Mag een chris­ten oordelen?

Een hamer (houten hamer) die door de rechter in een rechtszaal wordt gebruikt, samen met een houten klankblok en een gouden weegschaal. Dit alles symboliseert het oordeel.

In deze tekst leg­gen wij uit waar­om wij gelo­ven dat een chris­ten moet ”beoor­de­len”.

Het beoor­de­len is voor elke chris­ten beslist noodzakelijk.

Wij beschrij­ven wel­ke plaats dat heeft in de chris­te­lij­ke gemeente.

1 Inlei­den­de gedach­ten over de woor­den van Jezus: ”Oor­deel niet!”

Men hoort vaak van men­sen uit ver­schil­len­de deno­mi­na­ties (geloofs­rich­tin­gen) het citaat:

Oor­deel niet, opdat er niet over jul­lie geoor­deeld wordt. (Mat­te­üs 7:1)[1]

Veel men­sen den­ken dat ieder­een zelf alleen voor God staat. Zij vin­den dat nie­mand anders iets objec­tiefs over het leven en het han­de­len van iemand anders kan zeg­gen. En zeker niet erover of hij gered is of niet. Het leven van de ande­ren, in het bij­zon­der op reli­gi­eus gebied, is een ”pri­vé-zaak”. Daar­over kan en mag nie­mand anders dan iets zeg­gen. Het lijkt erop dat veel men­sen den­ken dat gezon­de kri­tiek het­zelf­de is als ”ver­oor­de­len”. Zij vin­den dat opdrin­ge­rig en onbe­voegd betre­den van een ”hei­lig” gebied.

Zo den­ken ze ook over het beoor­de­len en het beproe­ven van de geloofs­over­tui­ging van ver­schil­len­de kerk­ge­noot­schap­pen. Als je de over­tui­ging van iemand anders als een dwa­ling ziet, bete­kent dat natuur­lijk ook dat die­ge­ne zelf op een dwaal­spoor is.

Met de gedach­ten die nu vol­gen wil­len wij een ant­woord geven en dit the­ma in het licht van Jezus en de chris­te­lij­ke leer betrachten.

2 Over het ver­schil tus­sen Beoor­de­len en Veroordelen

Er zijn veel men­sen die vin­den dat ”beoor­de­len” het­zelf­de is als ”veroor­de­len”. Maar het ver­schil tus­sen deze twee begrip­pen is heel erg groot.

Puur een stand­punt in te nemen over wat goed en slecht is, is eigen­lijk de prak­ti­sche toe­pas­sing van de door God in de Bij­bel geo­pen­baar­de prin­ci­pes. Te onder­schei­den tus­sen goed en kwaad is belang­rijk, zowel voor vra­gen die met onze rela­tie met God te maken heb­ben, als­ook voor dage­lijk­se kwes­ties. Veel men­sen heb­ben een nega­tief gevoel of nega­tie­ve asso­ci­a­ties bij de woor­den ”oor­de­len” en ”oor­deel”. Ze nemen aan dat dat uit een slech­te hou­ding komt. Het beoor­de­len komt ech­ter van­uit de hun­ke­ring naar waar­heid en van­uit de wens het goe­de te leren ken­nen. Het doel is ande­re men­sen te hel­pen. Maar zon­der deze goe­de moti­va­tie wordt ook een hele­maal terech­te ver­ma­ning een lief­de­loos en onbarm­har­tig oor­deel (veroor­de­len). In de bij­bel vindt men meer­de­re tek­sten waar deze zelf­in­ge­no­men, fari­ze­ï­sche hou­ding bekri­ti­seerd wordt. (bijv. Mat­the­üs 9: 9–13, Luk­as 18: 9–14 enz.)

