Wat bete­kent het om een chris­ten te zijn?

Druiven aan een wijnstok zoals in de gelijkenis van Jezus in Johannes 15.

1 Wie is een chris­ten? — Wat zegt de bij­bel daarover?

Om de vraag ”wie is een chris­ten?” te beant­woor­den, moe­ten we natuur­lijk in het Nieu­we Tes­ta­ment kij­ken. In het bij­zon­der zien we dat in de woor­den van Jezus. Hij sprak over twee wegen:

  1. de smal­le weg, die tot God leidt. Wei­nig men­sen lopen op die weg. Een Chris­ten moet op die weg lopen.
  2. de bre­de weg, die naar het ver­derf leidt. Veel men­sen lopen op die weg.

Ga bin­nen door de nau­we poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het ver­derf leidt, en velen zijn er die daar­door naar bin­nen gaan; maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en wei­ni­gen zijn er die hem vin­den. Mat­the­üs 7: 13–14

Jezus was zich bewust van het feit dat de mees­te men­sen niet bereid zou­den zijn om Hem te vol­gen. Zij geven God in hun leven niet de plaats die Hij ver­dient. Helaas wor­den er van­daag de dag veel reli­gi­eu­ze, schijn­baar chris­te­lij­ke wegen aan­ge­bo­den, die van de weg van Jezus afwij­ken. Zelfs voor men­sen die God oprecht zoe­ken, kan dat heel ver­war­rend zijn. Dat is een reden waar­om wij het belang­rijk vin­den, dit arti­kel te schrij­ven. Wat bete­kent de oproep van Jezus om Hem te vol­gen op basis van de bijbel?

2 Veel men­sen noe­men zich christenen

Offi­ci­eel noemt onge­veer een der­de van de wereld­be­vol­king zich “chris­ten”.[1] Maar van al deze men­sen weten er veel niet wat het eigen­lijk bete­kent om een chris­ten te zijn. Dat leidt er vaak toe dat niet-chris­te­nen het chris­ten­dom ver­ach­ten. Zij zien vaak geen of ten­min­ste geen wezen­lijk ver­schil tus­sen hun eigen leven en dat van de “tra­di­tie-chris­te­nen”.

Jezus zelf sprak erover dat veel men­sen, die Jezus hun Heer noem­den, een vre­se­lij­ke ver­ras­sing na de dood zul­len heb­ben. Ze kun­nen niet voor Jezus bestaan, hoe­wel ze dach­ten, dat ze chris­te­nen waren. Daar­over staat bij­voor­beeld in het Evan­ge­lie van Mattheüs:

Niet ieder die tegen Mij zegt: Hee­re, Hee­re, zal bin­nen­gaan in het Konink­rijk der heme­len, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de heme­len is. Velen zul­len op die dag (de dag van het oor­deel) tegen Mij zeg­gen: Hee­re, Hee­re, heb­ben wij niet in Uw Naam gepro­fe­teerd, en in Uw Naam demo­nen uit­ge­dre­ven, en in Uw Naam veel krach­ten gedaan? Dan zal Ik hun open­lijk zeg­gen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u die de wet­te­loos­heid werkt! (Mat­the­üs 7: 21–23)[2]

Deze woor­den zijn een dui­de­lij­ke waar­schu­wing tegen reli­gi­eus zelf­be­drog. Er zul­len veel men­sen zijn, die den­ken dat ze in de naam van Jezus gro­te din­gen heb­ben gedaan en dat ze daar­om toch zeker bij Jezus horen. Maar Jezus zal ze afwij­zen, omdat ze Hem wel­is­waar Heer noem­den, maar niet naar zijn woor­den handelden.

3 Wie is er dan een chris­ten? Wat bete­kent de oproep tot beke­ring van Jezus?

De men­sen tegen wie Jezus sprak waren alle­maal “reli­gi­eus”. Ze geloof­den in God en wis­ten in gro­te lij­nen dat ze met hun leven voor God ver­ant­woor­de­lijk­heid heb­ben. Toch riep Jezus ze tot beke­ring. Hij had de pro­ble­men in hun leven gezien en ze erop aangesproken:

Hij wist dat ze ver­lo­ren gaan, als ze zich niet beke­ren en hun zon­den niet wil­len zien en geen berouw heb­ben. Ook van­daag de dag zijn er veel reli­gi­eu­ze men­sen, die door hun leven laten zien dat ze nau­we­lijks vra­gen wat de wil van God is. Wat Jezus voor zijn tijd­ge­no­ten uit het boek van Jes­a­ja citeer­de is van­daag de dag ook actueel:

