Het leven van de eer­ste christenen

Het kweken van tulpenbollen symboliseert de eerste oogst van het nieuw gekozen volk van God.

1 Waar­om wij iets over het leven van de eer­ste chris­te­nen schrijven

In dit arti­kel beschrij­ven wij het leven van de eer­ste chris­te­nen. Maar het doel is niet alleen maar te beschrij­ven hoe ze leef­den en hoe ze dach­ten. Dit onder­werp is eer­der als een uit­no­di­ging bedoeld om erover na te den­ken waar­om de eer­ste chris­te­nen zo leefden.

De mening is wijd­ver­breid dat we van­daag de dag niet meer kun­nen leven zoals de chris­te­nen in de tijd van het Nieu­we Tes­ta­ment. De reden die wordt genoemd is dat dat door de heden­daag­se omstan­dig­he­den niet meer gaat. Ande­re zeg­gen, dat de men­sen in de vroe­ge kerk alleen in hun eer­ste geest­drift en enthou­si­as­me hun leven op zo een inten­sie­ve manier met elkaar deelden.

Wij wil­len laten zien, dat het leven van de eer­ste chris­te­nen een voort­zet­ting was van wat de dis­ci­pe­len zagen in het leven van Jezus, hun mees­ter. Zij begre­pen dat ze door de toe­wij­ding van Jezus wer­ke­lijk kon­den zien, hoe wij God moe­ten die­nen. De eer­ste chris­te­nen zagen dat het vol­gen van Jezus pre­cies dát bete­kent: bereid te zijn het hele leven net zoals Hij voor God, voor de broe­ders en voor de groei van het rijk van God in te zet­ten, wat het ook kost met betrek­king op je eigen leven. Dat was toen­der­tijd zo en kan van­daag niet anders zijn.

Maar van­daag de dag ziet men vaak een zon­dags- en hobby-”christendom”. Dit is geen nood­za­ke­lijk resul­taat van ver­an­der­de maat­schap­pe­lij­ke omstan­dig­he­den. Het is eer­der een uit­druk­king van het feit dat men­sen wel­is­waar in de hemel wil­len komen, maar niet bereid zijn op de smal­le weg te lopen om Jezus te vol­gen. Ook in de tijd van Jezus waren er men­sen met zo een hou­ding, en hij waar­schuwt ze:

Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder, die tot Mij komt en mijn woor­den hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bou­wen van een huis diep gegra­ven en het fun­da­ment op de rots gelegd heeft. Toen een water­vloed kwam en de stroom tegen dat huis aan­sloeg, kon hij het niet aan het wan­ke­len bren­gen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zon­der fun­da­ment. Toen de stroom daar tegen­aan sloeg, stort­te het ter­stond in en het huis werd één gro­te bouw­val. (Luk­as 6: 46–49)[1]

2 “Zij lie­ten alles ach­ter en volg­den Hem” – De tijd van de dis­ci­pe­len met Jezus

Toen Johan­nes de Doper begon zijn land­ge­no­ten te dopen en tot beke­ring te roe­pen, om hen voor te berei­den op de komst van de Mes­si­as, was Jezus nog niet met zijn open­lij­ke bedie­ning begon­nen. Johan­nes was een aan­trek­kings­punt voor veel Joden, voor­al voor dege­nen onder hen, die er vast op hoop­ten, dat God niet lang meer zou wach­ten met het zen­den van de beloof­de Hei­land. Onder hen waren dege­nen die later de intiem­ste ver­trou­we­lin­gen van Jezus zou­den worden.

Johan­nes de Doper getuig­de sinds de doop van Jezus dui­de­lijk dat Jezus de Knecht van God is, die Isra­ël zal ver­los­sen. Johan­nes wees de men­sen die naar hem toe­kwa­men naar op Jezus en daar­door ver­schoof het mid­del­punt van de Mes­si­as-bewe­ging van Johan­nes naar Jezus.

Van de vele men­sen, die naar Jezus toe­kwa­men om naar hem te luis­te­ren en die hem van tijd tot tijd bege­leid­den, koos Jezus 12 man­nen, die de hele tijd bij hem zou­den blij­ven[2]. Aan deze ”apos­te­len” leg­de hij veel din­gen in het bij­zon­der uit. Zij leer­den hem het intiemst ken­nen en wer­den door hem geleerd en gevormd om later hun cen­tra­le ver­ant­woor­ding voor het vor­men van het nieu­we volk van God, de kerk, te kun­nen dragen.

Toen men Jezus een keer vroeg, wat het belang­rijk­ste gebod is, zei hij:

Jezus ant­woord­de: Het eer­ste is: Hoor, Isra­ël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, lief­heb­ben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw ver­stand en uit geheel uw kracht. Het twee­de is dit: Gij zult uw naas­te lief­heb­ben als uzelf. Een ander gebod, gro­ter dan deze, bestaat niet. (Mar­kus 12: 29–31)

In de laat­ste nacht voor zijn dood gaf Jezus de dis­ci­pe­len een nieuw gebod: ”elkaar lief te heb­ben, zoals hij hen lief­had”[3]. Dit bete­kent dat hij zijn eigen leven als voor­beeld gaf voor de ver­vul­ling van het hoog­ste gebod van de lief­de. De omvang van deze lief­de begre­pen de dis­ci­pe­len op dit tijd­stip nog niet, omdat Hij het groot­ste bewijs van zijn lief­de — de stap om de weg te gaan van de onrecht­vaar­di­ge en gru­we­lij­ke dood aan het kruis — noch niet had vol­bracht. Maar door het dage­lijk­se samen­zijn met Jezus had­den ze toch al veel gezien:

3 “Waar­om zoekt u de leven­de bij de doden?” – Van Golg­ot­ha tot Pinksteren

Hoe­wel Jezus zijn dis­ci­pe­len erop had voor­be­reid, dat Hij zou ster­ven en op zou staan[11], was zijn dood voor hen een cata­stro­fe, die hun hoop leek te begra­ven. Maar op de der­de dag open­baar­de hij zich aan hen na zijn opstan­ding. De weken die daar­op volg­den waren ze samen met de opge­sta­ne Jezus en dat was een tijd waar­in ze op een inten­sie­ve manier hun denk­pa­troon moesten ver­an­de­ren. Ze leer­den alles in een nieuw licht te zien. Het werd voor hen toen dui­de­lijk dat de Mes­si­as niet iemand is, die een aards rijk van vre­de sticht en alle God­de­lo­zen zou doden. Maar het rijk van God moest in het onkruid van deze wereld goe­de vruch­ten dra­gen. De dis­ci­pe­len moesten de bood­schap van Jezus in de hele wereld pre­di­ken. Zij moesten over­al de Gena­de van God ver­kon­di­gen, Die uit lief­de Mens is gewor­den. In Jezus kwam God zelf in de wereld. Met zijn toe­wij­ding wil­de hij de men­sen tot berouw van hun ver­zet of onver­schil­lig­heid tegen­over hun lief­heb­ben­de schep­per en tot een leven van naas­ten­lief­de en lief­de tot God lei­den. Dat is de weg van de ver­los­sing en daar­voor moesten de dis­ci­pe­len van Jezus van toen af aan hun leven geven.

