Echt­schei­ding en her­trouw uit het oog­punt van de bijbel

De foto toont een moeder die alleen met haar twee kinderen op pad is. Het is een trieste ervaring met de gevolgen van een scheiding.

Waar­over gaat het in dit artikel?
Wij wil­len ons in deze tekst bezig­hou­den met de uit­spra­ken in de Bij­bel over het vraag­stuk Echt­schei­ding en Her­trouw. Ook de woor­den van Jezus uit Mat­the­üs 19, die vaak als „behal­ve in het geval van ontucht“ wor­den ver­taald zijn niet in strijd met het de dui­de­lij­ke ver­wer­ping van de echt­schei­ding in ande­re tek­sten van het Nieu­we Tes­ta­ment. Ook als de wet van het Oude Tes­ta­ment door de zon­den van de men­sen toe­stem­ming gaf voor de schei­ding, was het nooit de wil van God. Jezus heeft de wil van God in dit punt dui­de­lijk laten zien. Door zijn werk van ver­los­sing ver­an­dert Hij ons hart en daar­door zijn wij in staat, vol­gens de wil van God de trouw te bewa­ren, ook als het door bepaal­de omstan­dig­he­den nodig kan zijn om niet meer samen op één plaats met de onge­lo­vi­ge part­ner te wonen. Ten slot­te schrij­ven we nog een paar gedach­ten, die kun­nen hel­pen voor oplos­sin­gen van de vaak vast­ge­lo­pen levens­si­tu­a­ties van van­daag de dag.

1 Is echt­schei­ding de oplossing?

Iemand lief te heb­ben bete­kent, dat je ernaar zoekt wat het bes­te is voor de ander, ook als het met moei­lijk­he­den is ver­bon­den. Ook getrouw­de men­sen wor­den door situ­a­ties altijd weer opge­roe­pen om zich­zelf te ver­loo­che­nen. Juist als er pro­ble­men zijn, kan de ver­zoe­king ont­staan, voor de mak­ke­lij­ke­re weg te kie­zen en te schei­den of weer te trou­wen als mijn part­ner mij heeft ver­la­ten. Maar een huwe­lijk is een beslis­sing, die je niet meer onge­daan kunt maken, ook als je bij die beslis­sing je eigen gewe­ten hebt genegeerd.

Daar­om wil­len we ieder­een, die erover nadenkt om te schei­den of weer te trou­wen, bemoe­di­gen zich zon­der angst voor de woor­den van Jezus te ope­nen. Jezus laat ons niet alleen de weg zien, maar Hij helpt ons ook die weg te gaan, ook als we het ons nu nog niet kun­nen voorstellen.

We zul­len meer­de­re Bij­bel­tek­sten voor het onder­werp Schei­ding en Her­trouw cite­ren. Zij laten zien, dat Jezus de onvoor­waar­de­lij­ke trouw tot elkaar ver­wacht, die tot de dood duurt. Na de tek­sten volgt een pre­cie­ze­re uitleg.

2 Dui­de­lij­ke Bij­bel­tek­sten over het onder­werp Schei­ding en Hertrouw

Deze tek­sten uit het Nieu­we Tes­ta­ment laten ons zien, dat de wil van God het mono­ga­me huwe­lijk is, wat bete­kent dat één man en één vrouw elkaar trouw zijn tot de dood:

Ieder die zijn vrouw ver­stoot en met een ande­re trouwt, pleegt over­spel en ieder die met een vrouw trouwt die door haar man ver­sto­ten is, pleegt ook over­spel. (Luk­as 16:18)[1]

En de Fari­zee­ën kwa­men naar Hem toe en vroe­gen Hem, om Hem te ver­zoe­ken, of het een man geoor­loofd is zijn vrouw te ver­sto­ten. Maar Hij ant­woord­de en zei tegen hen: Wat heeft Mozes u gebo­den? En zij zei­den: Mozes heeft toe­ge­staan een echt­schei­dings­brief te schrij­ven en haar te ver­sto­ten. En Jezus ant­woord­de hun: Van­we­ge de hard­heid van uw hart heeft hij dat gebod voor u geschre­ven. Maar van­af het begin van de schep­ping heeft God hen man­ne­lijk en vrou­we­lijk gemaakt. Daar­om zal een man zijn vader en zijn moe­der ver­la­ten en zich aan zijn vrouw hech­ten; en die twee zul­len tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Dus, wat God samen­ge­voegd heeft, laat de mens dat niet schei­den. En thuis stel­den Zijn dis­ci­pe­len Hem hier­over opnieuw vra­gen. En Hij zei tegen hen: Wie zijn vrouw ver­stoot en met een ande­re trouwt, pleegt over­spel tegen haar. En als een vrouw haar man ver­stoot en met een ande­re trouwt, pleegt zij ook over­spel. (Mar­kus 10:2–12)

