De Doop met de Hei­li­ge Geest

Categorieën: Het werk van de Geest
Vijf glazen waarin water wordt gegoten. Elk glas bevat een verschillende hoeveelheid water. Eén glas loopt bijna over, één is bijna leeg en de drie andere zijn gedeeltelijk gevuld. De afbeelding verwijst naar de vraag die in dit onderwerp wordt besproken of er verschillen zijn tussen christenen in de mate waarin ze vervuld zijn met de Heilige Geest.

Waar­over gaat het in dit artikel?
In dit arti­kel wil­len wij beschrij­ven, dat God een­ie­der van zijn kin­de­ren op dezelf­de manier lief­heeft. Hij wil hen daar­om, direct na hun beslis­sing om een kind van God te wor­den, een die­pe rela­tie met hem geven. Daar­om ver­vult de Hei­li­ge Geest hun hart gelijk na de beke­ring. Dat is de doop met de Hei­li­ge Geest, God ant­woordt onmid­del­lijk op de beslis­sing van de beke­ring. Wij wil­len aan de hand van de bij­bel laten zien, waar­om wij dat den­ken en wij wil­len het dwaal­spoor van cha­ris­ma­ti­sche en pink­ster­leer in Gods licht beoor­de­len. Zij gelo­ven name­lijk nor­maal gespro­ken[1] dat de beke­ring en de doop met de Hei­li­ge Geest 2 van elkaar geschei­den gebeur­te­nis­sen zijn.

1 Bete­ke­nis van de term in het Nieu­we Testament

De term „doop met de Hei­li­ge Geest“ vin­den we in alle evan­ge­lies: Mat­the­üs 3:11; Mar­kus 1:8; Luk­as 3:16; Johan­nes 1:33. Deze woor­den van Johan­nes de Doper ver­wij­zen naar Jezus: Hij is dege­ne die met de Hei­li­ge Geest doopt. Jezus is mach­ti­ger dan Johan­nes. Johan­nes maan­de de men­sen tot berouw en beke­ring. Jezus is in staat om door de Geest ook Zijn kracht te geven om een leven als vol­ge­ling van Jezus te lei­den, dat God wel­ge­val­lig is. Deze belof­te van Johan­nes werd op Pink­ste­ren in het jaar 30 ver­vuld, zoals Jezus het ook voor zijn hemel­vaart aan­kon­dig­de (Han­de­lin­gen 1: 4–5). Wij kun­nen zien, dat de dis­ci­pe­len, die zich uit angst voor de Joden ach­ter geslo­ten deu­ren had­den ver­stopt (Johan­nes 20:19), de blij­de bood­schap na het ont­van­gen van de Hei­li­ge Geest ver­kon­dig­den, met gro­te moed en wijs­heid (Han­de­lin­gen 2: 14).

2 De unie­ke situ­a­tie van de dis­ci­pe­len: Een ver­schil­lend tijd­stip van beke­ring en doop met de Hei­li­ge Geest

De eer­ste dis­ci­pe­len beslis­ten om Jezus te vol­gen maar ze moesten tot Pink­ste­ren wach­ten op de doop met de Hei­li­ge Geest. De reden voor het ver­schil­len­de tijd­stip van deze gebeur­te­nis­sen vin­den we in de woor­den van Jezus:

Maar Ik zeg u de waar­heid: Het is nut­tig voor u dat Ik weg­ga, want als Ik niet weg­ga, zal de Troos­ter niet naar u toe komen; maar als Ik heen­ga, zal Ik Hem naar u toe zen­den. (Johan­nes 16: 7)[2]

Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stro­men van levend water zul­len uit zijn bin­nen­ste vloei­en. En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem gelo­ven, ont­van­gen zou­den; want de Hei­li­ge Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet ver­heer­lijkt was. (Johan­nes 7:38–39)

Zoals deze tek­sten laten zien, waren de dis­ci­pe­len in een unie­ke situ­a­tie: Hoe­wel ze de beslis­sing al had­den gemaakt om Jezus te vol­gen, toen ze hem leer­den ken­nen, kre­gen ze toch de Hei­li­ge Geest pas later – pas na zijn ver­heer­lij­king.[3] Zij moesten wach­ten, omdat de Hei­li­ge Geest er nog niet was (Johan­nes 7:39). Maar waar de Hei­li­ge Geest al is uit­ge­stort (de Der­de God­de­lij­ke Per­soon werd bij Pink­ste­ren geo­pen­baard), is er voor de men­sen, die heb­ben beslist om Jezus te vol­gen, geen reden meer om te wach­ten. Ze kun­nen gelijk met de Hei­li­ge Geest wor­den vervuld.

3 De situ­a­tie van de chris­te­nen na Pink­ste­ren 30: De doop met de Hei­li­ge Geest bij de beke­ring – het direct ver­vuld zijn met de Hei­li­ge Geest

Na Pink­ste­ren zijn de beke­ring en de doop met de Hei­li­ge Geest geen twee geschei­den gebeur­te­nis­sen meer. Als iemand zijn hart opent en God toe­laat in zijn leven te komen, dan komt hij gelijk, om in hem te wonen.

En Ik zal de Vader bid­den, en Hij zal u een ande­re Troos­ter geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeu­wig­heid, name­lijk de Geest van de waar­heid, Die de wereld niet kan ont­van­gen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. (…) Jezus ant­woord­de en zei tegen hem: Als iemand Mij lief­heeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem lief­heb­ben, en Wij zul­len naar hem toe komen en bij hem intrek nemen. (Johan­nes 14: 16–17:23)

Jezus spreekt eerst over de uit­zen­ding van de Hei­li­ge Geest, dat Hij voor altijd bij de gelo­vi­gen zal zijn. Dan spreekt hij over de Vader en dan over zich­zelf. Dat bete­kent dus, dat bij het ont­van­gen van de Hei­li­ge Geest de Drie-eni­ge God zelf in de gelo­vi­ge komt wonen. Pre­cies zoals er bij de beke­ring niet een deel van de Vader en van de Zoon in de gelo­vi­ge komen wonen, word ook niet een deel van de Hei­li­ge Geest in hem uit­ge­go­ten. De eni­ge voor­waar­de is, Hem lief te heb­ben en Zijn woord te hou­den. In dit geval wacht God niet met zijn lief­de, maar Hij komt gelijk en ver­vuld het hart van de gelo­vi­ge.