Jezus ver­oor­deelt een lief­de­loos en hoog­moe­dig oordeel

In het nu vol­gen­de voor­beeld beschrijft Jezus dit lief­de­lo­ze gedrag. Het is heel bekend maar het wordt helaas vaak ver­keerd begrepen:

Oor­deel niet, opdat er niet over jul­lie geoor­deeld wordt. Want op grond van het oor­deel dat je velt, zal er over je geoor­deeld wor­den, en met de maat waar­mee je meet, zal jou de maat geno­men wor­den. Waar­om kijk je naar de splin­ter in het oog van je broe­der of zus­ter, ter­wijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeg­gen: ”Laat mij de splin­ter uit je oog ver­wij­de­ren,” zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Hui­che­laar, ver­wij­der eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splin­ter uit het oog van je broe­der of zus­ter te ver­wij­de­ren. (Mat­the­üs 7: 1–5)

Dege­ne die hier wordt aan­ge­spro­ken is een zelf­in­ge­no­men en hoog­moe­di­ge hui­che­laar. Dat is een essen­ti­eel punt bij deze ver­ma­ning van Jezus. Hij ziet de zon­den van ande­re men­sen legt veel nadruk op hun zon­den. Maar hij wil zijn eigen zon­den niet zien.

Het gaat er niet om dat je de splin­ter niet mag ver­wij­de­ren! Maar Jezus had op deze manier de slech­te hou­ding en de manier van ver­ma­nen bekri­ti­seerd. Hij roept de men­sen op om zich­zelf op een eer­lij­ke en nede­ri­ge manier te toet­sen en om zich af te wen­den van hun eigen zon­den. Dan zal je ook in staat zijn om ande­re men­sen te hel­pen. ”… dan zul je scherp genoeg zien om de splin­ter uit het oog van je broe­der of zus­ter te ver­wij­de­ren.” Zelfs het beeld, dat in deze gelij­ke­nis wordt gebruikt past niet bij de wijd­ver­brei­de mening dat je de splin­ter in het oog van iemand anders niet mag aan­ra­ken. Het is voor nie­mand aan­ge­naam om een splin­ter in het oog te heb­ben! Het zou lief­de­loos gedrag zijn, als wij hem niet zou­den helpen.

Ook in Luk­as 6 gaat het over veroordelen

In Luk­as 6:37–42 staat de ver­wijstekst van Mat­te­üs 7:1–5:

Oor­deel niet, dan zal er niet over je geoor­deeld wor­den. Ver­oor­deel niet, dan zul je niet ver­oor­deeld wor­den. Ver­geef, dan zal je ver­ge­ven wor­den. (Luk­as 6:37) (NBV)

Jezus spreekt hier over ”niet oor­de­len”, ”niet ver­oor­de­len” en bedoelt daar­mee het­zelf­de en Hij roept ook op tot ver­ge­ving. Dat laat zien dat het oor­de­len hier in de zin van ver­oor­de­len wordt gebruikt en dat je wei­gert iemand te vergeven.

Ook twee ver­zen ver­der­op (in vs 39) vraagt Jezus “Kan een blin­de een blin­de gelei­den? Zul­len zij niet bei­den in een put val­len?”. Dat bete­kent toch, dat die­ge­ne, die zijn eigen zon­den niet toe­geeft, de ver­ge­ving van God niet zal krij­gen. Zo kan hij ook ande­re men­sen de gena­de en lief­de van God niet kan ”door­ge­ven”. Hij kan ande­re men­sen geen uit­weg uit hun zon­den laten zien. Maar als iemand zijn zon­den toe­geeft, belijdt en berouw heeft dan krijgt hij ver­ge­ving. Uit dank­baar­heid en lief­de heeft hij dan de wens om ook ande­re men­sen te hel­pen de ver­zoe­ning met God te vinden:

Rei­nig mij toch van deze zon­de, die een smet op mij werpt. Ik weet dat ik heb gezon­digd; steeds opnieuw gaan mijn gedach­ten terug naar deze daad, waar­mee ik van Uw pad afweek. Mijn God, ik heb tegen U gezon­digd en Uw gebod over­tre­den. Wat U er ook over zegt, het is altijd goed en recht­vaar­dig. Uw uit­spra­ken zijn altijd zui­ver. (…) Ik wil zo graag opnieuw de blijd­schap over Uw red­ding erva­ren. Ik wil U vol­gen en mijn gehoor­zaam­heid aan U zal mij kracht geven. Dan zal ik ook aan ande­re zon­daars laten zien wat Uw wil is, zodat zij zich beke­ren en U ook zul­len vol­gen. (Psalm 51: 4–6, 14–15)