Maar de gehuw­den beveel ik – niet ik, maar de Hee­re – dat een vrouw niet zal schei­den van haar man, – en als zij toch gaat schei­den, moet zij onge­huwd blij­ven of zich met haar man ver­zoe­nen – en dat een man zijn vrouw niet zal ver­la­ten. (1 Korin­the 7: 10–11)

Want de gehuw­de vrouw is door de wet gebon­den aan de man zolang hij leeft. Als de man ech­ter gestor­ven is, is zij ont­sla­gen van de wet die haar aan de man bond. Daar­om dan, als zij de vrouw van een ande­re man wordt ter­wijl haar man leeft, zal zij een over­spe­li­ge genoemd wor­den. Als haar man ech­ter gestor­ven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen over­spe­li­ge is als zij de vrouw van een ande­re man wordt. (Romei­nen 7: 2–3)

Al in het Oude Tes­ta­ment ver­werpt God Echt­schei­ding op een dui­de­lij­ke manier:

In de twee­de plaats doet u dit: het altaar van de HEERE bedek­ken met tra­nen, met geween en gekerm, omdat Hij Zich niet lan­ger tot het graan­of­fer wendt en dat in wel­ge­val­len uit uw hand aan­neemt. Dan zegt u: Waar­om? Omdat de HEERE Getui­ge is tus­sen u en de vrouw van uw jeugd, tegen wie ú trou­we­loos han­delt, ter­wijl zíj toch uw met­ge­zel­lin en de vrouw van uw ver­bond is. Heeft Hij er niet maar één gemaakt, hoe­wel Hij nog geest over­had? En waar­om die ene? Hij zocht een god­de­lijk nage­slacht. Daar­om, wees op uw hoe­de met uw geest, en han­del niet trou­we­loos tegen de vrouw van uw jeugd. Want de HEERE, de God van Isra­ël, zegt dat Hij het weg­stu­ren van de eigen vrouw haat, hoe­wel men het geweld bedekt met zijn gewaad, zegt de HEERE van de leger­mach­ten. Wees dus op uw hoe­de met uw geest en han­del niet trou­we­loos. (Malea­chi 2: 13–16)

3 Behal­ve bij ontucht /​ hoe­re­rij?

In het evan­ge­lie van Mat­the­üs zijn er twee tek­sten (Mat­the­üs 5:31–32 en Mat­the­üs 19: 1–12), waar het erop lijkt dat er een uit­zon­de­ring moge­lijk is in het geval van sek­su­e­le mis­stap­pen. Waar­om vin­den wij deze zo belang­rij­ke uit­zon­de­ring niet in de ande­re evan­ge­lies en ook niet in de brie­ven van het Nieu­we Tes­ta­ment? Het evan­ge­lie van Mat­the­üs werd voor Jood­se lezers geschre­ven. Als volgt wil­len we laten zien, dat de Joden deze woor­den anders inter­pre­teer­den als de mees­te men­sen van­daag de dag. Helaas beïn­vloedt de manier van den­ken van van­daag de dag ook de Bij­bel­ver­ta­lin­gen. Daar­om moe­ten wij ons hier ook met ver­ta­lings­vraag­stuk­ken bezig­hou­den. We wil­len het zo kort moge­lijk houden.

3.1 Mat­the­üs 5: 32

De Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling ver­taalt deze tekst als volgt:

Er is ook gezegd: Wie zijn vrouw ver­stoot, moet haar een echt­schei­dings­brief geven. Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw ver­stoot om een ande­re reden dan hoe­re­rij, maakt dat zij over­spel pleegt; en wie met de ver­sto­te­ne trouwt, pleegt ook over­spel. (Mat­the­üs 5: 31–32)

Het Griek­se woord “parek­tos” wordt hier met “om een ande­re (reden)” ver­taald, maar het bete­kent let­ter­lijk iets wat “erbui­ten staat”, “niet wordt genoemd”, “uit­ge­slo­ten is” (Bijv. In 2 Korin­the 11:28 ver­taalt de NBV dit woord met “al het ande­re”. Het gaat hier niet over een uitzondering)

Een ver­ta­ling, die zo dicht moge­lijk bij de oor­spron­ke­lij­ke tekst past, zou als volgt luiden:

Er is ook gezegd: Wie zijn vrouw ver­sto­ten wil, moet haar een echt­schei­dings­brief geven. Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw ver­stoot (de reden van hoe­re­rij is uit­ge­slo­ten), maakt dat met het oog op haar het huwe­lijk wordt gebro­ken[2]; en wie met een ver­la­te­ne trouwt, pleegt echt­breuk.[3]

Ontucht was een alge­meen erken­de reden voor scheiding.