Hui­che­laars! Terecht heeft Jes­a­ja over u gepro­fe­teerd, toen hij zei: Dit volk nadert tot Mij met hun mond en eert Mij met de lip­pen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij van­daan; … (Mat­the­üs 15: 7–8)

God ziet ons hart en wil dat we hem met ons hele hart liefhebben

God ziet wat er in het hart is. Wij kun­nen Hem niet met reli­gi­eu­ze acti­vi­tei­ten laten den­ken dat wij Hem lief­heb­ben. Maar de nor­ma­le hou­ding, die we tegen­over onze Schep­per moe­ten heb­ben, is dat Hij in ons hart de eer­ste plaats krijgt. Dat bete­kent dat wij een beslis­sing moe­ten maken om hem alles te onder­schik­ken. Dat komt ook tot uit­druk­king in het hoog­ste en belang­rijk­ste gebod, dat Jezus noemt:

En een van de Schrift­ge­leer­den, (…), kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eer­ste van alle gebo­den? En Jezus ant­woord­de hem: Het eer­ste van alle gebo­den is: Hoor, Isra­ël! De Hee­re, onze God, de Hee­re is één. En u zult de Hee­re, uw God, lief­heb­ben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw ver­stand en met heel uw kracht. Dit is het eer­ste gebod. En het twee­de, hier­aan gelijk, is dit: U zult uw naas­te lief­heb­ben als uzelf. Er is geen ander gebod gro­ter dan deze. (Mar­kus 12: 28–31)

God schenkt ons zijn vol­ko­men lief­de. Een rela­tie van lief­de tot Hem bete­kent, dat ook wij met alle kracht en met ons hele hart wil­len lief­heb­ben, zoals een kind zijn vader lief­heeft. Dat kind wil de wil van de vader niet nege­ren, maar het ver­trouwt hem en is gehoorzaam.

Jezus beschreef met voor­beel­den (gelij­ke­nis­sen) wat het bete­kent een chris­ten te wor­den. Er staan ook situ­a­ties beschre­ven waar men­sen Jezus tegen­kwa­men en Jezus hen ver­tel­de wat het bete­kent om hem te vol­gen. Wij noe­men 3 voorbeelden:

De ver­lo­ren zoon

De gelij­ke­nis van de ver­lo­ren zoon[3] beschrijft op een aan­schou­we­lij­ke manier, wat beke­ring bete­kent. De ver­lo­ren zoon wil­de zijn eigen weg gaan en zijn geluk ver van het huis van zijn vader vin­den in de wereld­se genie­tin­gen en zon­den. Wat zijn vader daar­over dacht inte­res­seer­de hem niet. Toen hij dan inzag dat zijn levens­weg een dood­lo­pen­de weg is, ver­ne­der­de hij zich­zelf en is met een gebro­ken hart terug­ge­keerd naar zijn vader. Hij had berouw erover dat hij de lief­de van zijn vader zo had ver­acht. Hij wist dat hij niets meer goed kon maken.

De eni­ge weg was zijn schuld toe te geven. Hij beleed zijn schuld en ver­trouw­de op de goed­heid en de gena­de van de vader en vroeg om ver­ge­ving. De echt­heid van zijn beke­ring werd zicht­baar door het feit dat hij van toen aan de vader gehoor­zaam wil­de die­nen. De vader had hem omhelsd, hem een ring aan zijn vin­ger gege­ven en een feest gemaakt. Hij maak­te hem geen enkel ver­wijt. De schuld was ver­ge­ven en de rela­tie weer her­steld. Zo was er een nieuw begin in het leven van de ver­lo­ren zoon, zoals de vader het in de gelij­ke­nis ook tot uit­druk­king brengt:

Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend gewor­den. En hij was ver­lo­ren en is gevon­den. (Luk­as 15:24)

Jezus wil­de met deze gelij­ke­nis laten zien dat God dege­ne, die eer­lijk berouw heeft van zijn zon­den als zijn kind wil aan­ne­men. Hij wil alle schuld ver­ge­ven. Daar­mee wil­de Hij elke “ver­lo­ren zoon” onder de men­sen hoop geven, dat de terug­weg naar het huis van de vader open­staat, ja, dat de vader in zijn lief­de zelfs al wacht en ernaar uit­kijkt wan­neer zijn kind tot Hem terug­keert. Wie zich door deze lief­de laat raken, voor hem zal de omkeer een vreug­de zijn, zoals de vreug­de van de ver­lo­ren zoon, die terug naar huis mag keren.