…, omdat de lief­de van God in onze har­ten uit­ge­stort is door de Hei­li­ge Geest, Die ons gege­ven is. (Romei­nen 5:5)

Het past niet bij de natuur en het wezen van God, dat hij die­ge­ne die Hem lief­heeft maar een gedeel­te van zijn lief­de zou geven. Ver­der is het ook zo dat de Hei­li­ge Geest een per­soon is en niet kan wor­den opge­deeld als water. Zijn han­de­len wordt vaak ver­ge­le­ken met levend­ma­kend water, dat ons ver­frist en de dorst lest. Maar wij lezen in zul­ke tek­sten nooit, dat God eerst een beet­je van dit water en dan later alles geeft. Als in het Oude Tes­ta­ment de belof­te van de Hei­li­ge Geest met het beeld van water wordt ver­ge­le­ken, gaat het altijd over de vol­heid: Jes­a­ja 32:14–16; 44:1–5; 43:19–20; 41:17–20; 35:7; 55:1–2; 58:11; Joël 3:1; Eze­chi­ël 47:1–12.
Omdat de Hei­li­ge Geest een per­soon is, is hij óf aan­we­zig in het hart van een mens óf Hij is het niet. Als hij aan­we­zig is, is hij er vol­le­dig en ver­vult dan met zijn hele per­soon het hart van de mens.

Want ook wij waren voor­heen onver­stan­dig, onge­hoor­zaam, dwa­lend, ver­slaafd aan aller­lei begeer­ten en harts­toch­ten, levend in slecht­heid en afgunst, hate­lijk en elkaar hatend. Maar toen de goe­der­tie­ren­heid van God, onze Zalig­ma­ker, en Zijn lief­de tot de men­sen ver­sche­nen is, maak­te Hij ons zalig, niet op grond van de wer­ken van recht­vaar­dig­heid die wij gedaan zou­den heb­ben, maar van­we­ge Zijn barm­har­tig­heid, door het bad van de weder­ge­boor­te en de ver­nieu­wing door de Hei­li­ge Geest.[4] Die heeft Hij in rij­ke mate over ons uit­ge­go­ten door Jezus Chris­tus, onze Zalig­ma­ker, opdat wij, gerecht­vaar­digd door Zijn gena­de, erf­ge­na­men zou­den wor­den, over­een­kom­stig de hoop van het eeu­wi­ge leven. (Titus 3: 3–7)

In de con­text spreekt Pau­lus over de beke­ring. Ooit waren wij onge­hoor­zaam, maar God red­de ons door de was­sing door de weder­ge­boor­te en de ver­nieu­wing door de Hei­li­ge Geest, die Hij in rij­ke mate over ons heeft uit­ge­go­ten. Dat bete­kent, dat de beke­ring en de rijk (dat bete­kent vol omdat het woord „rijk“ bij God niet kan bete­ke­nen dat Hij de Geest maar voor een gedeel­te geeft) uit­ge­go­ten Hei­li­ge Geest niet als twee geschei­den gebeur­te­nis­sen kun­nen wor­den opge­vat, die op ver­schil­len­de tijd­stip­pen plaatsvinden.
Als de Geest over iemand niet rijk is uit­ge­go­ten, dan is hij niet gewas­sen en ver­nieuwd. Daar­om is hij ook niet gered, niet gerecht­vaar­digd en zal hij het eeu­wi­ge leven niet erven (Vers 7).

In een ande­re tekst ver­bindt Pau­lus het vol­le­di­ge ont­van­gen van de Hei­li­ge Geest met het feit, dat de mens een lid van het lichaam (de gemeen­te) is.

Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoe­wel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Chris­tus. Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, het­zij dat wij Joden zijn, het­zij Grie­ken, het­zij sla­ven, het­zij vrij­en; en wij allen zijn van één Geest door­drenkt. (1 Korin­the 12: 12–13)

Elk lid van de Gemeen­te is door­drenkt van de Hei­li­ge Geest. Door­drenkt zijn is weer een ster­ke uit­druk­king voor vol­heid. Zoals wij het eer­der al beschre­ven, kan de Hei­li­ge Geest zich als per­soon alleen hele­maal, en niet gedeel­te­lijk geven. Als iemand door­drenkt is van Hem, is die­ge­ne vol­le­dig door­drenkt en Hij geeft niet eerst een beet­je en dan later alles. Deze leer past beter bij de manier van den­ken in de oos­te­lij­ke reli­gies. Daar heerst de voor­stel­ling van een onper­soon­lij­ke God en een ener­gie, die alles door­dringt en geen per­soon­lij­ke God, die zich door de Hei­li­ge Schrift openbaarde.

Als er twee gra­da­ties van het ont­van­gen van de Hei­li­ge Geest zou­den zijn (eerst gedeel­te­lijk en dan vol­le­dig), dan zijn er ook twee soor­ten van chris­te­nen in de gemeen­te, afhan­ke­lijk van “hoe­veel Geest” iemand heeft. Maar 1 Korin­the 12 laat niet zo een beeld van de gemeen­te zien. In de con­text van deze tekst wordt zicht­baar, dat Pau­lus de waar­de iede­re chris­ten in de gemeen­te zeer bena­drukt, omdat dezelf­de Geest in hen woont, door Wie hij Jezus als zijn Heer belijdt en door Wie hij de gaven heeft ont­van­gen: 1 Korin­the 12: 3–11.