Jezus ver­wees in de con­text van Mat­the­üs 5 naar de Jood­se wet en Jood­se tra­di­ties. In de ver­zen 31–32 zin­speelt Hij op een tekst in Deuteronomium:

Wan­neer een man een vrouw geno­men heeft en met haar getrouwd is, en het gebeurt dat zij geen gena­de meer vindt in zijn ogen, omdat hij iets schan­de­lijks aan haar gevon­den heeft, en hij haar een echt­schei­dings­brief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis weg­stuurt, … (Deu­tero­no­mi­um 24: 1)

De uit­druk­king “iets schan­de­lijks” inter­pre­teer­den de rab­bijn­se scho­len van toen­ter­tijd als sek­su­e­le mis­stap­pen. Voor veel Joden was dat de eni­ge reden om te schei­den.[4]

Jezus brengt iets nieuws.

Jezus zegt: “Er is ook gezegd: … Maar Ik zeg u: …”. Blijk­baar leert Jezus hier iets nieuws, iets dat de Joden nog nooit heb­ben gehoord. In de con­text van de Berg­re­de (Mat­the­üs 5–7) ver­diept Jezus de gebo­den van God met het oog op rein­heid en lief­de. In Mat­the­üs 5: 21–48 noemt Jezus gebo­den uit het Oude Tes­ta­ment en zegt dan daar­over: “Maar ik zeg u”. Daar­mee wijst Hij door Zijn Woord op de oor­spron­ke­lij­ke dui­de­lij­ke wil van God in deze pun­ten, bij­voor­beeld in de ver­zen 21–22:

‘U hebt gehoord dat tegen uw voor­ou­ders gezegd is: U mag niet doden. Wie iemand doodt, moet zich ver­ant­woor­den voor de recht­bank. Maar ik zeg u: ieder die kwaad is op een ander, … (Mat­the­üs 5: 21–22, GNB96)

Als Jezus in Mat­the­üs 5:32 alleen bedoel­de, dat Hij het met de alge­meen erken­de reden voor schei­ding eens was, dan zou­den zijn uit­spra­ken over de Echt­schei­ding in deze con­text niet pas­sen. Hij zou dan niets nieuws bren­gen. (Het “nieu­we” dat door Jezus werd gebracht is trou­wens de “oude” eeu­wi­ge wil van God.)

Jezus leer­de hier dui­de­lijk dat de reden voor de schei­ding, die door de Joden alge­meen erkend was, niet meer geldt. Jezus sluit deze reden uit met de woor­den “de reden hoe­re­rij is uitgesloten”.

Maar dat bete­kent niet, dat iemand ver­plicht is in ieder geval met zijn huwe­lijks­part­ner samen te blij­ven, zelfs als Hij zich op een heel slech­te manier gedraagt. Het kan zelfs nodig zijn zich om reden van de slech­te levens­wan­del van de huwe­lijks­part­ner zich van hem af te zon­de­ren. De afzon­de­ring kan in bepaal­de geval­len ook de juri­di­sche vorm van een schei­ding heb­ben. Maar het Huwe­lijks­ver­bond blijft ook in dit geval toch bestaan, en daar­mee ook de ver­plich­ting tot huwe­lijks­trouw. Dat bete­kent dat een nieuw huwe­lijk niet meer moge­lijk is. Bij een schei­ding zou je het Huwe­lijks­ver­bond ont­bin­den en bei­de huwe­lijks­part­ners zou­den weer vrij zijn om te trou­wen. Maar dat werd door Jezus dui­de­lijk verworpen.

3.2 Mat­the­üs 19: 9

In het geval van Mat­the­üs 19: 9 zien we een soort­ge­lij­ke situ­a­tie als bij Mat­the­üs 5.

En de Fari­zee­ën kwa­men naar Hem toe om Hem te ver­zoe­ken en zei­den tegen Hem: Is het een man toe­ge­staan zijn vrouw om aller­lei rede­nen te ver­sto­ten? En Hij ant­woord­de en zei tegen hen: Hebt u niet gele­zen dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen van het begin af man­ne­lijk en vrou­we­lijk gemaakt heeft, en gezegd heeft: Daar­om zal een man zijn vader en moe­der ver­la­ten en zich aan zijn vrouw hech­ten, en die twee zul­len tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees? Dus, wat God samen­ge­voegd heeft, laat de mens dat niet schei­den. Zij zei­den tegen Hem: Waar­om heeft Mozes dan gebo­den een echt­schei­dings­brief te geven en haar te ver­sto­ten? Hij zei tegen hen: Mozes heeft van­we­ge de hard­heid van uw hart u toe­ge­staan uw vrouw te ver­sto­ten; maar van het begin af is het zo niet geweest. Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw ver­stoot anders dan om hoe­re­rij en met een ander trouwt, die pleegt over­spel, en wie met de ver­sto­te­ne trouwt, pleegt ook over­spel. Zijn dis­ci­pe­len zei­den tegen Hem: Als de zaak van de man met de vrouw er zo voor staat, is het beter niet te trou­wen. (Mat­the­üs 19:3–10)