De schat in de akker

Ook de vol­gen­de woor­den van Jezus beschrij­ven deze vreugde:

Het Konink­rijk der heme­len is ook gelijk aan een schat, in de akker ver­bor­gen, die iemand vond en ver­borg; en van blijd­schap daar­over gaat hij heen en ver­koopt alles wat hij heeft, en koopt die akker. Ook is het Konink­rijk der heme­len gelijk aan een koop­man die mooie parels zoekt. Toen hij één parel van gro­te waar­de gevon­den had, ging hij heen en ver­kocht alles wat hij had, en hij kocht hem. (Mat­the­üs 13: 44–46)

God heeft ons lief en wil ons het ware leven schen­ken. Dat is de schat. Wie dat begrijpt, die zal bereid zijn alle ande­re din­gen ervoor te “ver­ko­pen”. Wie dat niet wil, omdat hij bepaal­de din­gen niet voor God wil los­la­ten, die zal in eeu­wig­heid niet bij God zijn. Dat laat ook de ont­moe­ting van Jezus met een rij­ke jon­ge man zien:

De rij­ke jon­ge man

En toen Hij naar bui­ten ging om op weg te gaan, snel­de er iemand naar Hem toe, viel voor Hem op de knie­ën en vroeg Hem: Goe­de Mees­ter, wat moet ik doen om het eeu­wi­ge leven te beër­ven? En Jezus zei tegen hem: Waar­om noemt u Mij goed? Nie­mand is goed behal­ve Eén, name­lijk God. U kent de gebo­den: U zult geen over­spel ple­gen; u zult niet doden; u zult niet ste­len; u zult geen vals getui­ge­nis afleg­gen; u zult nie­mand bena­de­len; eer uw vader en uw moe­der. Maar hij ant­woord­de Hem: Mees­ter, al deze din­gen heb ik in acht geno­men van mijn jeugd af. En Jezus keek hem aan en had hem lief, en Hij zei tegen hem: Eén ding ont­breekt u: ga heen, ver­koop alles wat u hebt en geef het aan de armen en u zult een schat heb­ben in de hemel; en kom dan, neem het kruis op en volg Mij. Maar hij werd treu­rig over dat woord en ging bedroefd weg, want hij had veel bezit­tin­gen. (Mar­kus 10: 17–22)

Deze man wil­de tot God komen en had er ook eni­ge din­gen voor gedaan. Maar hij hield zijn bezit vast. Hij was niet bereid om alles los te laten om Jezus te vol­gen. Maar Jezus hield vast aan wat hij zei. Hij liep die man niet ach­ter­na om een voor­stel voor een com­pro­mis te maken. Het past niet bij lief­de en ont­zag voor God als wij Hem iets wil­len ont­hou­den, wat het ook is. Daar­door liet Jezus ons ook zien dat wij zon­der deze onvoor­waar­de­lij­ke bereid­heid om ons zelf en alles wat we heb­ben voor God ter beschik­king te stel­len, geen chris­ten kun­nen zijn. De vol­gen­de para­graaf zal dat nog verduidelijken.

4 Volg mij! – Over de ernst van het vol­gen van Jezus

In Luk­as 9 vin­den we direct na de eer­ste aan­kon­di­ging van het lij­den van Jezus de vol­gen­de woor­den. Zij bren­gen de ernst van het vol­gen van Jezus – dat bete­kent het leven als een chris­ten – dui­de­lijk tot uitdrukking:

Hij zei tegen allen: Als iemand ach­ter Mij wil komen, moet hij zich­zelf ver­loo­che­nen, zijn kruis dage­lijks opne­men en Mij vol­gen. Want wie zijn leven wil behou­den, die zal het ver­lie­zen; maar wie zijn leven ver­lie­zen zal omwil­le van Mij, die zal het behou­den. Want wat baat het een mens heel de wereld te win­nen en zich­zelf te ver­lie­zen of zelf scha­de te lij­den? Want wie zich voor Mij en Mijn woor­den geschaamd zal heb­ben, voor hem zal de Zoon des men­sen Zich scha­men, wan­neer Hij zal komen in Zijn heer­lijk­heid en in die van de Vader en in die van de hei­li­ge enge­len. (Luk­as 9: 23–26)

Hoe­wel het zul­ke ern­sti­ge woor­den van Jezus zijn, wor­den ze van­daag de dag vaak nau­we­lijks seri­eus geno­men. Want er zijn maar wei­nig men­sen onder de vele men­sen die zich chris­te­nen noe­men, die daar wer­ke­lijk over naden­ken. Wie een chris­ten wil zijn, moet zich afvra­gen wat het voor ons leven in de prak­tijk bete­kent als Jezus het heeft over:

Want Hij sprak tegen “allen”, niet tegen een paar wei­ni­ge dis­ci­pe­len, die bij­zon­der seri­eus wil­den zijn.

