, en wichel­roe­de­lo­pers die in aller­lei soor­ten van god­de­lo­ze kun­sten wor­den beoe­fend. U zult ook moe­ten toe­zien hoe juist die mensenmassa’s die de the­a­ters vul­len op de fees­te­lij­ke dagen van de hei­de­nen ook de ker­ken vul­len op de fees­te­lij­ke dagen van de chris­te­nen. En als je deze din­gen ziet, zul je geneigd zijn ze te imi­te­ren. Neen, waar­om zou ik de uit­druk­king gebrui­ken, zult u zien, in ver­wij­zing naar de din­gen die u zeker al kent? Want u bent niet onwe­tend van het feit dat velen die chris­te­nen wor­den genoemd, zich bezig­hou­den met al die kwa­de din­gen die ik kort heb genoemd. Ook bent u niet onwe­tend van het feit dat man­nen die u kent om de naam van chris­te­nen te dra­gen, zich soms schul­dig maken aan nog erge­re over­tre­din­gen dan deze. …” (AUGUSTINUS)

Mat­the­üs 18: 23

Mat­the­üs 13: 45–46

In de Griek­se oor­spron­ke­lij­ke tekst staan de woor­den “timē” = eer, waar­de (HSV: eer­vol gebruik) en ”ati­mia” = oneer, het tegen­deel van “timē” (HSV: oneer­vol gebruik). (Ze zijn afge­leid van de werk­woor­den “timaō” = waar­de­ren eren en “ati­ma­zō” = niet waar­de­ren, ont­e­ren.) Ook in 1 Korin­the 12: 23 gebruikt Pau­lus een woord dat is afge­leid van het Griek­se woord “timē”: “ati­mo­te­ros” = meer ver­acht (HSV: min­der eer­vol). Deze tekst kan ons hel­pen om dich­ter bij de bete­ke­nis te komen van wat Pau­lus bedoel­de in 2 Timo­the­üs 2: 20, toen hij schreef: ”voor­wer­pen voor eer­vol en oneer­vol gebruik”:

zie bij­voor­beeld: Hebr. 6:4–8 en Hebr. 10:24–31 en ande­re tek­sten, die wij in ons arti­kel over afval van het geloof heb­ben geschreven.