In vers 9, waar in de geci­teer­de HSV-ver­ta­ling staat “anders dan om hoe­re­rij” staat in het Grieks: “niet wegens hoe­re­rij”. In het Grieks bestaan er voor het Neder­land­se woord “niet” twee woor­den. Het eer­ste is „μὴ /​ me“, en dat woord staat in vers 9 bij “niet wegens hoe­re­rij”. Het wordt nor­maal gespro­ken gebruikt als er din­gen ver­bo­den zijn. In het Nieu­we Tes­ta­ment vin­den we meer­de­re voor­beel­den, dat het woord me=niet zon­der werk­woord, dat uit zou leg­gen waar­over het gaat, wordt gebruikt. Men moet dan van­uit de con­text opma­ken wat er niet gedaan mag wor­den.[5] Jezus drukt hier dus uit, dat een bepaal­de reac­tie in het geval van sek­su­e­le mis­stap­pen er niet mag zijn. De con­text laat zien dat de reac­tie, die er niet mag zijn, de echt­schei­ding is. Er wordt dus bedoeld: “niet eens in het geval van ontucht”.

Ver­ge­lijk met Mar­kus 10:12

Mar­kus 10: 12 (ver­der boven al geci­teerd) laat ons zien dat het ook voor het omge­keer­de geval geldt, name­lijk als een vrouw haar man verlaat.

Mar­kus 10:1–12 beschrijft dezelf­de situ­a­tie als Mat­the­üs 19: 1–12. Op de vraag van de Fari­zee­ën, of het geoor­loofd is zich van de vrouw te schei­den om wat voor reden dan ook,[6] ver­wijst Jezus naar de orde van de schep­ping, dat man en vrouw één vlees zijn, en dat wat God samen­ge­voegd heeft, de mens niet mag schei­den. De schei­dings­brief, die Mozes had gebo­den werd alleen toe­ge­staan van­we­ge de hard­heid van hun har­ten. De oor­spron­ke­lij­ke wil van God was anders. Jezus “cor­ri­geert“ hier de wet. Het onver­bre­ke­lij­ke karak­ter van het Huwe­lijks­ver­bond is geba­seerd op de orde van de schepping.

Ook de reac­tie van de dis­ci­pe­len in Mat­the­üs 19: 10[7] laat ons zien, dat de leer van Jezus in dit punt voor hen hele­maal nieuw was. Vol­gens de Jood­se wet was schei­ding en her­trouw toe­ge­staan bij sek­su­e­le zon­den van de vrouw (vol­gens Rab­bijn Scham­mai). De dis­ci­pe­len begre­pen door de woor­den van Jezus, dat vol­gens de wil van God het Huwe­lijks­ver­bond niet kan wor­den opge­he­ven, niet eens in het geval van sek­su­e­le zon­den van de vrouw. Met het oog daar­op vra­gen de dis­ci­pe­len of het dan über­haupt raad­zaam is om te trou­wen. Zo laat ons deze reac­tie van de dis­ci­pe­len ook zien, dat Jezus iets bracht wat hele­maal nieuw was. Als Jezus had geleerd dat de echt­ge­noot na een schei­ding wegens echt­breuk weer zou mogen trou­wen, dan zou Hij het­zelf­de heb­ben geleerd als veel ande­re Joden en dan had dat ook niet deze ver­baas­de reac­tie bij de dis­ci­pe­len veroorzaakt.

3.3 Over deze twee teksten

Zowel in Mat­the­üs 5: 32 als ook in Mat­the­üs 19: 9 zien we, dat de wet van Mozes over de echt­schei­dings­brief (Deu­tero­no­mi­um 24: 1) in de ach­ter­grond staat. Jezus laat in bei­de tek­sten zien, dat de bere­de­ne­ring van de echt­schei­ding met ontucht niet de wil van God is. Omdat het vraag­stuk over de uit­leg van Deu­tero­no­mi­um 24: 1 hoofd­za­ke­lijk belang­rijk was voor chris­te­nen die uit het Joden­dom kwa­men, is het niet ver­won­der­lijk, dat we deze twee ver­zen, waar Jezus zegt dat zelfs ontucht geen reden voor een echt­schei­ding kan zijn (met de moge­lijk­heid om weer te trou­wen), alleen in Mat­the­üs zijn te vin­den.[8] Hij schreef zoals boven­ge­noemd aan chris­te­nen met een Jood­se ach­ter­grond. Mar­kus en Luk­as wil­den hun lezers, die hoofd­za­ke­lijk uit het hei­den­dom kwa­men, niet bezig­hou­den met met de vraag over de inter­pre­ta­tie van de echt­schei­dings­brief in Deu­tero­no­mi­um 24: 1 en lie­ten daar­om deze woor­den van Jezus weg, die aan de Joden waren gericht.