Er zijn ver­schil­len in de gena­de­ga­ven, in de dien­sten en wer­kin­gen, maar Pau­lus spreekt in geen geval over ver­schil­len in de ont­van­gen hoe­veel­heid van de Geest. Als er name­lijk zo een ver­schil zou zijn geweest, dan zou het wel pas­send zijn geweest om dat in de ver­zen 4–6 te noe­men. Alle gaven, die in de ver­zen 8–10 zijn genoemd, zijn een teken dat iemand ver­vuld is met de Geest – en niet alleen de klank­taal, die door cha­ris­ma­ti­sche en pink­ster­groe­pen als dui­de­lijk teken van de doop met de Hei­li­ge Geest wordt benadrukt.
Ook Romei­nen 8: 1–17 laat zien dat een vle­se­lijk chris­ten­dom[5] niet bestaat. Vol­gens de gang­ba­re cha­ris­ma­ti­sche leer wor­den men­sen, die “chris­te­nen” zon­der Geest­doop zijn, vle­se­lij­ke chris­te­nen genoemd. Maar men­sen, die naar het vlees leven, kun­nen God niet beha­gen en zul­len ster­ven. Chris­te­nen zijn door de Geest geleid en doden de daden van het lichaam. Door de Geest geleid te zijn bete­kent dat iemand ver­vuld is met de Geest. God wil dat zijn kin­de­ren van het begin af aan deel heb­ben aan Zijn God­de­lijk Wezen, om ze te onder­steu­nen in hun strijd. Waar­om zou God nu juist in het begin, als een nieuw­ge­bo­ren Chris­ten veel strijd heeft, hem maar gedeel­te­lijk wil­len ver­vul­len? Hij schenkt ons de vol­heid, zodat wij deze die­pe rela­tie met hem kun­nen heb­ben, waar­van­uit we in staat zijn om een leven in over­win­ning en gehoor­zaam­heid te leiden.

Het voor­beeld van Pau­lus zelf in Damas­cus is een een getui­ge­nis, dat laat zien dat je de vol­heid van de Geest niet van de beke­ring kunt scheiden:

En Ana­ni­as ging heen en ging het huis bin­nen; en na hem de han­den opge­legd te heb­ben, zei hij: Saul, broe­der, de Hee­re heeft mij gestuurd, name­lijk Jezus, Die u ver­sche­nen is op de weg waar­langs u geko­men bent, opdat u weer zien­de zou wor­den en met de Hei­li­ge Geest ver­vuld zou wor­den. En met­een vie­len hem als het ware schel­len van de ogen, en onmid­del­lijk werd hij weer zien­de, en hij stond op en werd gedoopt. (Han­de­lin­gen 9: 17–18).

Het is ook ver­mel­dens­waar­dig, dat het hier in de con­text van de hand­op­leg­ging door Ana­ni­as niet over de klank­taal gaat (wat je vol­gens de klas­sie­ke cha­ris­ma­ti­sche the­o­rie zou kun­nen ver­wach­ten) en ook niet over een ande­re zicht­ba­re gave van de Geest.
Ook in Han­de­lin­gen 10: 44–48 – in het geval van Cor­ne­li­us – kun­nen we zien, dat bij de beke­ring de Geest werd uit­ge­stort over hem en zijn huis­ge­no­ten – en dat voor hun doop! (vol­gens de klas­sie­ke cha­ris­ma­ti­sche leer zou de volg­or­de anders moe­ten zijn: Beke­ring, Water­doop, Geestdoop.)

4 Ver­vuld met de Geest: De rela­tie met de Hei­li­ge Geest in het leven van een christen

Bij de beke­ring neemt God door de Hei­li­ge Geest intrek bij ons. Deze rela­tie met Hem kan door onze gehoor­zaam­heid, (bijv. goe­de beslis­sin­gen, toe­wij­ding, gebed) wor­den gesterkt of ook door onze onge­hoor­zaam­heid wor­den ver­zwakt. Uit­druk­kin­gen zoals: “… word ver­vuld met de Geest” in Efe­ze 5: 18, of  “… bedroef de Hei­li­ge Geest van God niet” in Efe­ze 4: 30 laten zien, dat het heel erg van ons afhan­ke­lijk is, van onze gehoor­zaam­heid, hoe sterk de Hei­li­ge Geest in ons kan wer­ken. Pau­lus zegt daar ook iets over in Gala­ten 5: 25:

“Als wij door de Geest leven, laten wij dan ook door de Geest wandelen!”

In Han­de­lin­gen 4 baden de eer­ste chris­te­nen sme­kend en ervoe­ren een gro­te ster­king in hun geloof door de Hei­li­ge Geest:

… En zij wer­den allen ver­vuld met de Hei­li­ge Geest en spra­ken het Woord van God met vrij­moe­dig­heid. (Han­de­lin­gen 4: 31)

Wij vin­den de uit­druk­king “ver­vuld zijn met de Hei­li­ge Geest” ook in ande­re situ­a­ties in Han­de­lin­gen, toen de Geest iemand in den moei­lijk situ­a­tie sterk­te. Han­de­lin­gen 4: 4–10; Han­de­lin­gen 13: 9–12. In zul­ke situ­a­ties had het “ver­vuld zijn met de Hei­li­ge Geest een ande­re bete­ke­nis als bijv. in Han­de­lin­gen 2: 4 of in ande­re tek­sten, waar iemand zich bekeert en de Hei­li­ge Geest ont­vangt (bijv.: Han­de­lin­gen 9: 17). Het gaat niet over het begin van de rela­tie met de Hei­li­ge Geest, maar over een ster­king en een bij­zon­de­re erva­ring van Zijn kracht en hulp.

Als we lezen dat een chris­ten “vol van de Hei­li­ge Geest” was, bete­kent dat niet, dat hij – anders als ande­re chris­te­nen – de doop met de Hei­li­ge Geest had ont­van­gen, maar dat door zijn gehoor­zaam­heid het werk van de Hei­li­ge Geest in zijn leven dui­de­lijk zicht­baar werd.

“… en zij kozen Ste­fa­nus, een man vol van geloof en van de Hei­li­ge Geest, …” (Han­de­lin­gen 6: 5).

Dat bete­kent zeker niet, dat de ande­re 6 broe­ders, die in het­zelf­de vers wor­den genoemd niet met de Hei­li­ge Geest waren gedoopt.

5 Ver­keerd geïn­ter­pre­teer­de tek­sten in de cha­ris­ma­ti­sche leer

Er zijn een paar tek­sten in het Nieu­we Tes­ta­ment, die door de mees­te charismatische/​Pinkstergroepen wor­den uit­ge­legd als­of de beke­ring en de Doop met de Hei­li­ge Geest gebeur­te­nis­sen zou­den zijn die op een apart, geschei­den tijd­stip plaats­von­den.[6] Als wij ons voor ogen stel­len, wat wij hier­bo­ven al schre­ven, zal het ook geen pro­bleem zijn de vol­gen­de tek­sten op de juis­te manier te begrijpen.