Bij het Pink­ster­feest ont­vin­gen ze de Hei­li­ge Geest. Dat was de door­slag­ge­ven­de impuls om uit te gaan en te pre­di­ken. Gods Geest hielp hen hun angst te over­win­nen en gaf ze de woor­den, die de har­ten van de men­sen raak­ten. Een gro­te groep van Joden, die bij het Pink­ster­feest in Jeru­za­lem waren, geloof­den het getui­ge­nis van de dis­ci­pe­len over de opstan­ding van Jezus en dat Hij de door God gestuur­de Mes­si­as was. Daar­mee begon de eigen­lij­ke geschie­de­nis van de kerk.

4 “Wat moe­ten wij doen, man­nen broe­ders?” – Het ont­staan en het leven van de gemeente

In Han­de­lin­gen 2:32–47 vin­den we de vol­gen­de tekst. In deze tekst staat het laat­ste gedeel­te van de pre­di­king, die Pet­rus na de uit­stor­ting van de Hei­li­ge Geest[12] hield voor de Joden in Jeru­za­lem en ook de reac­tie van die­ge­nen, die toen geloofden:

Deze Jezus heeft God opge­wekt, waar­van wij allen getui­gen zijn. Nu Hij dan door de rech­ter­hand Gods ver­hoogd is en de belof­te des hei­li­gen Gees­tes van de Vader ont­van­gen heeft, heeft Hij dit uit­ge­stort, wat gíj en ziet en hoort. Want David is niet opge­va­ren naar de heme­len, maar hij zegt zelf:
De Here heeft gezegd tot mijn Here:
Zet U aan mijn rech­ter­hand, tot­dat Ik uw vij­an­den gemaakt heb tot een voet­bank voor uw voeten.
Dus moet ook het gan­se huis Isra­ëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Chris­tus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekrui­sigd hebt.
Toen zij dit hoor­den, wer­den zij diep in hun hart getrof­fen, en zij zei­den tot Pet­rus en de ande­re apos­te­len: Wat moe­ten wij doen, man­nen broe­ders? En Pet­rus ant­woord­de hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Chris­tus, tot ver­ge­ving van uw zon­den, en gij zult de gave des hei­li­gen Gees­tes ont­van­gen. Want voor u is de belof­te en voor uw kin­de­ren en voor allen, die ver­re zijn, zove­len als de Here, onze God, ertoe roe­pen zal. En met nog meer ande­re woor­den getuig­de hij, en hij ver­maan­de hen, zeg­gen­de: Laat u behou­den uit dit ver­keer­de geslacht.
Zij dan, die zijn woord aan­vaard­den, lie­ten zich dopen en op die dag wer­den onge­veer drie­dui­zend zie­len toe­ge­voegd. En zij ble­ven vol­har­den bij het onder­wijs der apos­te­len en de gemeen­schap, het bre­ken van het brood en de gebe­den. En er kwam vrees over alle ziel en vele won­de­ren en teke­nen geschied­den door de apos­te­len. En allen, die tot het geloof geko­men en bij­een­ver­ga­derd waren, had­den alles gemeen­schap­pe­lijk; en tel­kens waren er, die hun bezit­tin­gen en have ver­koch­ten en ze uit­deel­den aan allen, die er behoef­te aan had­den; en voort­du­rend waren zij elke dag een­drach­tig in de tem­pel, bra­ken het brood aan huis en gebruik­ten hun maal­tij­den met blijd­schap en een­voud des har­ten, en zij loof­den God en ston­den in de gunst bij het gehe­le volk. En de Here voeg­de dage­lijks toe aan de kring, die behou­den werden.

Net als Jezus[13] begon Pet­rus aller­eerst met de beke­rings­op­roep. Het afwen­den van het oude leven, dat door de zon­de werd beheerst, is de voor­waar­de voor een nieuw leven als kind van God. Wie bij God wil horen, moet met zijn zon­den in het licht tre­den, die hem van God, maar ook van de mede­men­sen scheiden.

En dit is de ver­kon­di­ging, die wij van Hem gehoord heb­ben en u ver­kon­di­gen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duis­ter­nis. Indien wij zeg­gen, dat wij gemeen­schap met Hem heb­ben en in de duis­ter­nis wan­de­len, dan lie­gen wij en doen de waar­heid niet; maar indien wij in het licht wan­de­len, gelijk Hij in het licht is, heb­ben wij gemeen­schap met elkan­der; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, rei­nigt ons van alle zon­de. (1 Johan­nes 1: 5–7)

De mens kan alleen met een oprecht hart tot de Hei­li­ge God nade­ren. Als iemand zijn zon­den voor God aan het licht brengt, dan kan God ze ”bedek­ken”[14]. Hij kan hem ver­ge­ven en uit hem een nieu­we mens maken, die zich door Gods Geest laat lei­den. En de Geest van God leidt de mens tot de lief­de. De dis­ci­pe­len van Jezus leer­den van hun Mees­ter, dat lief­de de toe­wij­ding van het gehe­le leven bete­kent. Dat vorm­de ook het leven van de gelo­vi­gen in de vroe­ge kerk. De lief­de, die God een ieder van zijn kin­de­ren in het hart giet[15], leidt een mens ertoe, niet meer voor zich­zelf te leven. Pau­lus zegt het zo:

Want de lief­de van Chris­tus dringt ons, daar wij tot het inzicht geko­men zijn, dat één voor allen gestor­ven is. Dus zijn zij allen gestor­ven. En voor allen is Hij gestor­ven, opdat zij, die leven, niet meer voor zich­zelf zou­den leven, maar voor Hem, die voor hen gestor­ven is en opge­wekt. (2 Korin­ti­ërs 5: 14–15)