Mat­the­üs 5: 32 en Mat­the­üs 19: 9 zijn daar­om in een­heid met alle ande­re woor­den van het Nieu­we Tes­ta­ment en spre­ken niet over een moge­lij­ke reden voor een echt­schei­ding, maar zeg­gen het tegen­deel, name­lijk dat de rede­nen voor een echt­schei­ding, die de Joden accep­teer­den, niet gel­dig zijn.

4 Waar­om was de echt­schei­ding in het Oude Tes­ta­ment toe­ge­staan en vol­gens de woor­den van Jezus niet meer?

Schei­ding was nooit de wil van God. Mozes stond de schei­ding wegens de onge­hoor­zaam­heid van het volk toe, omdat het helaas een treu­rig feit was, dat er in het Jood­se volk van God altijd maar heel wei­nig men­sen waren die wer­ke­lijk vol­gens de wil van God wil­den leven. De mees­te Joden waren meest­al heel onge­hoor­zaam. Daar­om had God in het Oude Tes­ta­ment schei­ding en her­trouw toe­ge­la­ten, omdat anders men­sen heel erg zou­den moe­ten lij­den onder de zon­den van ande­re men­sen. Om soci­a­le rede­nen was het voor een ver­sto­ten vrouw bij­na dwin­gend nodig om weer te trou­wen, omdat ze anders geen mate­ri­ë­le ver­zor­ging zou heb­ben en ook bij­na geen moge­lijk­heid om door kin­de­ren te wor­den ver­zorgd, als ze oud was. Daar­om gaf Mozes het gebod dat de man, die zijn vrouw ver­stoot, haar een echt­schei­dings­brief moest geven. Deze schei­dings­brief was een belang­rij­ke bescher­ming voor de vrouw, het bewijs, dat deze vrouw geen pros­ti­tu­ee is of bui­ten­ech­te­lij­ke geslachts­ge­meen­schap had (waar de dood­straf op stond), maar dat ze werd ver­sto­ten en dat ze legaal weer kan trouwen.

Wat in het volk van Isra­ël nooit moge­lijk was, dat ieder­een in gehoor­zaam­heid, lief­de en die­pe een­heid samen­leeft, ver­vul­de Jezus in de gemeen­te. In de gemeen­te zijn er geen onge­lo­vi­gen, maar ieder­een heeft de beslis­sing gemaakt om Jezus zon­der com­pro­mis­sen te vol­gen. Daar­om krij­gen de chris­te­nen door de Hei­li­ge Geest de kracht voor dit leven in de hei­li­ging, toe­wij­ding, lief­de en gehoor­zaam­heid. Alleen als je het gebod van Jezus over de broe­der­lij­ke lief­de wer­ke­lijk begrijpt en wilt leven, kan je ook zijn oproep begrij­pen, dat er voor God geen schei­ding bestaat en dat het voor een chris­ten ook moge­lijk is om zo te leven. Voor God geldt ieder huwe­lijk zo lang tot één huwe­lijks­part­ner sterft. In het geval dat één van de echt­ge­no­ten zich van een chris­ten wil schei­den, staat Pau­lus dit toe. Maar het geldt voor God niet als echt­schei­ding, waar­na je dan weer mag her­trou­wen, maar voor God zijn ze nog steeds getrouwd, maar kun­nen apart leven.

Het huwe­lijk is een ver­bond voor God en aan dat ver­bond moet je trouw blij­ven, ook als de huwe­lijks­part­ner dit ver­bond breekt. Als de onge­lo­vi­ge huwe­lijks­part­ner van een chris­ten wil schei­den – om wat voor reden dan ook – en de chris­ten zou weer trou­wen, dan zou hij niet alleen de huwe­lijks­trouw ver­bre­ken, maar hij betrekt ook zijn “nieu­we” part­ner diep in de zon­de van ontucht en echtbreuk.

Omdat de chris­te­nen als uit­druk­king van hun broe­der­lij­ke lief­de in gemeen­schap van goe­de­ren leven (Han­de­lin­gen 2: 44–47) is ook de soci­a­le ver­zor­ging van de chris­te­lij­ke vrouw, wiens onge­lo­vi­ge man bij haar is weg­ge­gaan, gewaar­borgd. Zij zal ook niet een­zaam zijn, omdat God iede­re chris­ten dage­lijks door de broe­der­lij­ke lief­de en een­heid onder elkaar, die­pe ver­vul­ling en vreug­de geeft.