5.1 Nico­de­mus – uit water en Geest geboren

Jezus ant­woord­de: Voor­waar, voor­waar, Ik zeg u: Als iemand niet gebo­ren wordt uit water en Geest, kan hij het Konink­rijk van God niet bin­nen­gaan. (Johan­nes 3: 5)

De ver­keer­de cha­ris­ma­ti­sche optiek gaat er van­we­ge het woord­je „en“ van­uit, dat het bij de doop met water en Geest over 2 geschei­den gebeur­te­nis­sen gaat.
Zoals wij al bij Titus 3 in de voet­noot heb­ben laten zien, zijn 2 uit­druk­kin­gen, die met “en” zijn ver­bon­den in de Bij­bel­se taal vaak een Paral­lel­lis­me (2 keer het­zelf­de met ver­schil­len­de woor­den). Bei­de uit­druk­kin­gen heb­ben betrek­king op dezelf­de gebeur­te­nis, maar laten ver­schil­len­de aspec­ten zien. Zoals we hier­bo­ven al noem­den, is water in het Oude Tes­ta­ment een beeld­spraak voor de Hei­li­ge Geest, zoals bij­voor­beeld in Jes­a­ja 44:

Want Ik zal WATER gie­ten op het dor­sti­ge en stro­men op het dro­ge. Ik zal Mijn GEEST op uw nage­slacht gie­ten en Mijn zegen op uw nako­me­lin­gen. Zij zul­len opko­men tus­sen het gras, als wil­gen aan de water­stro­men. (Jes­a­ja 44: 3–4)

Het uit­gie­ten van het water op dor­stig land en het uit­gie­ten van de Geest op de nako­me­lin­gen van Isra­ël zijn niet 2 van elkaar geschei­den gebeur­te­nis­sen, maar het bete­kent het­zelf­de. Isra­ël werd ver­ge­le­ken met een dor­stig land, maar dan met een zegen, dat bete­kent na de uit­stor­ting van de Geest (Zegen en Geest zijn hier weer een Paral­lel­lis­me) wer­den de nako­me­lin­gen van Isra­ël ver­ge­le­ken met wil­gen aan de water­stro­men. Zo beschrijft ook de tekst in Johan­nes 3 met “uit water en Geest gebo­ren wor­den” gewoon de ver­nieu­wing door de Hei­li­ge Geest, zoals ook het water ieder­een ver­frist, die zich ermee wast.
In Eze­chi­ël 36: 22–38 vin­den we soort­ge­lij­ke uit­druk­kin­gen, die nog dui­de­lij­ker de weder­ge­boor­te of de geboor­te van boven[7] als het werk van God beschrij­ven en heel goed pas­sen bij wat Jezus in Johan­nes 3 wil­de uit­druk­ken (en ook van Nico­de­mus als leraar ver­wacht­te, dat hij begrijpt waar­over het gaat).

Ik zal rein water op u spren­ke­len en u zult rein wor­den. Van al uw onrein­he­den en van al uw stink­go­den zal Ik u rei­ni­gen. Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieu­we geest in uw bin­nen­ste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam weg­ne­men en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw bin­nen­ste geven. Ik zal maken dat u in Mijn ver­or­de­nin­gen wan­delt en dat u Mijn bepa­lin­gen in acht neemt en ze houdt. (Eze­chi­ël 36: 25–27)

Jezus spreekt hier in de hele con­text van Johan­nes 3 over het werk van God aan de mens en niet over een doop­han­de­ling (de “geboor­te van boven” ver­on­der­stelt natuur­lijk de beke­ring van de mens). Als Jezus in Johan­nes 3: 5 ook de water­doop zou heb­ben bedoeld, waar­om spreekt Hij dan van­af vers 6 alleen nog over de Geest en noemt Hij de water­doop hele­maal niet meer?
Water en Geest te schei­den leidt tot een soort­ge­lijk pro­bleem als we al bij Titus 3 bena­druk­ten. Als je deze onder­schei­ding ver­der­denkt, dan zou dat tot de con­clu­sie lei­den, dat men­sen die alleen met water wer­den gedoopt, het rijk van God niet zou­den kun­nen beër­ven en ook na hun beke­ring het hemel­se bur­ger­schap niet zou­den heb­ben, zolang ze nog niet met de Hei­li­ge Geest wer­den gedoopt.
Maar vol­gens Filip­pen­zen 3: 20 is “… ons bur­ger­schap … in de Heme­len”.  – Dat geldt voor ieder­een, die zich tot Jezus heeft bekeerd!

5.2 Johan­nes 20: 19–23: Ont­vang de Hei­li­ge Geest! (voor Pinksteren?)

En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ont­vang de Hei­li­ge Geest. (Johan­nes 20: 22)

Hier­bo­ven bena­druk­ten we al dat het feit dat Jezus weg­ging, de voor­waar­de voor de zen­ding van de Hei­li­ge Geest was (Johan­nes 7: 39 en 16: 7). Dit was in Johan­nes 20 nog niet ver­vuld, omdat Jezus nog niet opge­va­ren en ver­heer­lijkt was. Daar­om moe­ten we uit­slui­ten dat de dis­ci­pe­len in deze situ­a­tie de Hei­li­ge Geest ont­vin­gen. Vers 22 is de beves­ti­ging van de belof­te van Jezus in Zijn afscheids­woor­den toen Hij over de zen­ding van de Troos­ter sprak. Hij wil­de de dis­ci­pe­len, die blij waren toen ze Hem zagen, eraan her­in­ne­ren dat Hij de aar­de moest ver­la­ten: Maar Hij zou ze niet als wezen ach­ter­la­ten, maar hen de Hei­li­ge Geest zen­den. Deze sym­bo­li­sche han­de­ling van het bla­zen kon hen hel­pen om de ver­bin­ding tus­sen Jezus en de Hei­li­ge Geest te begrij­pen, die ze na eni­ge tijd zou­den ont­van­gen (Han­de­lin­gen 1:5).