Een chris­ten ver­loo­che­n­ent zichzelf

Als we daad­wer­ke­lijk de voet­stap­pen van Jezus wil­len vol­gen, dan moe­ten we dui­de­lijk inzien, dat deze weg vol­le­di­ge beslist­heid van onze kant ver­langt. We kun­nen die weg niet begaan als we onze eigen plan­nen, wen­sen en doe­len vast­hou­den. Want dat zou tot een inner­lijk con­flict lei­den, waar we ons dan in een con­stan­te twee­strijd tus­sen onze wil en de wil van God bevin­den. Dat zou ons de kracht weg­ne­men om te handelen.

Zelf­ver­loo­che­ning bete­kent dat wij niet meer beslis­sen wat we doen maar dat we ons leven hele­maal in de hand van God geven. Hij alleen kan alles over­zien en weet het bes­te wat goed voor ons en voor ande­re men­sen is. Daar­om kun­nen we hem meer ver­trou­wen als ons zelf. Wie niet gewil­lig is om zijn eigen plan­nen en idee­ën aan God te onder­schik­ken kan Zijn lei­ding niet erva­ren en Hem niet dienen.

Een chris­ten neemt zijn kruis op zich

Dat Jezus deze woor­den in de con­text van zijn lij­den[4] uit­sprak is zeker geen toe­val. Want wij kun­nen deze weg ook niet gaan als we niet bereid zijn om te lij­den. Dat bete­kent het kruis. Het kruis maakt dui­de­lijk dat Jezus zo zeer in con­flict met de wereld stond, dat de wereld Hem niet wil­de ver­dra­gen. Ook wij als chris­te­nen zul­len con­flic­ten tegen­ko­men. Als wij de men­sen door het Woord van God hun zon­den en ver­lo­ren­heid laten zien, moe­ten wij reke­nen met hun afwij­zing of zelfs dat ze ons belas­te­ren. Wij zul­len even­tu­eel onze “goe­de repu­ta­tie” ver­lie­zen, omdat we hen din­gen zeg­gen, die onaan­ge­naam zijn en waar­door ze zich aan­ge­klaagd voe­len. Jezus zegt dat wij dat niet alleen moe­ten ver­dra­gen, maar zelfs ver­heugd moe­ten zijn als dat gebeurt.

Zalig bent u, wan­neer de men­sen u haten, en wan­neer zij u uit­sto­ten en u sma­den en uw naam als slecht ver­wer­pen omwil­le van de Zoon des men­sen. Ver­blijd u op die dag en spring op van vreug­de, want zie, uw loon is groot in de hemel. Hun vade­ren deden immers even­zo met de pro­fe­ten. (…)Wee u, wan­neer alle men­sen goed van u spre­ken, want hun vade­ren deden even­zo met de val­se pro­fe­ten. (Luk­as 6: 22–23 en 26)

Een chris­ten mag zich niet scha­men voor de woor­den van Jezus

Veel men­sen, die zich chris­ten noe­men zijn niet bereid om voor ande­re men­sen voor de woor­den van Jezus en Zijn oproep uit te komen. De Bij­bel leert één objec­tie­ve waar­heid en dat Jezus die­ge­ne die deze waar­heid tot ons als men­sen bracht. Maar zij scha­men zich daar­voor omdat het niet past bij de geest van de tegen­woor­di­ge tijd. Ze wil­len niet ouder­wets of into­le­rant lij­ken. Maar dat bete­kent dat je Jezus ver­raadt in plaats van je aan zijn kant te stel­len. Daar­om zal Jezus zich ook niet aan de kant van zul­ke men­sen stel­len, als ze zich na hun leven voor God moe­ten verantwoorden.