5 Hoe moe­ten we de huwe­lij­ken van het “oude leven” (voor­dat iemand een chris­ten werd) beoordelen?

Daar­om, als iemand in Chris­tus is, is hij een nieu­we schep­ping: het oude is voor­bij­ge­gaan, zie, alles is nieuw gewor­den. (2 Korin­the 5: 17)

Dit is een heel belang­rijk woord van Pau­lus en laat zien wel­ke fun­da­men­te­le ver­an­de­ring het is, als iemand een chris­ten wordt. Maar het bete­kent niet dat al onze ver­plich­tin­gen uit het leven voor­dat we een chris­ten wer­den niet meer gelden.

laat uw woord ja ech­ter ja zijn en uw nee nee; … (Mat­the­üs 5: 37)

Dat geldt in het bij­zon­der ook voor de huwe­lijks­be­lof­te. Jezus bear­gu­men­teer­de de onver­bre­ke­lijk­heid van het huwe­lijk met de orde van de schep­ping, zoals we in 3.2 al uit­leg­den. De gedach­te dat huwe­lij­ken, die wer­den geslo­ten voor­dat iemand een chris­ten werd, niet gel­dig zou­den zijn en dat je daar­om zou kun­nen schei­den omdat je als chris­ten een nieuw leven begint is dus een val­se leer en een min­ach­ting van de woor­den van Jezus.

In 1 Korin­the 7 spreekt Pau­lus over Huwe­lij­ken, die voor de beke­ring wer­den gesloten:

Maar tegen de ande­ren zeg ík, niet de Hee­re: Als een broe­der een onge­lo­vi­ge vrouw heeft en zij ermee instemt bij hem te wonen, moet hij haar niet ver­la­ten. En als een vrouw een onge­lo­vi­ge man heeft en deze stemt ermee in bij haar te wonen, moet zij hem niet ver­la­ten. Want de onge­lo­vi­ge man is gehei­ligd door zijn vrouw en de onge­lo­vi­ge vrouw is gehei­ligd door haar man. Anders waren immers uw kin­de­ren onrein, maar nu zijn zij hei­lig. Maar als de onge­lo­vi­ge schei­den wil, laat hij schei­den. De broe­der of de zus­ter is in zul­ke geval­len niet gebon­den. God heeft ons ech­ter tot vre­de geroe­pen. (1 Korin­the 7:12–15)

Het prin­ci­pe dat Pau­lus hier beschrijft, is dat als de onge­lo­vi­ge het nieu­we leven van de chris­ten met een goe­de hou­ding accep­teert, ze niet uit elkaar moe­ten gaan. Als het toch tot een schei­ding komt (vers 15), moet Pau­lus niet her­ha­len, wat hij al in vers 11[9] schreef, name­lijk, dat de chris­ten óf alleen moet blij­ven óf zich met zijn huwe­lijks­part­ner moet verzoenen.

Op dit punt wil­len we nog eens wij­zen op Romei­nen 7:2–3. Hier for­mu­leert Pau­lus alge­me­ne uit­spra­ken over het huwe­lijk die voor alle men­sen gel­den, onge­acht of ze gelo­vi­gen (chris­te­nen) zijn of niet. Een per­soon is gebon­den aan zijn of haar echt­ge­noot zolang hij of zij leeft. Alleen wan­neer hij of zij sterft is het moge­lijk om een nieuw huwe­lijk aan te gaan.

6 Een paar gedach­ten over de hui­di­ge situatie

Van­daag de dag leven we helaas in een situ­a­tie, waar het “nor­ma­le geval”, zoals God het wil­de, name­lijk een huwe­lijk waar­in twee echt­ge­no­ten hun leven delen, trouw tot het ein­de van het leven, zoals ze het elkaar heb­ben beloofd bij de huwe­lijks­slui­ting, al een gro­te bij­zon­der­heid is gewor­den. “Patch­work­ge­zin­nen” wor­den steeds meer het nor­ma­le geval. Dat heeft dan ook zijn effect op de leer en de prak­tijk van de ver­schil­len­den “ker­ken” en reli­gi­eu­ze groeperingen.

Om de dui­de­lij­ke ver­wer­ping van een echt­schei­ding met het recht om weer te trou­wen beter te kun­nen begrij­pen is het ook goed om de posi­tie­ve waar­de van het huwe­lijk in het plan van de schep­ping van God voor ogen te hou­den. Het is ook belang­rijk altijd op een con­cre­te manier na te den­ken, hoe de fun­da­men­te­le leer van de bij­bel in de prak­tijk moet wor­den gebracht in de spe­ci­fie­ke situ­a­tie waar een mens in staat.

Jezus had in deze kwes­tie de oor­spron­ke­lij­ke dui­de­lijk­heid weer aan het licht gebracht, zodat zelfs zijn dis­ci­pe­len, die de prak­tijk van het Oude Tes­ta­ment over de Echt­schei­ding en Her­trouw ken­den, ervan schrokken.

Onder de chris­te­nen waren er zeker men­sen, die van­uit het Joden­dom of hei­den­dom kwa­men en al hun twee­de huwe­lijk had­den. We zien in de Hei­li­ge Schrift niet dat al deze men­sen hun twee­de huwe­lijk moesten ont­bin­den omdat ze hun huwe­lijk niet met het bewust­zijn had­den geslo­ten, dat ze iets doen dat door God abso­luut ver­bo­den is, ook als het voor een gelo­vi­ge, die vroe­ger Jood was, op zijn minst dui­de­lijk moest zijn dat God een echt­schei­ding niet als iets goeds ziet.