5.3 Han­de­lin­gen 2: 37—39: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt wor­den …; en u zult de gave van de Hei­li­ge Geest ont­van­gen. – Beke­ring en doop zon­der de Geest te ontvangen?

… Bekeer u en laat ieder van u gedoopt wor­den in de Naam van Jezus Chris­tus, tot ver­ge­ving van de zon­den; en u zult de gave van de Hei­li­ge Geest ont­van­gen. (Han­de­lin­gen 2: 38)

Er is geen reden, om uit deze tekst af te lei­den, dat de beke­ring en de doop aan de ene kant, en het ont­van­gen van de Geest aan de ande­re kant, twee gebeur­te­nis­sen zijn, die op een ver­schil­lend tijd­stip plaats­vin­den. Hoe zou Pet­rus het anders kun­nen uit­druk­ken om te laten zien dat de beke­ring door God wordt beant­woord door­dat Hij de Geest onmid­del­lijk geeft, wat door de apos­te­len met de doop met water werd beves­tigd? We kun­nen in de ver­zen 42–47 zien, dat de Hei­li­ge Geest gelijk daar­na gro­te din­gen in hun leven deed. Hij vul­de hun hart en deed gro­te won­de­ren onder hen, name­lijk: die­pe broe­der­lij­ke lief­de en eenheid!

5.4 Han­de­lin­gen 8: 5–24: De beke­ring van de Sama­ri­ta­nen en de uit­stor­ting van de Geest pas later

Toen de apos­te­len die in Jeru­za­lem waren, hoor­den dat Sama­ria het Woord van God aan­ge­no­men had, stuur­den zij Pet­rus en Johan­nes naar hen toe, en toen die aan­ge­ko­men waren, baden zij voor hen dat zij de Hei­li­ge Geest moch­ten ont­van­gen. (Want Hij was nog op nie­mand van hen geval­len, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Hee­re Jezus.) (Han­de­lin­gen 8: 14–16)

Het was een his­to­ri­sche gebeur­te­nis dat er werd geë­van­ge­li­seerd onder de Sama­ri­ta­nen. Deze evan­ge­li­sa­tie liet zien dat niet alleen Joden uit­ge­no­digd zijn in het Rijk van God. Door de eeu­wen­lan­ge vij­and­schap tus­sen Sama­ri­ta­nen en Joden was het belang­rijk dat Pet­rus en Johan­nes als apos­te­len en zui­len van de Kerk ernaar­toe gin­gen om de nieuw­be­keer­de Sama­ri­ta­nen te begroe­ten den uit te druk­ken dat ze als nieu­we broe­ders en zus­ters in Jezus, door de hele kerk wer­den geac­cep­teerd. Maar hoe moe­ten we het vol­gen­de inter­pre­te­ren?: “… Want Hij was nog op nie­mand van hen geval­len, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Hee­re Jezus.” Van­we­ge de gedach­ten, die we hier­bo­ven al schre­ven, kun­nen we de tekst niet zo inter­pre­te­ren dat hij wil zeg­gen dat ze niet gelijk na de beke­ring met de Hei­li­ge Geest wer­den vervuld.

Het “val­len van de Geest op hen” moet hier dus een ande­re bete­ke­nis heb­ben. Het heeft betrek­king op een krach­tig en won­der­baar han­de­len van de Geest[8]: Een dui­de­lijk teken van de aan­we­zig­heid van de Geest in hun leven, dat ze voor de komst van Pet­rus en Johan­nes nog niet had­den erva­ren. Het moest iets zicht­baars zijn, wat ook in vers 18 zicht­baar wordt: “toen Simon zag dat de Hei­li­ge Geest gege­ven werd door mid­del van de hand­op­leg­ging van de apos­te­len …”. Zo moe­ten we ook vers 17 inter­pre­te­ren: “… zij ont­vin­gen de Hei­li­ge Geest”. Ze ont­vin­gen dus de gaven van de Hei­li­ge Geest, waar­schijn­lijk ook de klank­taal. Dit was een beves­ti­ging voor het feit dat God in hun leven werkt, maar het is niet het tijd­stip wan­neer de Geest in hun hart werd uit­ge­stort. De reden dat het door Pet­rus en Johan­nes gebeur­de en niet door Filip­pus bij de beke­ring kan wor­den uit­ge­legd door de hier­bo­ven genoem­de uit­zon­der­lij­ke situ­a­tie. Het was belang­rijk dat het door de apos­te­len werd beves­tigd, dat zij aan­ge­no­men wer­den door de kerk.[9]

5.5 Han­de­lin­gen 19: 1–7: De twaalf dis­ci­pe­len van Johannes

… Hebt u de Hei­li­ge Geest ont­van­gen toen u tot geloof kwam? En zij zei­den tegen hem: Wij heb­ben niet eens gehoord dat er een Hei­li­ge Geest is. (Han­de­lin­gen 19: 2)

Deze dis­ci­pe­len ont­vin­gen de doop van Johan­nes. Dat bete­ken­de in hun geval dat ze dis­ci­pe­len van Johan­nes waren, die zijn leer volg­den maar niets van de leer van Jezus en van de Hei­li­ge Geest wis­ten. Daar­om kun­nen we ze niet als chris­te­nen zien. Het is aan te nemen dat ze uit Klein-Azië kwa­men, over de doop van Johan­nes hoor­den, zich van hun zon­den bekeer­den en vol­gens wat zij begre­pen een recht­scha­pen leven leid­den. Daar­om wor­den ze in vers 1 dis­ci­pe­len genoemd en in vers 2 gelo­vi­gen. Het lijkt erop dat ze ook met elkaar samen waren. Pas door Pau­lus leer­den ze het Chris­ten­dom ken­nen en ze namen het gelijk aan. Ze namen de beslis­sing om Jezus te vol­gen; Pau­lus doop­te ze en ze ont­vin­gen gelijk de Hei­li­ge Geest. Toen Pau­lus hen de han­den opleg­de kre­gen ze ook gaven van de Hei­li­ge Geest: klank­taal en profetie.