Zo laat de ver­wijstekst in Luk­as 6:37–42 dus nog dui­de­lij­ker zien, dat het doel van Jezus ook in Mat­te­üs 7:1–5 was om te waar­schu­wen voor een hui­chel­ach­tig en lief­de­loos oor­de­len, zon­der zich­zelf voor God te toet­sen.

Ook de gelij­ke­nis­sen in de con­text laten zien dat we moe­ten beoordelen

In de con­text van de genoem­de tek­sten in Mat­te­üs en Luk­as (in het bij­zon­der Mat­te­üs 7: 6:15–23 en Luk­as 6:43–46) staan nog ande­re gelij­ke­nis­sen. Zij vor­men ook een bemoe­di­ging tot nuch­te­re kri­tiek en beoor­de­ling. Deze gelij­ke­nis­sen stel­len ons de vragen:

Jezus zegt tegen ons, dat we de val­se pro­fe­ten aan hun vruch­ten zul­len her­ken­nen. Dat bete­kent dat Hij zelfs oproept om te beoordelen.

3 Wel­ke bete­ke­nis heeft het beoor­de­len in onze rela­tie met God?

De ver­lei­ding in de wereld

De wereld is door zon­de gevormd en de mens die het goe­de zoekt moet alles eerst nauw­let­tend onder­zoe­ken. Op een dras­ti­sche manier drukt Pau­lus het gevaar van de ver­lei­ding uit:

Maar denk nu niet dat het mij ver­baast. Satan zelf kan zich voor­doen als een engel van het licht. Het is dan ook geen won­der dat zijn hand­lan­gers zich voor­doen als oprech­te die­na­ren van God. Maar op het laatst zul­len zij allen de straf krij­gen die zij voor hun wan­da­den ver­die­nen. (2 Korin­the 11: 14–15)

Jezus heeft het kwa­de aan het licht gebracht

Door zijn gro­te lief­de en gena­de heeft God de weg door Jezus geo­pen­baard en voor de men­sen bereik­baar gemaakt. Maar Hij heeft ook het kwa­de en de zon­de aan het licht gebracht:

Jul­lie zijn mijn vrien­den wan­neer je doet wat ik zeg. Ik noem jul­lie geen sla­ven meer, want een slaaf weet niet wat zijn mees­ter doet; vrien­den noem ik jul­lie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jul­lie bekend­ge­maakt heb. (Johan­nes 15:14–15)

Als Ik niet geko­men was en tot hen gespro­ken had, zou­den ze niet schul­dig zijn. Maar nu heb­ben zij geen ver­ont­schul­di­ging voor de zon­den die zij doen. Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. Als Ik niet zul­ke gro­te won­de­ren onder hen had gedaan, zou­den zij niet schul­dig zijn. Maar nu heb­ben zij die won­de­ren met hun eigen ogen gezien, en ondanks dat haten zij zowel Mij als mijn Vader. (Johan­nes 15: 22–24)

En tegen de Joden die in hem geloof­den zei Jezus: ’Wan­neer u bij mijn woord blijft, bent u wer­ke­lijk mijn leer­lin­gen. U zult de waar­heid ken­nen, en de waar­heid zal u bevrij­den.’ (Johan­nes 8:31–32)

Wij moe­ten ook het kwa­de aan het licht brengen

Iemand kan alleen met God leven als hij in de waar­heid wil leven, die God ons er als basis voor heeft gege­ven. (Romei­nen 12: 1–2). Het is dus van levens­be­lang om de waar­heid te vin­den en daar­naar te leven. Tege­lij­ker­tijd moe­ten we ook het kwa­de ont­mas­ke­ren en aan het licht te bren­gen en daar­van afstand te nemen. Iemand die dat niet doet, dan kan de weg naar het eeu­wi­ge leven niet vinden.