Een chris­ten zoekt niet de mak­ke­lij­ke maar de juis­te weg

Al deze gedach­ten wor­den ook door de woor­den van Jezus in Luk­as 9 onderstreept:

Het gebeur­de, toen zij onder­weg waren, dat iemand tegen Hem zei: Hee­re, ik zal U vol­gen waar U ook heen gaat. Maar Jezus zei tegen hem: De vos­sen heb­ben holen, en de vogels in de lucht nes­ten, maar de Zoon des men­sen heeft niets waar­op Hij het hoofd kan neer­leg­gen. Tegen een ander zei Hij: Volg Mij. Maar die zei: Hee­re, sta mij toe dat ik weg­ga om eerst mijn vader te begra­ven. Maar Jezus zei tegen hem: Laat de doden hun doden begra­ven, maar u, ga heen en ver­kon­dig het Konink­rijk van God. Weer een ander zei: Hee­re, ik zal U vol­gen, maar sta mij eerst toe dat ik afscheid neem van hen die in mijn huis zijn. Jezus zei tegen hem: Nie­mand die zijn hand aan de ploeg slaat en kijkt naar wat ach­ter hem ligt, is geschikt voor het Konink­rijk van God. (Luk­as 9:57–62)

De vos­sen heb­ben holen, en de vogels in de lucht nesten …

Jezus te vol­gen is geen gemak­ke­lij­ke weg. Met Hem mee te gaan kan bete­ke­nen dat je nor­ma­le din­gen niet hebt. Daar­op moet je voor­be­reid zijn. Jezus wil niet zeg­gen dat we als chris­te­nen geen wonin­gen moe­ten heb­ben. Maar Jezus zorg­de hier op aar­de niet voor een mooi com­for­ta­bel leven voor zich­zelf. Net als Hij moe­ten wij in het bewust­zijn leven dat ons eigen­lij­ke “thuis” is de hemel is. Dat moet ons bereid maken om al hier alles te ver­lie­zen, wat wij hier bezit­ten, en bui­ten­been­tje in deze wereld te zijn.

Laat de doden hun doden begraven …

Jezus wil hier zijn dis­ci­pe­len niet in het alge­meen ver­bie­den om zich met begra­fe­nis­sen bezig te hou­den. Hij zag dat deze mens de arbeid voor het rijk van God een lage­re pri­o­ri­teit gaf als de aard­se plich­ten. Daar­om druk­te hij in deze con­text met zeer radi­ca­le woor­den uit, wat wer­ke­lijk pri­o­ri­teit heeft. Als chris­te­nen kun­nen we men­sen hel­pen het eeu­wi­ge leven te vin­den. Wij we moe­ten ons bewust zijn van het feit dat dit onze belang­rijk­ste taak is. De “doden”, die hun doden moe­ten begra­ven zijn men­sen die zich niet laten roe­pen voor het leven met God. Zij zij dus gees­te­lijk dood zijn en kun­nen dan ook nie­mand gees­te­lijk kun­nen helpen.

Nie­mand die zijn hand aan de ploeg slaat …

Als iemand ploegt moet hij rech­te gleu­ven ploe­gen. Maar als je ach­ter­om kijkt dan ploeg je links en rechts naast het spoor. Iemand die ach­ter­om kijkt is dus niet geschikt voor het ploe­gen. Het­zelf­de geldt voor het vol­gen van Jezus. Het ant­woord van Jezus laat zien dat hij hier niet sim­pel­weg ver­biedt om “tot ziens” te zeg­gen. Jezus zag bij deze mens ach­ter de wens om afscheid te nemen een gebrek aan vast­be­ra­den­heid. Als iemand met wee­moed en met een half hart zijn oude leven ach­ter­laat, zal hij niet de kracht heb­ben om Jezus te vol­gen als er moei­lijk­he­den komen.

5 Een chris­ten leeft een hei­lig leven als vrucht van de bekering

Als een mens zich bekeert en als een chris­ten wil leven dan zal hij net zoals de ver­lo­ren zoon din­gen los­la­ten, ook als dat moei­te kost. Dat zijn de din­gen waar­van hij heeft begre­pen dat ze zon­dig zijn. Veel men­sen, die zich chris­te­nen noe­men, strij­den niet op een seri­eu­ze manier tegen hun zon­den. Zij wil­len bepaal­de zon­den niet los­la­ten en wil­len dan bepaal­de zon­den hele­maal niet als zon­den zien. Of ze den­ken dat God toch gena­dig is en zowie­zo ver­geeft, omdat Hij weet dat wij zwak en onvol­maakt zijn.