Als Pau­lus aan Timo­the­üs schreef dat een oud­ste in een gemeen­te maar de man van één enke­le vrouw mag zijn (1 Timo­the­üs 3:2), dan laat ons dat zien dat men­sen die (voor­dat ze chris­ten wer­den) her­trouwd waren geen oud­sten kon­den wor­den maar dat ze wel dege­lijk in de gemeen­te wer­den aan­ge­no­men. Wij kun­nen deze prak­tijk (dat men­sen hun twee­de huwe­lijk in de gemeen­te kun­nen voort­zet­ten) voor onze tijd maar gedeel­te­lijk over­ne­men, omdat het Nieu­we Tes­ta­ment van­daag de dag bekend is, en daar­door ook de dui­de­lij­ke posi­tie van Jezus in deze vraag. Daar­door is de onjuist­heid van een twee­de huwe­lijk bij veel men­sen ster­ker bewust als in de tijd van de eer­ste chris­te­nen. Het is zeker zo dat er veel van­af hangt met welk bewust­zijn het twee­de huwe­lijk werd geslo­ten. Als iemand een twee­de huwe­lijk begon ter­wijl hij wist dat dat tegen de wil van God is dan kan dit huwe­lijk niet als een huwe­lijk in de wil van God wor­den gezien. Het pro­bleem ligt immers vaak veel die­per; dat bij het slui­ten van het eer­ste huwe­lijk de gees­te­lij­ke vra­gen, voor­al hoe de huwe­lijks­part­ner voor God staat bui­ten beschou­wing werd gelaten.

Maar het is altijd nodig om het con­cre­te geval op een pre­cie­ze manier te onder­zoe­ken en op die manier eer­lijk naar de wil van God te zoe­ken. Ook in het geval, dat het resul­taat van dit eer­lij­ke onder­zoek is, dat het twee­de huwe­lijk niet kan wor­den voort­ge­zet, moe­ten ver­schil­len­de ande­re oog­pun­ten beke­ken wor­den. Voor­al als alle­bei de echt­ge­no­ten chris­te­nen zijn, dan zal de con­se­quen­tie niet een vol­le­di­ge afschei­ding zijn. Er zijn immers vaak ook veel gemeen­schap­pe­lij­ke taken, voor­al het opvoe­den van de kin­de­ren. Het is voor kin­de­ren zeker geen hulp, als ze zien dat de ouders zijn geschei­den. Maar in dit geval (als men tot de con­clu­sie is geko­men dat het twee­de huwe­lijk niet kan wor­den voort­ge­zet) kan de sek­su­e­le rela­tie in deze rela­tie geen plaats meer hebben.

7 Samen­vat­ting en bemoediging

Als iemand al geschei­den is als hij een chris­ten wordt, dan moet hij onge­trouwd blij­ven of zich met zijn huwe­lijks­part­ner ver­zoe­nen. Als de onge­lo­vi­ge wil schei­den van een chris­ten, dan moet de chris­ten dat toe­la­ten – (vers 15) “Maar als de onge­lo­vi­ge schei­den wil, laat hij schei­den. De broe­der of de zus­ter is in zul­ke geval­len niet gebon­den (let­ter­lijk: ver­slaafd). God heeft ons ech­ter tot vre­de geroepen.”

Dat de broe­der of zus­ter in zul­ke geval­len niet “ver­slaafd” is, bete­kent dat hij/​zij niet ver­oor­deeld is tot een gemeen­schap­pe­lijk leven met een onge­lo­vi­ge echtgeno(o)t(e) in onvre­de en pro­ble­men. Hij kan schei­den – en onge­trouwd blijven.

Met Hem wordt het “onmo­ge­lij­ke” moge­lijk. God helpt ons ook door de gemeen­schap met broe­ders en zus­ters in het geloof, die iede­re chris­ten nodig heeft: de gemeen­schap met hen die naar het woord van God luis­te­ren en het ook doen. Dat zijn onze broe­ders en zus­ters in Chris­tus, onze gees­te­lij­ke fami­lie, die tot in eeu­wig­heid blijft bestaan. Zo is een chris­ten ook zon­der huwe­lijks­part­ner nooit alleen. Zie daar­voor ook ons onder­werp “over het leven van de eer­ste chris­te­nen”