Ga door de nau­we poort naar bin­nen. Want de bre­de weg, die velen vol­gen, en de rui­me poort, waar velen door naar bin­nen gaan, lei­den naar de onder­gang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaar­toe, en slechts wei­ni­gen weten die te vin­den. (Mat­te­üs 7:13–14)

Maar er komt een tijd, en die tijd is nu geko­men, dat wie de Vader echt aan­bidt, hem aan­bidt in Geest en in waar­heid. De Vader zoekt men­sen die hem zo aan­bid­den, want God is Geest, dus wie hem aan­bidt, moet dat doen in Geest en in waar­heid.’ (Johan­nes 4:23–24)

Neem u in acht, anders zult u, in plaats van het vol­le loon te ont­van­gen, de vruch­ten van onze arbeid ver­lie­zen. Ieder­een die te ver wil gaan en niet bij de leer van Chris­tus blijft, heeft God niet. Wie bij die leer blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon. (2. Johan­nes 8–9)

Wij moe­ten veel menin­gen en kwes­ties beoordelen

Als iemand bij­voor­beeld een maal­tijd pad­den­stoe­len wil koken dan con­tro­leert hij toch van te voren goed of ze ook eet­baar zijn en niet gif­tig! Bij vra­gen met betrek­king tot onze rela­tie tot God en onze red­ding moe­ten we nog veel gron­di­ger beproe­ven. Als twee men­sen ver­schil­len­de tegen­strij­di­ge menin­gen over dezelf­de vraag heb­ben, hoe kun­nen ze dan bei­de gelijk heb­ben? Dat geldt ook voor vra­gen met betrek­king tot de Bij­bel­se leer, zoals bijvoorbeeld:

Je kunt dan nog tal van voor­beel­den van­uit de leer van bestaan­de reli­gi­eu­ze groe­pen of ker­ken vin­den. Dit zijn niet alleen abstrac­te en the­o­lo­gi­sche idee­ën, maar zij heb­ben een gro­te invloed op ons leven. Is dan niet ieder­een opge­roe­pen om zijn stand­punt te bepa­len ten opzich­te van vra­gen zoals:

In de bij­bel staat er daar­om heel vaak de oproep, dat we alles en ieder­een moe­ten beproe­ven en beoordelen:

want eens was u duis­ter­nis maar nu bent u licht, door uw bestaan in de Heer. Ga de weg van de kin­de­ren van het licht. Het licht brengt goed­heid voort en gerech­tig­heid en waar­heid. Onder­zoek wat de wil van de Heer is. Neem geen deel aan de vruch­te­lo­ze prak­tij­ken van de duis­ter­nis maar ont­mas­ker die juist, (Efe­zi­ërs 5:8–11)

Onder­zoek alles, behoud het goe­de en ver­mijd elk kwaad, in wel­ke vorm het zich ook voor­doet. (1 Tes­sa­loni­cen­zen 5:21–22)

Pas op voor val­se pro­fe­ten, die in schaaps­kle­ren op jul­lie afko­men maar eigen­lijk roof­zuch­ti­ge wol­ven zijn. Aan hun vruch­ten zul je hen her­ken­nen. Men plukt toch geen drui­ven van doorn­strui­ken of vij­gen van dis­tels? Zo draagt elke goe­de boom goe­de vruch­ten, maar een slech­te boom draagt slech­te vruch­ten. Een goe­de boom kan geen slech­te vruch­ten dra­gen, even­min als een slech­te boom goe­de vruch­ten dra­gen kan. Elke boom die geen goe­de vruch­ten draagt, wordt omge­hakt en in het vuur gewor­pen. Zo kun­nen jul­lie hen dus aan hun vruch­ten her­ken­nen. (Mat­the­üs 7:15–20)

4 Wel­ke bete­ke­nis heeft het beoor­de­len in het leven van de gemeente?

De beoor­de­ling is heel nauw ver­bon­den met lief­de. We wil­len onze geloofs­broe­der geven wat God wil. Maar daar­voor moe­ten we door zijn leven en daden eerst pro­be­ren te zien, hoe zijn rela­tie met God is en wel­ke gebre­ken en tekort­ko­min­gen hij heeft en waar hij hulp nodig heeft. Wie de wens heeft om God te beha­gen, zal ook dank­baar zijn als je hem zo helpt.