Het is belang­rijk om zul­ke gedach­ten als excu­ses te ont­mas­ke­ren. Jezus zegt dat dege­ne die gelooft alles moge­lijk is.[5] Als we ons hele­maal aan God toe­ver­trou­wen, dan kun­nen wij Zijn hulp erva­ren. Hij laat ons in onze aan­vech­tin­gen en zwak­he­den niet alleen. Wij erva­ren de gena­de van God niet alleen door het feit dat Hij ons onze schuld ver­geeft. De gena­de leert ons ook in deze wereld een leven te lei­den dat Hem behaagt, zoals Pau­lus het in Titus 2 schrijft:

Want de zalig­ma­ken­de gena­de van God is ver­sche­nen aan alle men­sen, en leert ons de god­de­loos­heid en de wereld­se begeer­ten te ver­loo­che­nen en in deze tegen­woor­di­ge wereld bezon­nen, recht­vaar­dig en god­vruch­tig te leven, ter­wijl wij ver­wach­ten de zali­ge hoop en ver­schij­ning van de heer­lijk­heid van de gro­te God en onze Zalig­ma­ker, Jezus Chris­tus. Hij heeft Zich­zelf voor ons gege­ven, opdat Hij ons zou vrij­ko­pen van alle wet­te­loos­heid en voor Zich­zelf een eigen volk zou rei­ni­gen, ijve­rig in goe­de wer­ken. (Titus 2: 11–14)

Het hele leven van een chris­ten is een offer en een goe­de reuk voor God

Als we ons leven wer­ke­lijk ter beschik­king stel­len aan God en onze zon­den wil­len los­la­ten, geeft God ons daar­voor ook de kracht. Ons leven kan dan een offer wor­den, dat God behaagt. Hem in ons dage­lijks leven te die­nen en gehoor­zaam te zijn is de wer­ke­lij­ke godsdienst/​eredienst.

Ik roep u er dan toe op, broe­ders, door de ont­fer­min­gen van God, om uw licha­men aan God te wij­den als een levend offer, hei­lig en voor God wel­be­haag­lijk: dat is uw rede­lij­ke gods­dienst. En word niet aan deze wereld gelijk­vor­mig, maar word inner­lijk ver­an­derd door de ver­nieu­wing van uw gezind­heid om te kun­nen onder­schei­den wat de goe­de, wel­be­haag­lij­ke en vol­maak­te wil van God is. (Romei­nen 12: 1–2)

Er zijn veel dui­de­lij­ke tek­sten in het Nieu­we Tes­ta­ment, waar­in het over het hei­li­ge leven van de chris­te­nen gaat. God lief te heb­ben bete­kent onder ande­re, dat wij Zijn wil wil­len doen. God’s lief­de voor ons is, dat Hij ons daar­toe in staat stelt. Wie met Jezus leeft, zal deze vrucht dragen.

Ik ben de Wijn­stok, u de ran­ken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zon­der Mij kunt u niets doen. (…) Hier­in wordt Mijn Vader ver­heer­lijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn dis­ci­pe­len bent. (Johan­nes 15: 5 en 8)

Als chris­te­nen zijn we niet meer sla­ven van de zon­de, maar die­naars van God.

Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschik­king stelt tot gehoor­zaam­heid, u slaaf bent van wie u gehoor­zaamt: óf van de zon­de, tot de dood, óf van de gehoor­zaam­heid, tot gerech­tig­heid? Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zon­de, maar nu bent u van har­te gehoor­zaam gewor­den aan het voor­beeld van de leer waar­aan u over­ge­ge­ven bent. En, vrij­ge­maakt van de zon­de, bent u dienst­baar gemaakt aan de gerech­tig­heid. (Romei­nen 6: 16–18)

6 De lief­de van Jezus als voor­beeld voor iede­re christen

Het leven van Jezus was op een vol­maak­te manier door de lief­de gevormd. Uit lief­de ver­liet Hij de hemel­se heer­lijk­heid. Hij werd mens zodat wij zien hoe zeer God ons lief­heeft en ons vre­de en de vreug­de van de ver­zoe­ning met Hem wil geven. Uit lief­de zocht Hij nooit zijn eigen voor­deel en liet zich nooit lei­den door wat Hij aan­ge­naam vond. Hij is nooit de mak­ke­lij­ke­re weg gegaan in plaats van de juis­te weg. Uit lief­de sprak Hij altijd de waar­heid en vocht ervoor dat de men­sen leren zich­zelf te zien zoals God ze ziet, in plaats van in hun zelf­be­drog ver­lo­ren te gaan. Jezus nam het lei­den en zelfs de dood aan het kruis op zich. Met zijn lief­de en nede­rig­heid maak­te hij de men­sen in hun arro­gan­tie beschaamd.