Omdat de eer­ste chris­te­nen, net zoals Jezus, niet voor zich­zelf wil­den leven, heb­ben ze zich van alles laten bevrij­den wat de lief­de hin­der­de, bijv. gehecht te zijn aan huis, akker, fami­lie­le­den, eigen plan­nen …[16]. Ze waren bereid om zich los te maken van ieder­een en van alles, wat hen hin­der­de om God en de red­ding van ande­re men­sen te die­nen. Ze wis­ten van Jezus, dat dat niet anders gaat en dat daar­in ook een belof­te ligt:

Pet­rus begon tot Hem te zeg­gen: Zie, wij heb­ben alles prijs­ge­ge­ven en zijn U gevolgd. Jezus zei­de: Voor­waar, Ik zeg u, er is nie­mand, die huis of broe­ders of zus­ters of moe­der of vader of kin­de­ren of akkers heeft prijs­ge­ge­ven om Mij en om het evan­ge­lie, of hij ont­vangt hon­derd­vou­dig terug: nu, in deze tijd, hui­zen en broe­ders en zus­ters en moe­ders en kin­de­ren en akkers, met ver­vol­gin­gen, en in de toe­ko­men­de eeuw het eeu­wi­ge leven. (Mar­cus 10: 28–30)

Bereid te zijn tot zelf­ver­loo­che­ning[17] en bereid te zijn het leven niet meer vol­gens hun eigen plan­nen te leven maak­te hen vrij voor de din­gen van het rijk van God. Zie daar­voor ook ons the­ma over ”wat bete­kent het om een chris­ten te zijn?”. Ze kwa­men elke dag naar de tem­pel, waar ze met veel volks­ge­no­ten over Jezus kon­den pra­ten en getui­ge­nis kon­den geven van de Mes­si­as. Ze kwa­men dage­lijks in hun hui­zen samen om gemeen­schap met elkaar te heb­ben. In deze klei­ne samen­kom­sten bleef nie­mand ano­niem. Ze had­den geen litur­gie of pro­gram­ma, dat je ”hele­maal vrij­blij­vend” kon bezoe­ken. Ze kon­den op een heel prak­ti­sche manier bele­ven hoe ze voor elkaar broe­ders, zus­ters, ouders en kin­de­ren wer­den ook als ze elkaar ervoor hele­maal niet ken­den of zelfs vij­an­den waren. De gemeen­te stond open voor ieder­een: voor armen en rij­ken, man­nen en vrou­wen, Joden en Grie­ken, sla­ven en vrij­en, jong en oud. De basis van hun gemeen­schaps­le­ven was wat de apos­te­len leer­den over het leven van Jezus, zijn gebo­den, de natuur van God en de wil van God. Net als Jezus had gediend, dien­den zij nu ook elkaar en bemoe­dig­den, ver­maan­den, troost­ten en cor­ri­geer­den zij elkaar. Omdat ze zo veel moge­lijk tijd met elkaar door­brach­ten in gees­te­lijk gemeen­schap, ken­den zij elkaar wer­ke­lijk en wis­ten in wel­ke pun­ten hun broe­ders en zus­ters hulp nodig had­den. In opper­vlak­ki­ge en vluch­ti­ge rela­ties, omdat men niets wil doen wat tegen de ”pri­va­cy” van elkaar indruist, kan de wer­ke­lij­ke lief­de niet in de prak­tijk wor­den omge­zet. De chris­te­nen van toen­ter­tijd deel­den vreug­de en leed met elkaar en bele­den elkaar hun zwak­he­den en zon­den[18] en hiel­pen elkaar in hun geloofs­strijd. Dat alles kwam van­uit de wens om elkaar te onder­steu­nen om een hei­lig en God wel­ge­val­lig leven te lei­den, zodat alle samen het doel van het geloof berei­ken: de eeu­wi­ge vreug­de in de tegen­woor­dig­heid van God. Hoe belang­rijk de dage­lijk­se broe­der­lij­ke bemoe­di­ging voor de red­ding en het behoud is, kan men in Hebree­ën 3: 12–14 dui­de­lijk zien:

Ziet toe, broe­ders, dat bij nie­mand uwer een boos, onge­lo­vig hart zij, door af te val­len van de leven­de God, maar ver­maant elkan­der dage­lijks, zolang men nog van een heden kan spre­ken, opdat nie­mand van u zich ver­har­de door de mis­lei­ding der zon­de; want wij heb­ben deel gekre­gen aan Chris­tus, mits wij het begin van onze ver­ze­kerd­heid tot het ein­de onver­wrikt vasthouden.

Door hun lief­de, toe­wij­ding en een­dracht waren de eer­ste chris­te­nen het licht, waar Jezus over gespro­ken had[19]. De men­sen om hen heen waren onder de indruk. Toch waag­de nie­mand het zich bij hen aan te slui­ten als hij niet hei­lig wil­de leven[20].

Het gemeen­schap­pe­lijk geloof in Jezus als de red­der en in de waar­heid van zijn woor­den, had hen dus diep met elkaar ver­bon­den. Maar dat bete­ken­de ook dat die ver­bon­den­heid ver­nie­tigd werd, als iemand een zelf­ge­ko­zen weg insloeg en niet meer onbaat­zuch­tig wil­de lief­heb­ben. Het voor­beeld van Anna­ni­as en Saf­fira[21] laat zien hoe funest en nood­lot­tig het is als chris­te­nen niet meer oprecht zijn in hun hart. Die twee ver­koch­ten een akker, maar ze waren niet eer­lijk in hun bereid­heid om te delen en ze logen tegen de apos­te­len. Ze had­den ook hun bezit kun­nen behou­den. Want als ze er goe­de rede­nen voor had­den, dan had­den ze hun beslis­sing niet hoe­ven te ver­ber­gen en had­den ze alles in ver­trou­wen en open­heid kun­nen bespreken.

In de gemeen­te van God kun­nen onop­rech­te men­sen niet bestaan. Want het abso­luut nood­za­ke­lij­ke ver­trou­wen voor de gemeen­schap­pe­lij­ke dienst voor God wordt ver­nie­tigd als er geen eer­lijk vra­gen naar de wil van God meer is.

Dit voor­val leidt ons tot een ver­der punt van het gemeen­schap­pe­lij­ke leven van de eer­ste chris­te­nen: de gemeen­schap van goe­de­ren.