5.6 Han­de­lin­gen 18: 23–28: Apollos

Deze was in de weg van de Hee­re onder­we­zen en, omdat hij vurig van geest was, sprak en onder­wees hij nauw­keu­rig de zaken van de Hee­re, maar hij wist alleen van de doop van Johan­nes. (Han­de­lin­gen 18: 25)

Hoe­wel we ook over Apol­los lezen, dat hij alleen de doop van Johan­nes ken­de, onder­scheidt hij zich in een paar pun­ten van de dis­ci­pe­len van Johan­nes in Han­de­lin­gen 19:

Deze ver­schil­len laten zien dat Apol­los gees­te­lijk op een heel ander niveau was als de twaalf dis­ci­pe­len van Johan­nes in Efe­ze. Hoe­wel er din­gen waren, die hij over Jezus en Zijn leer nog niet wist, beoor­deel­de Aquil­la en Pris­cil­la het zo, dat hij een broe­der in Chris­tus was. Daar­om doop­ten ze hem niet, maar leg­den hem alleen de din­gen uit, die nog ontbraken.

5.7 Hebree­ën 6: 1–2 Dopen als een basis­leer over Jezus

Laten wij daar­om het eer­ste onder­wijs met betrek­king tot Chris­tus laten rus­ten, en door­gaan tot de vol­maakt­heid, zon­der opnieuw het fun­da­ment te leg­gen van beke­ring van dode wer­ken en van geloof in God, van de leer van de dopen, van de hand­op­leg­ging, van de opstan­ding van de doden en van het eeu­wig oor­deel. (Hebree­ën 6: 1–2)

„Dopen“ (in het Grieks: „bap­tis­ma“, meer­voud van „bap­tis­mos“) wor­den in dezelf­de brief ook in hoofd­stuk 9:10 genoemd „ver­schei­de­ne was­sin­gen“. Hier heb­ben de „was­sin­gen“ betrek­king op de ritu­e­le was­sin­gen vol­gens de wet van Mozes. Het doel van de brief aan de Hebree­ën is de chris­te­nen die uit het Joden­dom kwa­men te bemoe­di­gen niet terug te val­len in het Joden­dom en de ver­schil­len in het geloof van het Oude Tes­ta­ment en het Nieu­we Tes­ta­ment te benadrukken.
Daar­om is de waar­schijn­lijk­ste bete­ke­nis van de „leer van de dopen“ als volgt: De doop die door Jezus werd gebo­den moet dui­de­lijk geschei­den wor­den van de ritu­e­le was­sin­gen van de wet van Mozes en de ande­re was­sin­gen in het Oude Tes­ta­ment, zoals bij­voor­beeld de pro­se­ly­ten­doop of de doop van Johan­nes. Dat is wer­ke­lijk een basis­leer, die de ont­van­gers van de brief begre­pen toen ze chris­te­nen wer­den en daar­aan wil de schrij­ver van de brief ze her­in­ne­ren. Deze inter­pre­ta­tie onder­steunt de cha­ris­ma­ti­sche the­o­rie (wassingen/​doop = water­doop een geest­doop) niet, maar hij past goed bij de leer van de brief aan de Hebreeën.

5.8 Luk­as 11: 5–13

13 Als u die slecht bent, uw kin­de­ren dus goe­de gaven weet te geven, hoe­veel te meer zal de hemel­se Vader de Hei­li­ge Geest geven aan hen die tot Hem bid­den? (Luk­as 11: 13)

Op grond van deze tekst orga­ni­se­ren cha­ris­ma­ti­sche en pink­ster­groe­pen spe­ci­a­le ont­moe­tin­gen, waar­in ze tot God om de “Hei­li­ge Geest” bid­den. Maar de con­text van deze tekst in Luk­as en ook de Griek­se oor­spron­ke­lij­ke tekst onder­steu­nen deze inter­pre­ta­tie niet. In de Griek­se tekst staat alleen “die Hem vra­gen” en niet “die Hem om de Hei­li­ge Geest vra­gen”. Als we naar de con­text kij­ken, leert Jezus zijn dis­ci­pe­len te bid­den en als bemoe­di­ging spreekt Hij erover, hoe God over ons gebed denkt. In de ver­wijstekst in Mat­the­üs 7: 11 staat in plaats van de “Hei­li­ge Geest”, “goe­de gaven”. Daar­mee wil Jezus zeg­gen dat we tot God kun­nen keren als tot een lief­heb­ben­de Vader, als we hulp nodig heb­ben en als het­geen waar­voor we bid­den naar Zijn wil is (1 Johan­nes 5: 14). In de ver­sie van het evan­ge­lie van Luk­as wil Jezus nog bena­druk­ken dat het bes­te wat God aan de bid­den­de men­sen wil geven, de Hei­li­ge Geest is. Alle ver­de­re goe­de din­gen, die God geeft, geeft Hij door de gemeen­schap, de lei­ding en de ster­king van de Hei­li­ge Geest. De eer­ste ver­vul­ling van deze belof­te kwam tij­dens Pink­ste­ren, toen de dis­ci­pe­len van Jezus de Hei­li­ge Geest ontvingen.

6 Samen­vat­ting

Het leven van een chris­ten begint met de beslis­sing zich van de zon­de af te keren en Jezus te vol­gen. Gods ant­woord op deze beslis­sing is een direc­te en rij­ke uit­gie­ting van de Geest in het hart van de nieuw­be­keer­de, zodat hij kan erva­ren dat God hem als Zijn kind heeft aan­ge­no­men. Door de Geest kan hij de lief­de, de vre­de en de kracht van God in de strijd tegen de zon­de ervaren.
De Hei­li­ge Geest ver­vult zijn hart zodat hij zijn broe­ders kan lief­heb­ben en ande­re men­sen die God nog niet ken­nen. Hij helpt hem om de gezon­de leer van Jezus te begrij­pen en met ande­re chris­te­nen tot een­heid te komen. Geen chris­ten moet na zijn beke­ring op de doop met de Hei­li­ge Geest wach­ten, omdat God hem als zijn geliefd kind de vol­heid wil geven.