Voetnoten

  1. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.
  2. Deze ver­ta­ling wijst erop (in tegen­stel­ling tot de sinds de Vul­ga­ta gebrui­ke­lij­ke ver­ta­ling “ver­oor­zaakt, dat echt­breuk met haar wordt gepleegd”) dat de echt­breuk­han­de­ling door de echt­ge­noot wordt uit­ge­voerd, die zijn vrouw ver­stoot. Het gaat hier niet over echt­breuk in de streng­ste zin van het woord (een geslach­te­lij­ke rela­tie met een ande­re vrouw), maar het ver­sto­ten van de vrouw wordt hier al als echt­breuk­han­de­ling gezien.
  3. Een inten­sie­ve uit­leg over deze voor­ge­stel­de ver­ta­ling is in het Duits te vin­den in: Karl Staab, Die Unau­flöslich­keit der Ehe und die sog. „Ehe­bruchs­klau­seln“ bei Mt 5:32 und 19:9: Festschrift für E. Eich­mann, Pader­born 1940, 435–452
  4. Er was wel­is­waar ook een ande­re uit­leg (in de school van de rab­bijn Hil­lel), vol­gens wie de echt­schei­ding om veel, zelfs onbe­nul­li­ge reden was toegestaan.
  5. Zo zei­den de Jood­se lei­ders in Mat­the­üs 26: 5 “Niet tij­dens het feest, opdat er geen opschud­ding onder het volk komt.” In deze zin ont­breekt in het eer­ste gedeel­te het werk­woord. Van­uit de con­text wordt dui­de­lijk, dat de lei­ders wil­den dat Jezus niet tij­dens het feest zou wor­den gear­res­teerd (maar al voor het feest). De com­ple­te zin zou lui­den: “Niet tij­dens het feest (moet hij gear­res­teerd wor­den), opdat er geen opschud­ding onder het volk komt.”
  6. Het gaat hier – zoals bij Mat­the­üs 5: 32 – over de uit­leg van Deu­tero­no­mi­um 24: 1.
  7. Zijn dis­ci­pe­len zei­den tegen Hem: Als de zaak van de man met de vrouw er zo voor staat, is het beter niet te trouwen.
  8. De oud­ste geschrif­ten over het evan­ge­lie van Mat­the­üs (Papi­as, Ire­ne­üs, Ori­ge­nes) zijn van mening dat het aan lezers, die uit het Joden­dom komen is gericht. Ook cri­te­ria van­uit de inhoud van het evan­ge­lie (veel cita­ten uit /​ refe­ren­ties van het Oude Tes­ta­ment) wij­zen in die richting.
  9. … en als zij toch gaat schei­den, moet zij onge­huwd blij­ven of zich met haar man verzoenen …


Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.

Deze ver­ta­ling wijst erop (in tegen­stel­ling tot de sinds de Vul­ga­ta gebrui­ke­lij­ke ver­ta­ling “ver­oor­zaakt, dat echt­breuk met haar wordt gepleegd”) dat de echt­breuk­han­de­ling door de echt­ge­noot wordt uit­ge­voerd, die zijn vrouw ver­stoot. Het gaat hier niet over echt­breuk in de streng­ste zin van het woord (een geslach­te­lij­ke rela­tie met een ande­re vrouw), maar het ver­sto­ten van de vrouw wordt hier al als echt­breuk­han­de­ling gezien.

Een inten­sie­ve uit­leg over deze voor­ge­stel­de ver­ta­ling is in het Duits te vin­den in: Karl Staab, Die Unau­flöslich­keit der Ehe und die sog. „Ehe­bruchs­klau­seln“ bei Mt 5:32 und 19:9: Festschrift für E. Eich­mann, Pader­born 1940, 435–452

Er was wel­is­waar ook een ande­re uit­leg (in de school van de rab­bijn Hil­lel), vol­gens wie de echt­schei­ding om veel, zelfs onbe­nul­li­ge reden was toegestaan.

Zo zei­den de Jood­se lei­ders in Mat­the­üs 26: 5 “Niet tij­dens het feest, opdat er geen opschud­ding onder het volk komt.” In deze zin ont­breekt in het eer­ste gedeel­te het werk­woord. Van­uit de con­text wordt dui­de­lijk, dat de lei­ders wil­den dat Jezus niet tij­dens het feest zou wor­den gear­res­teerd (maar al voor het feest). De com­ple­te zin zou lui­den: “Niet tij­dens het feest (moet hij gear­res­teerd wor­den), opdat er geen opschud­ding onder het volk komt.”

Het gaat hier – zoals bij Mat­the­üs 5: 32 – over de uit­leg van Deu­tero­no­mi­um 24: 1.

Zijn dis­ci­pe­len zei­den tegen Hem: Als de zaak van de man met de vrouw er zo voor staat, is het beter niet te trouwen.

De oud­ste geschrif­ten over het evan­ge­lie van Mat­the­üs (Papi­as, Ire­ne­üs, Ori­ge­nes) zijn van mening dat het aan lezers, die uit het Joden­dom komen is gericht. Ook cri­te­ria van­uit de inhoud van het evan­ge­lie (veel cita­ten uit /​ refe­ren­ties van het Oude Tes­ta­ment) wij­zen in die richting.

… en als zij toch gaat schei­den, moet zij onge­huwd blij­ven of zich met haar man verzoenen …