5 “Zij had­den alles gemeen­schap­pe­lijk” (Han­de­lin­gen 4:32) – De gemeen­schap van goederen

In de tekst, die wij al eer­der in dit onder­werp citeer­den in Mar­kus 10: 28–30 beloof­de Jezus de dis­ci­pe­len ook akkers en hui­zen. De ver­vul­ling van deze belof­te was dat de chris­te­nen hun bezit niet meer als pri­vé-bezit betracht­ten. Ze had­den alles gemeen­schap­pe­lijk en ze deel­den hun goe­de­ren met hun broe­ders en zus­ters in het geloof. Nie­mand had hen dat opge­dra­gen of bevo­len en het was een vrije beslis­sing voor hun gewe­ten en voor God hoe ze hun bezit gebruik­ten. Uit het oog­punt van bui­ten­staan­ders was de gemeen­schap van goe­de­ren wel het dui­de­lijk­ste ken­merk van hun ver­trou­wen en van hun die­pe een­dracht en ver­bon­den­heid onder elkaar. Zoiets vindt men in de wereld niet. Omdat ze nieu­we men­sen zijn gewor­den, kleef­den ze niet meer aan hun aards bezit. De onver­gan­ke­lij­ke, eeu­wi­ge goe­de­ren waren hun kost­baar­ste schat en op die manier was het heel nor­maal voor hen om ook de ver­gan­ke­lij­ke goe­de­ren voor het rijk van God in te zet­ten. Ze heb­ben niet alles in 1 ”geld­pot” gedaan, maar wie iets had, wat hij kon geven, waar het nodig was, die gaf het. Dat staat niet allen in Han­de­lin­gen 2, maar ook in Han­de­lin­gen 4: 32–37:

En de menig­te van hen, die tot het geloof geko­men waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zei­de, dat iets van het­geen hij bezat zijn per­soon­lijk eigen­dom was, doch zij had­den alles gemeen­schap­pe­lijk. En met gro­te kracht gaven de apos­te­len hun getui­ge­nis van de opstan­ding des Heren Jezus, en er was gro­te gena­de over hen allen. Want er was ook niet één behoef­tig onder hen; want allen, die eige­naars waren van stuk­ken grond of van hui­zen, ver­koch­ten die en brach­ten de opbrengst van de ver­koop en leg­den die aan de voe­ten der apos­te­len; en aan een ieder werd uit­ge­deeld naar behoefte.
En Jozef, die van de apos­te­len de bij­naam Bar­na­bas gekre­gen had – wat bete­kent: zoon der ver­troos­ting –, een Leviet, uit Cyprus afkom­stig, die eige­naar was van een akker, ver­kocht die en bracht het geld en leg­de het aan de voe­ten der apostelen.

Waar in de zoge­noem­de ”ker­ken” van van­daag de dag de broe­der­lij­ke lief­de niet te vin­den is (maar door reli­gi­eu­ze vor­men en het bezoe­ken van samen­kom­sten wordt ver­van­gen) is ook de bereid­heid het bezit met elkaar te delen niet te vin­den. Daar bren­gen ook col­lec­tes of de ker­ke­lij­ke belas­ting (waar­voor geen enke­le basis in de bij­bel te vin­den is) of ook de soms gebrui­ke­lij­ke tien­den geen ver­an­de­ring in. Men geeft toch meest­al maar een frac­tie van zijn bezit. Natuur­lijk zoe­ken the­o­lo­gen schijn­ba­re argu­men­ten, om het ont­bre­ken van de gemeen­schap van goe­de­ren van van­daag de dag goed te pra­ten. Veel leden van de ker­ken accep­te­ren die ”uit­leg­gin­gen” ook met vreug­de omdat men iets nodig heeft om het eigen ego­ïs­me met betrek­king tot het aard­se bezit te ver­bloe­men. Er wordt dan bij­voor­beeld gezegd dat de chris­te­nen toen­ter­tijd alles deel­den, omdat ze dach­ten dat Jezus bin­nen­kort terug zou komen en dat ze hun aard­se goe­de­ren sowie­so niet meer lang nodig zou­den heb­ben. Soms wordt ook gezegd, dat ze niet meer werk­ten en dat de gemeen­te in Jeru­za­lem daar­door arm werd en dat Pau­lus dan later geld moest ver­za­me­len om de chris­te­nen van een hon­ger­dood (door eigen schuld naar wat men dan zegt) te redden.

Wij zien in deze ”argu­men­ten” een opzet­te­lij­ke en boos­aar­di­ge ver­draai­ing van de lief­de die God onder de eer­ste chris­te­nen schiep. Wie zoiets beweert, moet zich bewust zijn van wat hij de apos­te­len toe­dicht. Want daar­door zegt men, dat de apos­te­len niet door de Geest van God wer­den geleid en de gemeen­te in een ”dood­lo­pen­de straat” leid­den. Op een indi­rec­te manier betwij­fel je dan ook de wijs­heid van Jezus, die juist deze man­nen koos om door hen zijn kerk te bou­wen. Men bedenkt dan ook niet dat God zelf het werk van de apos­te­len had bekrach­tigt en zijn goed­keu­ring over hun gees­te­lij­ke auto­ri­teit liet zien door­dat hij door hun han­den won­de­ren deed. Het is treu­rig om te zien, hoe men­sen, en juist ook the­o­lo­gen, lie­ver de auto­ri­teit van de apos­te­len wil­len onder­mij­nen en het werk van God wil­len betwij­fe­len, als het eigen leven kri­tisch voor God, die toch ons hart ziet, te toet­sen en te beproe­ven. We wil­len dat nu graag gede­tail­leer­der behandelen:

Dat de eer­ste chris­te­nen dach­ten, dat Jezus bin­nen­kort terug­komt, kan men niet met de Bij­bel onder­bou­wen. Jezus gaf hen de opdracht het evan­ge­lie tot aan het ein­de van de aar­de te ver­sprei­den[22]. Ze dach­ten zeker niet zo onre­a­lis­tisch om te gelo­ven dat dat in een paar jaar zou zijn gebeurd.

We lezen ook in Johan­nes 21:18–19, dat Jezus Pet­rus voor­zeg­de, dat Pet­rus, als hij oud zou zijn gewor­den, een geweld­da­di­ge dood zou ster­ven. Dat is een dui­de­lij­ke indi­ca­tie en mede­de­ling dat Pet­rus de weder­komst van Jezus tij­dens zijn leven op aar­de niet mee zou maken.