Maar allen die Hem aan­ge­no­men heb­ben, hun heeft Hij macht gege­ven kin­de­ren van God te wor­den, name­lijk die in Zijn Naam gelo­ven; die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God gebo­ren zijn. En het Woord is vlees gewor­den en heeft onder ons gewoond (en wij heb­ben Zijn heer­lijk­heid gezien, een heer­lijk­heid als van de Enig­ge­bo­re­ne van de Vader), vol van gena­de en waar­heid. Johan­nes getuigt van Hem en heeft geroe­pen: Híj was het van Wie ik zei: Hij Die na mij komt, is vóór mij gewor­den, want Hij was er eer­der dan ik. En uit Zijn vol­heid heb­ben wij allen ont­van­gen, en wel gena­de op gena­de. (Johan­nes 1: 12–16)


Voetnoten

  1. Ze zijn het er ook mee eens, dat in som­mi­ge geval­len deze bei­de gebeur­te­nis­sen tege­lij­ker­tijd kun­nen plaats­vin­den, of ook, dat de doop met de Hei­li­ge Geest voor de water­doop kan plaats­vin­den. Maar zul­ke geval­len wor­den als uit­zon­de­rin­gen beschouwd, en ze zeg­gen dat in een nor­maal geval na de beke­ring en de doop met water eni­ge tijd moet ver­strij­ken. Het teken van deze doop met de Hei­li­ge Geest is nor­maal gespro­ken de gave van het spre­ken in klank­taal. In dit onder­werp gaat het over de weer­leg­ging van de wijdstver­brei­de leer over de doop met de Hei­li­ge Geest. We zijn ons bewust van het feit, dat niet alle cha­ris­ma­ti­sche en pink­ster­groe­pen er in dit punt het­zelf­de over denken.
  2. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.
  3. God wil­de zijn Drie-eni­ge natuur op die manier open­ba­ren. Eerst maakt Hij Zijn Zoon bekend, die in Jezus vlees gewor­den is. Dan stuurt Hij de Hei­li­ge Geest pas nadat Jezus weg­ging om de men­sen te hel­pen om te begrij­pen dat Hij een eigen per­soon in de Drie-een­heid is. We zien dat in het bij­zon­der door Johan­nes 14, dat het werk van de drie “per­so­nen” niet echt kan wor­den geschei­den. Meer daar­over is te lezen in ons onder­werp over Drie-eenheid!
  4. Hoe­wel de weder­ge­boor­te en ver­nieu­wing hier met het woord „en“ zijn ver­bon­den, heb­ben ze betrek­king op dezelf­de inhoud, waar­bij ze ver­schil­len­de aspec­ten bena­druk­ken. Het is een bekend stijl­mid­del uit de bij­bel dat „paral­lel­lis­me“ wordt genoemd. Hier vin­den we een „com­ple­te­rend paral­lel­lis­me“, zoals hij bij­voor­beeld ook in Psalm 46: 2 te vin­den is: „God is ons een toe­vlucht en ves­ting; Hij is in hoge mate een hulp geble­ken in benauwd­he­den.“. Het twee­de deel is toe­ge­voegd om het eer­ste deel te completeren.
  5. De moge­lijk­heid van een vle­se­lijk chris­ten­dom is nor­maal gespro­ken op een ver­keer­de inter­pre­ta­tie van 1 Korin­the 3: 1–4 geba­seerd. Pau­lus noemt chris­te­nen in Korin­the vle­se­lijk, omdat afgunst, ruzie en twee­dracht onder hen voor­ko­men, dus wer­ken van het vlees. Vol­gens Gala­ten 5: 19–21 zul­len dege­nen die zul­ke din­gen doen het rijk van God niet erven. Ook de chris­te­nen in Korin­the moe­ten zich van zul­ke zon­den beke­ren. De oor­zaak van hun vle­se­lijk­heid ligt er niet aan, dat ze nog niet met de Geest zijn gedoopt, maar aan hun onge­hoor­zaam­heid. Daar­om is de oplos­sing niet het bid­den om de doop met de Hei­li­ge Geest, maar de strijd tegen de zon­de. (Gala­ten 5: 13–15; 1 Korin­the 3: 16–18).
  6. Cha­ris­ma­ti­sche en Pink­ster­groe­pen zijn het onder elkaar niet eens over dit punt. Som­mi­ge leren dat iemand, die zich bekeert een beet­je Geest krijgt en dan later de vol­heid. Ande­re zeg­gen dat de Hei­li­ge Geest bij de beke­ring hele­maal niet in het hart intrekt en dat dit pas later bij de doop met de Hei­li­ge Geest gebeurt. In bei­de leren wor­den natuur­lijk uit­zon­de­rin­gen toegelaten.
  7. De Griek­se term “gen­nao ano­then” kan 2 din­gen bete­ke­nen: weder­ge­bo­ren, of, van boven gebo­ren (ver­ge­lijk de bete­ke­nis “ano­then” in Johan­nes 19: 11 en 23).
  8. We vin­den een soort­ge­lij­ke uit­druk­king in Luk­as 1: 35: “En de engel ant­woord­de en zei tegen haar (Maria): De Hei­li­ge Geest zal over u komen en de kracht van de Aller­hoog­ste zal u over­scha­du­wen. Daar­om ook zal het Hei­li­ge Dat uit u gebo­ren zal wor­den, Gods Zoon genoemd wor­den.” Hier heeft het komen van de Geest over Maria betrek­king op het mach­ti­ge wer­ken van de Geest bij de ver­wek­king van Jezus in de maagd Maria.
  9. In deze situ­a­tie en later toen Cor­ne­li­us zich bekeer­de, kun­nen we de spe­ci­a­le toe­pas­sing van het Sleu­tel­ge­zag zien, die Jezus aan Pet­rus toe­ver­trouwd had (Mat­the­üs 16: 19). In de hoofd­stuk­ken 2, 8 en 10 van Han­de­lin­gen geeft Luk­as stap voor stap het bericht over de uit­brei­ding van het Chris­ten­dom: 1. Joden uit de ver­strooi­ing (Dias­po­ra), de 2. Sama­ri­ta­nen en 3. Heidenen.
  10. de HSV ver­taalt “vurig van geest” maar in de Griek­se oor­spron­ke­lij­ke tekst staat “bran­dend (kokend) in de Geest”. Er is maar 1 ande­re tekst in het Nieu­we Tes­ta­ment, waar dezelf­de Griek­se uit­druk­king ook wordt gebruikt: Romei­nen 12: 11. Daar gaat het zon­der twij­fel over chris­te­nen die de Hei­li­ge Geest hebben.