Door de toe­wij­ding van zijn leven liet Jezus ons een dui­de­lij­ke maat­staf zien. Hij stel­de geen gren­zen aan Zijn lief­de en Zijn dienst voor ande­re men­sen. Zijn dis­ci­pe­len en daar­mee alle men­sen, die chris­te­nen wil­den zijn gaf Hij het gebod deze lief­de na te streven.

Een nieuw gebod geef Ik u, name­lijk dat u elkaar lief­hebt; zoals Ik u lief­ge­had heb, moet u ook elkaar lief­heb­ben. Hier­door zul­len allen inzien dat u Mijn dis­ci­pe­len bent: als u lief­de onder elkaar hebt. (Johan­nes 13: 34–35)

Een chris­ten volgt Jezus om lief te heb­ben zoals Hij heeft liefgehad

Een chris­ten te zijn bete­kent dus niet, alge­me­ne chris­te­lij­ke waar­den te heb­ben, soms naar een chris­te­lij­ke samen­komst te gaan en ver­der je eigen leven te leven. De eer­ste chris­te­nen heb­ben dat ook begre­pen, want Johan­nes schrijft:

Wij weten dat wij zijn over­ge­gaan uit de dood in het leven, omdat wij de broe­ders lief­heb­ben; wie zijn broe­der niet lief­heeft, blijft in de dood. Ieder die zijn broe­der haat, is een moor­de­naar; en u weet dat geen moor­de­naar het eeu­wi­ge leven blij­vend in zich heeft. Hier­aan leer­den wij de lief­de ken­nen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gege­ven. Ook wij moe­ten voor de broe­ders het leven geven. Wie dan de goe­de­ren van de wereld heeft, en zijn broe­der gebrek ziet lij­den, maar zijn hart voor hem toe­sluit, hoe kan de lief­de van God in hem blij­ven? Mijn lie­ve kin­de­ren, laten wij niet lief­heb­ben met het woord of met de tong, maar met de daad en in waar­heid. (1 Johan­nes­brief 3: 14–18)

Wat bete­kent dat prak­tisch om een chris­ten te zijn?

Wij zijn dus ver­plicht voor de broe­ders het leven te geven en in daad en waar­heid lief te heb­ben. Wat bete­kent dat voor ons? Een natuur­lij­ke uit­druk­king van de lief­de is dat ik de wens heb met ande­re samen te zijn. Gemeen­schap onder chris­te­nen bete­kent samen de tijd te beste­den met als doel God samen diep te leren ken­nen, Hem te loven, Hem te die­nen, Zijn wil te begrij­pen en te doen. Zo wordt de zelf­ver­loo­che­ning, die nodig is om Jezus te vol­gen, praktisch:

Chris­te­nen moe­ten elkaar hel­pen op het smal­le pad te blijven

Jezus zet­te Zijn leven hele­maal voor het heil van de men­sen in. Zo zal ook een chris­ten dit doel in zijn leven heb­ben. Er is niets belang­rij­kers te doen als wat ande­re men­sen daar­toe dient om God niet alleen te vin­den, maar ook bij Hem te blij­ven. Want het is niet van­zelf­spre­kend, dat ieder­een die een­maal op de smal­le weg loopt ook bij het doel aan­komt. Zon­der de hei­li­ging zal nie­mand God zien (Hebree­ën 12: 14), en de Schrift roept ons op elkaar dage­lijks in het gevecht voor hei­li­ging te ondersteunen.

Zie erop toe, broe­ders, dat er nooit in iemand van u een ver­dor­ven hart zal zijn, vol onge­loof, om daar­door afval­lig te wor­den van de leven­de God; maar ver­maan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spre­ken, opdat nie­mand van u ver­hard zal wor­den door de ver­lei­ding van de zon­de. Want wij heb­ben deel aan Chris­tus gekre­gen, als wij ten­min­ste het begin­sel van de vas­te grond van het geloof tot het ein­de toe onwrik­baar vast­hou­den, … (Hebree­ën 3: 12–14)

Alleen als we in de gehoor­zaam­heid trouw tot de dood blij­ven, zul­len we het eeu­wi­ge leven ontvangen.

Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven. (Open­ba­ring 2: 10)

In ons arti­kel “over het leven van de eer­ste chris­te­nen” is uit­ge­brei­der beschre­ven hoe de lief­de voor elkaar er in de prak­tijk uitziet.