Veel reli­gi­eu­ze men­sen zijn helaas te trots rea­ge­ren prik­kel­baar en het leidt tot con­flic­ten, als je ze op pro­ble­men in hun geloofs­le­ven aan­spreekt. Het is zeker een­vou­di­ger om de ander niet te con­fron­te­ren met zijn mis­stap­pen en op te roe­pen om zich te ver­an­de­ren. Deze hou­ding is de schijn­baar mak­ke­lij­ke­re weg te gaan. Maar juist dit leid­de in de gemeen­ten van de eer­ste eeuw tot dras­ti­sche en nood­lot­ti­ge, fata­le veranderingen.

Con­se­quen­ties van het ont­bre­ken van beoor­de­ling in de vroe­ge kerk

God voor­zag dit al. Daar­om staat er in de bij­bel dat wij steeds ver­ant­woor­ding moe­ten dra­gen voor onze broe­ders en zus­ters, dat wij hen moe­ten ver­ma­nen en bemoe­di­gen. Dat is de eni­ge manier om lief­de, die vol­gens de wil van God is en de rein­heid en zui­ver­heid van de gemeen­te behou­den blijft.

Zie er dus op toe, broe­ders en zus­ters, dat nie­mand van u door een kwaad­wil­lig, onge­lo­vig hart afval­lig wordt van de leven­de God, maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ’van­daag’ nog geldt, opdat nie­mand van u hals­star­rig wordt omdat hij door zon­de ver­leid werd. (Hebree­ën 3: 12–13)

Als je broe­der iets mis­daan heeft, spreek dan met hem onder vier ogen en wijs hem terecht. Als hij naar je luis­tert, dan heb je hem terug­ge­won­nen. Als hij niet luis­tert, haal er dan een of twee ande­ren bij, want een aan­klacht is gel­dig als er een ver­kla­ring is van twee of drie getui­gen. Als hij ook niet naar hen luis­tert, leg het dan voor aan de gemeen­te. En als hij ook dan niet luis­tert, behan­del hem dan als een onge­lo­vi­ge en als een tol­le­naar. Ik ver­ze­ker jul­lie: alles wat jul­lie op aar­de ver­bie­den, zal ook ver­bo­den zijn voor de hemel, en wat jul­lie toe­staan op aar­de, zal ook toe­ge­staan zijn voor de hemel. (Mat­te­üs 18:15–18) (GNB96-ver­ta­ling)

Wat ik bedoel is dit: u mag niet omgaan met iemand die zich­zelf een broe­der of zus­ter noemt, maar in fei­te een ontucht­ple­ger is, een geldwolf(gierigaard), afgo­den­die­naar, las­te­raar, dronk­aard of uit­bui­ter. Met zo iemand mag u beslist niet eten. Waar­om zou­den we over bui­ten­staan­ders oor­de­len? U hoeft toch alleen te oor­de­len over leden van de gemeen­te? Over de bui­ten­staan­ders zal God oor­de­len. Maar bin­nen de gemeen­te geldt: ’Ver­wij­der wie kwaad doet uit uw mid­den.’ (1 Korin­ti­ërs 5:11–13)

In de bij­bel beoor­de­len de gelo­vi­gen wat de juis­te leer is

In de Gods woord vin­den we de oproep om elkaar te ver­ma­nen en te bemoe­di­gen. Daar­naast staan er ook veel voor­beel­den in de bij­bel hoe de chris­te­nen over de juis­te leer in de kerk waak­ten. De Kerk is een fun­da­ment en pij­ler van de waar­heid. (1 Timo­te­üs 3:15)