Ze zijn het er ook mee eens, dat in som­mi­ge geval­len deze bei­de gebeur­te­nis­sen tege­lij­ker­tijd kun­nen plaats­vin­den, of ook, dat de doop met de Hei­li­ge Geest voor de water­doop kan plaats­vin­den. Maar zul­ke geval­len wor­den als uit­zon­de­rin­gen beschouwd, en ze zeg­gen dat in een nor­maal geval na de beke­ring en de doop met water eni­ge tijd moet ver­strij­ken. Het teken van deze doop met de Hei­li­ge Geest is nor­maal gespro­ken de gave van het spre­ken in klank­taal. In dit onder­werp gaat het over de weer­leg­ging van de wijdstver­brei­de leer over de doop met de Hei­li­ge Geest. We zijn ons bewust van het feit, dat niet alle cha­ris­ma­ti­sche en pink­ster­groe­pen er in dit punt het­zelf­de over denken.

Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.

God wil­de zijn Drie-eni­ge natuur op die manier open­ba­ren. Eerst maakt Hij Zijn Zoon bekend, die in Jezus vlees gewor­den is. Dan stuurt Hij de Hei­li­ge Geest pas nadat Jezus weg­ging om de men­sen te hel­pen om te begrij­pen dat Hij een eigen per­soon in de Drie-een­heid is. We zien dat in het bij­zon­der door Johan­nes 14, dat het werk van de drie “per­so­nen” niet echt kan wor­den geschei­den. Meer daar­over is te lezen in ons onder­werp over Drie-eenheid!

Hoe­wel de weder­ge­boor­te en ver­nieu­wing hier met het woord „en“ zijn ver­bon­den, heb­ben ze betrek­king op dezelf­de inhoud, waar­bij ze ver­schil­len­de aspec­ten bena­druk­ken. Het is een bekend stijl­mid­del uit de bij­bel dat „paral­lel­lis­me“ wordt genoemd. Hier vin­den we een „com­ple­te­rend paral­lel­lis­me“, zoals hij bij­voor­beeld ook in Psalm 46: 2 te vin­den is: „God is ons een toe­vlucht en ves­ting; Hij is in hoge mate een hulp geble­ken in benauwd­he­den.“. Het twee­de deel is toe­ge­voegd om het eer­ste deel te completeren.

De moge­lijk­heid van een vle­se­lijk chris­ten­dom is nor­maal gespro­ken op een ver­keer­de inter­pre­ta­tie van 1 Korin­the 3: 1–4 geba­seerd. Pau­lus noemt chris­te­nen in Korin­the vle­se­lijk, omdat afgunst, ruzie en twee­dracht onder hen voor­ko­men, dus wer­ken van het vlees. Vol­gens Gala­ten 5: 19–21 zul­len dege­nen die zul­ke din­gen doen het rijk van God niet erven. Ook de chris­te­nen in Korin­the moe­ten zich van zul­ke zon­den beke­ren. De oor­zaak van hun vle­se­lijk­heid ligt er niet aan, dat ze nog niet met de Geest zijn gedoopt, maar aan hun onge­hoor­zaam­heid. Daar­om is de oplos­sing niet het bid­den om de doop met de Hei­li­ge Geest, maar de strijd tegen de zon­de. (Gala­ten 5: 13–15; 1 Korin­the 3: 16–18).

Cha­ris­ma­ti­sche en Pink­ster­groe­pen zijn het onder elkaar niet eens over dit punt. Som­mi­ge leren dat iemand, die zich bekeert een beet­je Geest krijgt en dan later de vol­heid. Ande­re zeg­gen dat de Hei­li­ge Geest bij de beke­ring hele­maal niet in het hart intrekt en dat dit pas later bij de doop met de Hei­li­ge Geest gebeurt. In bei­de leren wor­den natuur­lijk uit­zon­de­rin­gen toegelaten.

De Griek­se term “gen­nao ano­then” kan 2 din­gen bete­ke­nen: weder­ge­bo­ren, of, van boven gebo­ren (ver­ge­lijk de bete­ke­nis “ano­then” in Johan­nes 19: 11 en 23).

We vin­den een soort­ge­lij­ke uit­druk­king in Luk­as 1: 35: “En de engel ant­woord­de en zei tegen haar (Maria): De Hei­li­ge Geest zal over u komen en de kracht van de Aller­hoog­ste zal u over­scha­du­wen. Daar­om ook zal het Hei­li­ge Dat uit u gebo­ren zal wor­den, Gods Zoon genoemd wor­den.” Hier heeft het komen van de Geest over Maria betrek­king op het mach­ti­ge wer­ken van de Geest bij de ver­wek­king van Jezus in de maagd Maria.

In deze situ­a­tie en later toen Cor­ne­li­us zich bekeer­de, kun­nen we de spe­ci­a­le toe­pas­sing van het Sleu­tel­ge­zag zien, die Jezus aan Pet­rus toe­ver­trouwd had (Mat­the­üs 16: 19). In de hoofd­stuk­ken 2, 8 en 10 van Han­de­lin­gen geeft Luk­as stap voor stap het bericht over de uit­brei­ding van het Chris­ten­dom: 1. Joden uit de ver­strooi­ing (Dias­po­ra), de 2. Sama­ri­ta­nen en 3. Heidenen.

de HSV ver­taalt “vurig van geest” maar in de Griek­se oor­spron­ke­lij­ke tekst staat “bran­dend (kokend) in de Geest”. Er is maar 1 ande­re tekst in het Nieu­we Tes­ta­ment, waar dezelf­de Griek­se uit­druk­king ook wordt gebruikt: Romei­nen 12: 11. Daar gaat het zon­der twij­fel over chris­te­nen die de Hei­li­ge Geest hebben.