7 Een chris­ten heeft de waar­heid lief

Er zijn veel ant­woord­po­gin­gen voor de belang­rijk­ste vraag­stuk­ken van het leven en het geloof. Maar het juis­te ant­woord en de waar­heid vin­den we bij God. Hij open­baart zich aan ons onder ande­re door de schep­ping, door ons gewe­ten en op de dui­de­lijk­ste manier door wat er in het Oude en Nieu­we Tes­ta­ment staat geschreven

Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloof­den: Als u in Mijn woord blijft, bent u wer­ke­lijk Mijn dis­ci­pe­len, en u zult de waar­heid ken­nen, en de waar­heid zal u vrij­ma­ken. (Johan­nes 8: 31–32)

De waar­heid te ken­nen, God en Zijn woord op de juis­te manier te begrij­pen, is heel belang­rijk voor het leven met God. Als we ons niet door God en de Hei­li­ge Schrift laten leren, dan gelo­ven we in onze eigen opvat­tin­gen over God, zoals wij Hem graag wil­len heb­ben. Maar een rela­tie met de leven­de God is op die manier niet mogelijk.

Een chris­ten is iemand die de waar­heid lief­heeft en die God en Zijn wil wer­ke­lijk wil begrij­pen. Hij wil zich door het Woord van de bij­bel laten vor­men en alle ver­keer­de manie­ren van den­ken cor­ri­ge­ren en elke vorm van zelf­be­drog laten ont­mas­ke­ren. Net zoals Pet­rus zal iede­re vol­ge­ling van Jezus over­tuigd zijn dat de leer van Jezus de weg tot het eeu­wi­ge leven is.

Simon Pet­rus dan ant­woord­de Hem: Hee­re, naar wie zul­len wij heen­gaan? U hebt woor­den van eeu­wig leven. En wij heb­ben geloofd en erkend dat U de Chris­tus bent, de Zoon van de leven­de God. (Johan­nes 6: 68–69)

Een chris­ten houdt vast aan de juis­te leer

Als we van­daag de dag met reli­gi­eu­ze men­sen over de bij­bel pra­ten, bele­ven we het vaak dat zij ”uit­leg­gen”, wat ze ertoe leidt om van gedach­ten te ver­an­de­ren of anders te han­de­len. Daar­voor gebrui­ken zij onbij­bel­se argu­men­ten. Maar een chris­ten luis­tert naar het Woord van God. Anders nege­ren wij Jezus, die zelf de waar­heid is en die geko­men is om ons de waar­heid te openbaren.

Het Nieu­we Tes­ta­ment bena­drukt het vast­hou­den aan de leer van Jezus en de apos­te­len. Val­se leren lei­den tot een ver­keerd leven. Daar­om is onze red­ding daar­van afhan­ke­lijk, of we de Bij­bel­se leer wil­len vol­gen of niet. Timo­the­üs had veel ver­ant­woor­de­lijk­heid voor de juis­te leer en Pau­lus schrijft aan hem:

Geef acht op uzelf en op de leer. Vol­hard daar­in. Want wan­neer u dat doet, zult u zowel uzelf behou­den als hen die u horen. (1 Timo­the­üs 4: 16)

Het vast­hou­den van de juis­te leer bete­kent ook zich van alle ver­keer­de invloe­den te dis­tan­ti­ë­ren. Chris­te­nen heb­ben de ver­ant­woor­de­lijk­heid om te toet­sen wat ande­re men­sen leren. Zij ver­mij­den de gees­te­lij­ke gemeen­schap met men­sen die de leer van Jezus niet vasthouden.

Let op uzelf, opdat wij niet ver­lie­zen waar­voor wij gewerkt heb­ben, maar een vol loon mogen ont­van­gen. Ieder die over­treedt en niet blijft in de leer van Chris­tus, die heeft God niet; wie in de leer van Chris­tus blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon. Als iemand bij u komt en deze leer niet brengt, ont­vang hem niet in huis en begroet hem niet. Want wie hem begroet, die heeft deel aan zijn slech­te wer­ken. (2 Johan­nes 8–11)

Ook over dit punt is er een uit­ge­breid arti­kel op onze web­si­te: „over het gevaar van val­se leren“.

***

Samen­ge­vat: wie is een christen?

Een paar aspek­ten van het leven van een chris­ten zijn:

***


Voetnoten

  1. Bron: Wiki­pe­dia
  2. Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.
  3. Luk­as 15 van­af vers 11
  4. Luk­as 9: 20–22
  5. Mar­kus 9: 23


Bron: Wiki­pe­dia

Als Bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij, ten­zij bij het citaat anders aan­ge­ge­ven, de Her­zie­ne Sta­ten­ver­ta­ling geciteerd.

Luk­as 15 van­af vers 11

Luk­as 9: 20–22

Mar­kus 9: 23