Gelief­de broe­ders en zus­ters, ver­trouw niet elke geest. Onder­zoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel val­se pro­fe­ten in de wereld ver­sche­nen. De Geest van God her­kent u hier­aan: iede­re geest die belijdt dat Jezus Chris­tus als mens geko­men is, komt van God. Iede­re geest die dit niet belijdt komt niet van God; dat is de geest van de anti­christ, waar­van u hebt gehoord dat hij zal komen ? nu al is hij in de wereld. U, kin­de­ren, komt uit God voort en u hebt de val­se pro­fe­ten over­won­nen, want hij die in u is, is mach­ti­ger dan hij die in de wereld heerst. Die val­se pro­fe­ten komen uit de wereld voort. Daar­om spre­ken zij de taal van de wereld en luis­tert de wereld naar hen. Wij komen uit God voort. Wie God kent luis­tert naar ons. Wie niet uit God voort­komt luis­tert niet naar ons. Hier­aan kun­nen we de geest van de waar­heid en de geest van de dwa­ling her­ken­nen. (1 Johan­nes 4: 1–6)

Ik weet wat u doet, hoe u zich inzet en stand­houdt, en dat u boos­doe­ners niet ver­draagt. Zo hebt u men­sen die bewe­ren dat ze apos­te­len zijn, op de proef gesteld en als leu­ge­naars ont­mas­kerd. (Open­ba­ring 2: 2)

De vol­gen­de tekst laat ons zien dat het voor de gemeen­ten in de eer­ste eeuw heel natuur­lijk was om men­sen te beoor­de­len, die ze wil­den hel­pen om zich te bekeren:

Maar pro­fe­teert ieder­een, dan zal een onge­lo­vi­ge bui­ten­staan­der door ieder­een wor­den beoor­deeld en terecht­ge­we­zen. Alles wat hem hei­me­lijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aar­de wer­pen, God aan­bid­den en belij­den: ’Wer­ke­lijk, God is in uw mid­den.’ (1 Korin­ti­ërs 14: 24–25)

Jezus zei ook dui­de­lijk tegen de men­sen wel­ke din­gen een hin­der­nis waren om bij God te horen (bijv. in Mat­the­üs 23:13–36 en 19:16–22), hoe­wel Hij wist dat Hij daar­door vij­an­den kreeg. Als wij ook wil­len, dat ande­re men­sen tot Jezus komen moe­ten wij zijn voor­beeld vol­gen!  En dit ook als het ertoe leidt dat we con­flic­ten met men­sen krij­gen en zij ons afwij­zen, zoals het bij Jezus was.

Con­clu­sie: Wat bete­kent oor­de­len in de bijbel?

Ten slot­te kun­nen we zeg­gen: Het oor­de­len waar­over het in de bij­bel gaat betekent:

ande­re men­sen uit lief­de en op basis van het Woord van God te laten zien wat de wegen van God zijn en waar zij daar niet op lopen.

Dat had niet alleen Jezus gedaan maar Hij riep ook zijn dis­ci­pe­len en alle men­sen die Hem wil­len vol­gen ertoe op dat te doen. De basis daar­voor is het eigen leven aan de hand van de bij­bel te beoor­de­len en zich nede­rig en gehoor­zaam aan God te onder­schik­ken. Het Nieu­we Tes­ta­ment beves­tigt dit in veel tek­sten. Het oor­de­len is dus op zich geen nega­tie­ve term maar hoort onlos­ma­ke­lijk bij lief­de voor de waar­heid, voor de broe­ders in het geloof en voor alle mensen.


Voetnoten

  1. Ten­zij het anders is aan­ge­ge­ven cite­ren wij als bij­bel­ver­ta­ling “Het Boek” van­we­ge de eenvoudigheid.


Ten­zij het anders is aan­ge­ge­ven cite­ren wij als bij­bel­ver­ta­ling “Het Boek” van­we­ge de eenvoudigheid.