Natuur­lijk wil­den de chris­te­nen wel elk moment voor­be­reid zijn, om Jezus weer te ont­moe­ten en leef­den in die ver­wach­ting, wan­neer het ook zou zijn. Hij had hen zelf (en ons allen) geleerd, om waak­zaam te zijn, want de Zoon des men­sen komt als een dief in de nacht[23].

De grond­stuk­ken, die ze ver­koch­ten, had­den ze niet meer nodig en dat had ook een con­cre­te ach­ter­grond: Som­mi­ge vro­me Joden dach­ten, dat de Mes­si­as, bij zijn komst, in Jeru­za­lem zou ver­schij­nen. Daar­om koch­ten ze grond­stuk­ken in of bij Jeru­za­lem, waar ze dan wer­den begra­ven, zodat ze dan gelijk op de juis­te plaats zou­den zijn, als de Mes­si­as zou komen bij de opstan­ding van de doden. Toen ze chris­te­nen wer­den en dus wis­ten, dat de Mes­si­as (Jezus) al was geko­men ver­koch­ten ze hoogst­waar­schijn­lijk deze eigen­dom­men om de armen geld te kun­nen geven. Maar hun hui­zen hiel­den ze, om erin te wonen en samen te komen, zoals we in het citaat van Han­de­lin­gen 2 (vers 46) al lazen.

We mogen ook aan­e­men, dat de chris­te­nen in Jeru­za­lem, wat het wer­ken betreft, niet op een ande­re manier dach­ten dan Pau­lus, die in de brief aan de Thes­sa­loni­cen­zen heel dui­de­lij­ke ver­ma­nen­de woor­den gebruikt tegen een onge­re­gel­de levens­wan­del van som­mi­ge christenen:

Maar wij beve­len u, broe­ders, in de naam van de Here Jezus Chris­tus, dat gij u ont­trekt aan elke broe­der, die zich onge­re­geld gedraagt, in strijd met de over­le­ve­ring, die gij van ons ont­van­gen hebt. Gij weet immers zelf, hoe ons voor­beeld behoort gevolgd te wor­den, daar wij bij u niet van de regel afge­we­ken zijn, noch gege­ven brood bij iemand heb­ben gege­ten; maar met moei­te en inspan­ning werk­ten wij dag en nacht, om nie­mand van u las­tig te val­len; niet, dat wij er geen bevoegd­heid toe heb­ben, maar om ons u tot een voor­beeld ter navol­ging te stel­len. Want ook toen wij bij u waren, beva­len wij u dit: Wil iemand niet wer­ken, dan zal hij ook niet eten. Wij horen name­lijk, dat som­mi­gen onder u zich onge­re­geld gedra­gen, door geen werk te ver­rich­ten, maar bezig te zijn met wat geen werk is; zul­ke men­sen beve­len wij en wij ver­ma­nen hen in de Here Jezus Chris­tus, dat zij rus­tig bij hun werk blij­ven en hun eigen brood eten. (2 Thes­sa­loni­cen­zen 3:6–12)

De gemeen­schap van goe­de­ren onder de chris­te­nen bete­kent natuur­lijk niet dat men gewoon rus­tig van het bezit van ande­re chris­te­nen pro­fi­teert. Ieder­een moet door te wer­ken voor zijn eigen levens­on­der­houd zor­gen en op een beschei­den manier leven zodat hij geven kan aan dege­nen die het nodig hebben.

De col­lec­te voor de gemeen­ten in Pales­ti­na, waar­over we in het Nieu­we Tes­ta­ment kun­nen lezen[24] is geen voor­beeld om te bewij­zen dat de gemeen­schap van goe­de­ren niet werk­te of mis­luk­te. Inte­gen­deel is het een voor­beeld voor de zegen van de gemeen­schap van goe­de­ren in een gro­te­re omvang. De reden voor de ver­za­me­ling van geld was een alge­me­ne hon­gers­nood, waar het in Han­de­lin­gen 11: 27–30 gaat:

En in die dagen kwa­men pro­fe­ten van Jeru­za­lem te Anti­o­chië; en één uit hen, genaamd Aga­bus, stond op en gaf door de Geest te ken­nen, dat een gro­te hon­gers­nood zou komen over het gehe­le rijk, die dan ook geko­men is onder Clau­di­us. En de dis­ci­pe­len beslo­ten, dat elk van hen naar draag­kracht iets zen­den zou tot onder­steu­ning van de broe­ders, die in Judea woon­den; dit deden zij ook en zij zon­den het aan de oud­sten door de hand van Bar­na­bas en Saulus.

Deze hon­gers­nood trof diver­se gebie­den in het Romein­se rijk met ver­schil­len­de hevig­heid. De Joden waren bij voor­baat al armer omdat ze diver­se vor­men van belas­ting, hef­fin­gen en las­ten had­den: Tien­den voor de Pries­ters en de Tem­pel­dienst, de Tem­pel­be­las­ting voor de reno­va­tie van de tem­pel, de belas­ting aan de Romei­nen en de tol aan de tol­le­na­ren. In deze situ­a­tie was het voor de chris­te­nen in ande­re gebie­den, die meer bezit had­den, van­zelf­spre­kend hun broe­ders te hel­pen in het ster­ker betrof­fen en arme Pales­ti­na. Deze van­zelf­spre­ken­de bereid­heid om met elkaar te delen en te hel­pen vin­den we ook bij de gemeen­ten, die in de tijd van de der­de reis van Pau­lus de gemeen­ten in Judea onder­steun­den. Pau­lus schreef in deze con­text over de gemeen­ten in Mace­do­nië in 2 Korin­ti­ërs 8: 3–4:

… want (zij deden), dat getuig ik, wat zij kon­den, ja meer dan dat, en zij vroe­gen, met alle aan­drang, uit eigen bewe­ging van ons de gunst, deel te mogen nemen aan het dienst­be­toon voor de heiligen, …

En ver­der in het hoofd­stuk bemoe­digt hij de Korin­ti­ërs op de vol­gen­de manier:

Ik geef dit niet als een bevel, maar ik tracht aan die toe­wij­ding van ande­ren ook de echt­heid uwer lief­de te toet­sen. Gij kent immers de gena­de van onze Here Jezus [Chris­tus], dat Hij om uwent­wil arm is gewor­den, ter­wijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoe­de rijk zoudt wor­den. En ik geef op dit punt mijn mening, want dit is voor u nut­tig; gij hebt immers reeds vroe­ger, het vori­ge jaar, een begin gemaakt, niet alleen met de uit­voe­ring, maar ook met het wil­len; vol­tooit thans dan ook de uit­voe­ring, opdat met de maat van uw bereid­wil­lig­heid ook de vol­tooi­ing uit het­geen gij hebt over­een­stem­me. Want als de bereid­vaar­dig­heid aan­we­zig is, is zij wel­kom naar het­geen zij heeft, niet naar het­geen zij niet heeft. Want niet om ande­ren ver­lich­ting te schen­ken, wordt het u zwaar gemaakt, maar uit het oog­punt van bil­lijk­heid kome uw over­vloed voor het ogen­blik hun gebrek ten goe­de, opdat hun over­vloed weder­ke­rig uw gebrek ten goe­de zou komen en er zodoen­de gelijk­heid zij, zoals er geschre­ven staat: die veel (ver­za­meld had), had niet over en die wei­nig (ver­za­meld had), had niet te kort. (2 Korin­ti­ërs 8: 8–15)

De col­lec­te voor de chris­te­nen moest natuur­lijk niet tot gevolg heb­ben dat iemand in nood kwam, maar het doel van het delen is dat ieder­een krijgt, wat hij nodig heeft om te leven. De bereid­heid om te delen bear­gu­men­teert Pau­lus met de hou­ding van Jezus, ”arm” te wor­den om ande­re ”rijk” te maken en niet met de ver­wach­ting, dat Jezus bin­nen­kort weer terug­komt. Hij ziet dat als een bewijs van de echt­heid van hun lief­de. Chris­te­nen moe­ten name­lijk niet met woor­den lief­heb­ben, maar met daad en waarheid:

Hier­aan heb­ben wij de lief­de leren ken­nen, dat Hij zijn leven voor ons heeft inge­zet; ook wij beho­ren dan voor de broe­ders ons leven in te zet­ten. Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broe­der gebrek ziet lij­den, maar zijn bin­nen­ste voor hem toe­sluit, hoe blijft de lief­de Gods in hem? Kin­der­kens, laten wij lief­heb­ben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waar­heid. (1 Johan­nes 3:16–18)

Ver­der staat er ook nog een bemoe­di­ging om te delen in Hebree­ën 13:16:

En ver­geet de wel­da­dig­heid en de mede­deel­zaam­heid[25] niet, want in zul­ke offers heeft God een welgevallen.

Hier zien we ook dat de reden om de armen deel te laten heb­ben aan de eigen goe­de­ren niet de ver­wach­ting was, dat Jezus bin­nen­kort terug zou komen. Ze deden het omdat dat offers zijn, die God behagen.

5.1 Over de tienden

We wil­len ook nog in het kort iets over de tien­den schrij­ven: Zoals we al zei­den is dit gebrui­ke­lijk in ver­schil­len­de gemeen­ten en waar­schijn­lijk den­ken veel men­sen, dat dat bij­bels is. Men kan in de bij­bel zeker iets over de tien­den vin­den, maar niet als een gewoon­te van de chris­te­nen. In het Oude Tes­ta­ment was het geven van de tien­den bestemd voor de dienst van de pries­ters en de Levie­ten en voor het finan­cie­ren van de offers in de tem­pel[26].  Vol­gens Deu­tero­no­mi­um 14: 28–29 wer­den de tien­den boven­dien in elk der­de jaar voor de armen in het volk gebruikt. Maar er staat ner­gens in het Nieu­we Tes­ta­ment dat de chris­te­nen dat onder­ling in de prak­tijk brach­ten. In plaats daar­van vin­den we, dat ze alles met elkaar deel­den. Dat strookt ook met de beschrij­ving in Han­de­lin­gen 4:32, dat de chris­te­nen één hart en één ziel waren. Zo een diep ver­trou­wen, zoals men het vaak niet eens in fami­lies vindt, houdt ook niet bij het geld op. Dit ver­trou­wen was moge­lijk, omdat ze elkaars leven ken­den. Ze wis­ten hoe oprecht hun broe­ders waren in kwes­ties, die de wil van God betref­fen, en daar­om kon­den ze ook hun geld of ande­re goe­de­ren hun broe­ders toe­ver­trou­wen, zodat ze die, op een manier die God behaagt, kon­den gebruiken.

6 Scha­pen onder de wolven

Op de waar­de­ring, die de chris­te­nen aan­van­ke­lijk van het volk in Jeru­za­lem geno­ten, volg­de al snel wat Jezus in de vol­gen­de woor­den voorzegde:

Zie, Ik zend u als scha­pen mid­den onder wol­ven; weest dan voor­zich­tig als slan­gen en arge­loos als dui­ven. Maar wacht u voor de men­sen; want zij zul­len u over­le­ve­ren aan de gerechts­ho­ven en zij zul­len u gese­len in hun syna­go­gen; gij zult ook geleid wor­den voor stad­hou­ders en konin­gen om Mij­nent­wil, tot een getui­ge­nis voor hen en voor de vol­ken. Wan­neer zij u over­le­ve­ren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spre­ken zult; want het zal u in die ure gege­ven wor­den wat gij spre­ken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. Een broe­der zal zijn broe­der over­le­ve­ren ten dode en een vader zijn kind, en kin­de­ren zul­len opstaan tegen hun ouders en hen ter dood bren­gen. En gij zult door allen gehaat wor­den om mijns naams wil; maar wie vol­hardt tot het ein­de, die zal behou­den wor­den. (Mat­te­üs 10: 16–22)

De reli­gi­eu­ze lei­ders onder de Joden pro­beer­den van het begin af aan een ein­de te maken aan deze nieu­we ”sek­te”[27]. Ze waren bang dat ze hun invloed op het volk en hun aan­zien van de men­sen zou­den ver­lie­zen en wil­den de waar­heid over hun leven niet horen[28]. Ze gaven de apos­te­len een spreek­ver­bod, lie­ten ze gese­len en slo­ten ze op[29]. Maar ”zon­der ophou­den, iede­re dag, leer­den zij (de apos­te­len) in de tem­pel en aan huis, en ver­kon­dig­den het evan­ge­lie, dat de Chris­tus Jezus is” (Han­de­lin­gen 5: 42). Toen Ste­fa­nus de leden van de hoge raad hun schuld aan de moord van Jezus wil­de laten zien, en hoe zeer ze God tegen­streef­den, werd hij daar­voor zon­der pro­ces geste­nigd. Daar­door was hij de eer­ste chris­ten, die zijn Heer volg­de in de mar­te­laars­dood.[30]. Ook van­uit de berich­ten over Pau­lus weten we, dat hij voor zijn zen­dings­ac­ti­vi­teit ver­vol­ging moest lij­den — vaak door de Joden, maar ook door de hei­de­nen[31].

De chris­te­nen waren geen bur­gers, die zich aan­pas­ten aan de tijd­geest[32]. Als huis­ge­no­ten Gods[33] wis­ten ze dat ze gehoor­zaam moesten zijn tegen­over de waar­heid van het evan­ge­lie en ble­ven stand­vas­tig, ook als er ver­zet en tegen­stand kwam van men­sen, die zich niet wil­den laten roe­pen, om zich te beke­ren. Ze wil­den met hun leven laten zien wat de wil van God voor alle men­sen is. Pau­lus bemoe­dig­de hen, dat ze als lich­ten­de ster­ren  te mid­den van een ont­aard en ver­keerd geslacht moesten schij­nen[34]. Op die manier beke­ken zij de wereld en ze wis­ten dat vriend­schap met de wereld vij­and­schap tegen God bete­kent[35]. Hun nor­men en waar­den en wer­ken waren dus heel anders als die van de men­sen om hen heen, die op een zelf­ge­ko­zen weg vol­gens hun eigen begeer­ten wil­den leven. Als dat voor iemand geen dui­de­lijk teken van het werk van God was, dan vond hij het een aan­klacht tegen zich­zelf en dat leid­de tot een geweld­da­di­ge afwij­zing van het evan­ge­lie en van dege­ne die het ver­kon­dig­de[36].

Nog in de 2de en 3de eeuw waren de chris­te­nen een bui­ten­been­tje in de maat­schap­pij. Ze scheid­den zich af van de wereld­se genie­tin­gen waar­in de mees­te men­sen hun vreug­de zoch­ten. Zij deden niet mee aan de open­lij­ke fees­ten en reli­gi­eu­ze ritu­e­len en ze maan­den de men­sen om zich te beke­ren van hun zon­di­ge leven. Op die manier ont­stond de vij­and­schap van de men­sen tegen de chris­te­nen. Hui­ve­ring­wek­ken­de geruch­ten over de chris­te­nen deden de ron­de en in de tijd van de ver­vol­ging door de rege­rin­gen wer­den veel chris­te­nen ver­oor­deeld, zon­der dat er iets slechts bewe­zen kon wor­den. Via deze link (komt nog) vindt je een ver­za­me­ling van cita­ten uit de vroeg­chris­te­lij­ke schrif­ten, die een pre­cie­zer inzicht in de situ­a­tie van die tijd geven.

7 Wat bete­kent dat voor ons?

Het leven van de vroe­ge chris­te­nen was geen vorm die ze naar hun eigen goed­dun­ken bepaal­den. Zij heb­ben het leven van elke dag, hun vrije tijd, hun gaven en talen­ten, vreug­de en lijd, geld en goe­de­ren, alles wat bij het leven hoort, met elkaar gedeeld en voor elkaar gege­ven. Op alle manie­ren wil­den ze elkaar hel­pen om in het leven God trouw te blij­ven. Zo wil­den ze als apos­te­len van Jezus Zijn toe­wij­ding vol­gen zoals de apos­tel Johan­nes het uitdrukt:

Wij weten, dat wij over­ge­gaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broe­ders lief­heb­ben. Wie niet lief­heeft, blijft in de dood. (…) Hier­aan heb­ben wij de lief­de leren ken­nen, dat Hij zijn leven voor ons heeft inge­zet; ook wij beho­ren dan voor de broe­ders ons leven in te zet­ten. (1 Johan­nes 3: 14 en 16)

De lief­de tot elkaar, zoals het onder broe­ders en zus­ters nor­maal is, was uiting van hun lief­de voor God. Johan­nes schreef dat dui­de­lijk en eenvoudig:

Wij heb­ben lief, omdat Hij ons eerst heeft lief­ge­had. Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broe­der haat[37] , dan is hij een leu­ge­naar; want wie zijn broe­der, die hij gezien heeft, niet lief­heeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet lief­heb­ben. En dit gebod heb­ben wij van Hem: Wie God lief­heeft, moet ook zijn broe­der lief­heb­ben. (1 Johan­nes 4: 19–21)

Dat geldt ook van­daag de dag voor ieder­een, die Jezus wil vol­gen, d.w.z. die chris­ten wil zijn. Het is zelf­be­drog met ern­sti­ge gevol­gen als men denkt, dat het ”chris­ten-zijn” bete­kent dat dat alleen een rela­tie tus­sen mij en God is in com­bi­na­tie met af en toe kerk­dienst of samen­komst te bezoe­ken. De bruid van Chris­tus is de kerk, niet los­se chris­ten[38]. De kerk werd ook als zijn lichaam geken­merkt en hij is het hoofd. Door hem moe­ten alle leden met elkaar ver­bon­den zijn en hij leidt hen in hun gemeen­schap­pe­lij­ke dienst voor God[39]. Hoe Jezus wil­de dat de kerk eruit moet zien, kun je in ande­re onder­wer­pen van deze web­si­te nauw­keu­ri­ger lezen, bijv. in het arti­kel ”de gemeen­te in het Nieu­we Tes­ta­ment” (komt nog).

In ons leven wil­len wij in alle opzich­ten het voor­beeld van de eer­ste chris­te­nen vol­gen en nodi­gen ook jou uit om dat met ons samen te doen. Wij komen in ver­schil­len­de plaat­sten en ste­den samen. Ook als het ver­der weg is, is dat voor ons ook geen ono­ver­ko­me­lijk pro­bleem, om con­tact te heb­ben met men­sen, die het ver­lan­gen heb­ben om Jezus heel seri­eus te vol­gen. Niet alleen van­uit de woor­den van Jezus[40], maar ook uit eigen erva­ring weten wij dat er niet veel van zul­ke men­sen zijn. Het was in de hele geschie­de­nis van de mens­heid helaas het geval, dat de mees­te men­sen niet op de wegen van God wil­den wandelen.

Net zoals de eer­ste chris­te­nen, onder­vin­den wij ook afkeu­ring, ver­oor­de­ling, terug­wij­zing en ook las­ter en val­se beschul­di­gin­gen. Wij zijn ook gecon­fron­teerd met men­sen, die ste­nen in onze weg wil­len leg­gen. Omdat zij zelf hun leven niet aan God en zijn woord wil­len onder­schik­ken, pro­be­ren zij onze lief­de voor God en onze gehoor­zaam­heid als over­dre­ven, wet­tisch en ”recht­vaar­dig­heid uit wer­ken” te bestem­pe­len. Wij wil­len graag alle men­sen uit­no­di­gen om zich niet door voor­oor­de­len te laten afschrik­ken, maar zelf de ver­ant­woor­de­lijk­heid voor de waar­heid te nemen en ons leven te leren ken­nen. Dan kan men een eigen oor­deel vor­men op basis van de bijbel.

Met ons gemeen­schap­pe­lijk leven wil­len wij een getui­ge­nis zijn voor de ver­an­de­ren­de kracht van God zijn en daar­door bemoe­di­gen niet klein­ge­lo­vig te zijn en te twij­fe­len, of het van­daag de dag nog moge­lijk is om zo te leven. Wij zien hoe­veel zegen het brengt en ook hoe nodig het is om te groei­en in de nede­rig­heid, onbaat­zuch­tig­heid, zelf­ver­loo­che­ning, en de bereid­heid tot toe­wij­ding in zacht­moe­dig­heid en geduld; om erin te groei­en elkaar hoger te ach­ten als zich­zelf en niet het eigen voor­deel te zoe­ken en het bes­te voor je naas­te te zoe­ken. Wij heb­ben niet alleen erva­ren, hoe Jezus ons daar­toe in staat kan stel­len, maar ook dat wij zijn toe­wij­ding en lief­de voor ons daar­door die­per begrij­pen en erva­ren en dat het onze lof en dank­baar­heid voor Hem vergroot.

Gelief­den, laten wij elkan­der lief­heb­ben, want de lief­de is uit God; en een ieder, die lief­heeft, is uit God gebo­ren en kent God. Wie niet lief­heeft, kent God niet, want God is lief­de. Hier­in is de lief­de Gods jegens ons geo­pen­baard, dat God zijn enig­ge­bo­ren Zoon gezon­den heeft in de wereld, opdat wij zou­den leven door Hem. Hier­in is de lief­de, niet dat wij God lief­ge­had heb­ben, maar dat Hij ons heeft lief­ge­had en zijn Zoon gezon­den heeft als een ver­zoe­ning voor onze zon­den. Gelief­den, indien God ons zó heeft lief­ge­had, beho­ren ook wij elkan­der lief te heb­ben. Nie­mand heeft ooit God aan­schouwd; indien wij elkan­der lief­heb­ben, blijft God in ons en zijn lief­de is in ons vol­maakt gewor­den. (1 Johan­nes 4:7–12)


Voetnoten

  1. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de NBG51 geciteerd.
  2. Luk­as 6: 12–16
  3. Johan­nes 13: 34–35
  4. Johan­nes 5: 30–46
  5. Luk­as 11:1
  6. Luk­as 5: 30–32
  7. Mar­kus 6:31–34
  8. Luk­as 6: 27–35
  9. Johan­nes 10:11
  10. Luk­as 6: 27–35
  11. Mat­te­üs 16:21
  12. Han­de­lin­gen 2: 1–13
  13. Mar­cus 1:14
  14. zie Psalm 32: 1–5
  15. Romei­nen 5:5
  16. Luk­as 14:33
  17. Luk­as 9:23
  18. Jako­bus 5:16 en Han­de­lin­gen 19:18
  19. Mat­te­üs 5: 14–15
  20. Han­de­lin­gen 5: 12–14
  21. Han­de­lin­gen 5: 1–11
  22. Han­de­lin­gen 1:8
  23. Luk­as 12: 35–40
  24. bijv. in Romei­nen 15: 25–27
  25. het Griek­se woord hier: ”koi­no­nia”, bete­kent niet ”aal­moes geven” maar het bete­kent de onder­lin­ge hulp in de gemeente
  26. Nehe­mia 10: 37–38
  27. Han­de­lin­gen 24: 5 en 14
  28. Jezus sprak daar­over in Johan­nes 8: 37–47
  29. Han­de­lin­gen 5: 17–23; 40–41
  30. Han­de­lin­gen 7
  31. 2 Korin­ti­ërs 11: 22–27
  32. Romei­nen 12: 1–2 en 1 Pet­rus 4: 1–5
  33. Efe­zi­ërs 2:19
  34. Filip­pen­zen 2: 14–16
  35. Jako­bus 4:4
  36. 2 Korin­ti­ërs 4: 7–11
  37. Zoals ook in ande­re tek­sten in het Nieu­we Tes­ta­ment bete­kent haten hier min­ach­ten of terug­plaat­sen ach­ter iets of iemand.
  38. Efe­zi­ërs 5: 25–27
  39. 1 Korin­ti­ërs 12: 12 en verder
  40. Luk­as 13: 22–24


Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de NBG51 geciteerd.

Luk­as 6: 12–16

Johan­nes 13: 34–35

Johan­nes 5: 30–46

Luk­as 11:1

Luk­as 5: 30–32

Mar­kus 6:31–34

Luk­as 6: 27–35

Johan­nes 10:11

Luk­as 6: 27–35

Mat­te­üs 16:21

Han­de­lin­gen 2: 1–13

Mar­cus 1:14

zie Psalm 32: 1–5

Romei­nen 5:5

Luk­as 14:33

Luk­as 9:23

Jako­bus 5:16 en Han­de­lin­gen 19:18

Mat­te­üs 5: 14–15

Han­de­lin­gen 5: 12–14

Han­de­lin­gen 5: 1–11

Han­de­lin­gen 1:8

Luk­as 12: 35–40

bijv. in Romei­nen 15: 25–27

het Griek­se woord hier: ”koi­no­nia”, bete­kent niet ”aal­moes geven” maar het bete­kent de onder­lin­ge hulp in de gemeente

Nehe­mia 10: 37–38

Han­de­lin­gen 24: 5 en 14

Jezus sprak daar­over in Johan­nes 8: 37–47

Han­de­lin­gen 5: 17–23; 40–41

Han­de­lin­gen 7

2 Korin­ti­ërs 11: 22–27

Romei­nen 12: 1–2 en 1 Pet­rus 4: 1–5

Efe­zi­ërs 2:19

Filip­pen­zen 2: 14–16

Jako­bus 4:4

2 Korin­ti­ërs 4: 7–11

Zoals ook in ande­re tek­sten in het Nieu­we Tes­ta­ment bete­kent haten hier min­ach­ten of terug­plaat­sen ach­ter iets of iemand.

Efe­zi­ërs 5: 25–27

1 Korin­ti­ërs 12: 12 en verder

Luk­as 13: 22–24