Over het gevaar van val­se leren

Een schaap met een wolvenkop. Een fotomontage die Jezus' waarschuwing tegen valse profeten, die als wolven in schaapskleren komen, treffend illustreert.

Waar­over gaat het in dit artikel?
Dit arti­kel schrij­ven wij waar­om wij gelo­ven dat de leer van Jezus de waar­heid van God is en hoe wij dit begrij­pen. Wie val­se leren leert, eert God niet. Val­se leren zijn een zuur­de­sem en lei­den de men­sen op een dwaalspoor.

1 Inlei­den­de gedach­ten over het belang van de juis­te leer

De essen­tie van het chris­ten­dom, wat chris­te­nen gelo­ven en wat ze hopen, is samen­ge­vat in de per­soon van Jezus Chris­tus. Wie iets anders leert dan wat Jezus leer­de, ver­acht zijn auto­ri­teit en daar­door ook de auto­ri­teit van God. Dat toont de hoog­moed van val­se lera­ren en het wordt dan ook begrij­pe­lijk waar­om het nieu­we tes­ta­ment zul­ke har­de woor­den over hen zegt.

Van­daag de dag heerst er onder the­o­lo­gen vaak de mening, dat veel berich­ten over het leven van Jezus legen­den zijn. Zij den­ken ook dat veel van de woor­den van Jezus in de Bij­bel uit de vro­me fan­ta­sie van zijn vol­ge­lin­gen komen en dat Jezus deze woor­den niet wer­ke­lijk heeft gezegd. Op die manier heb­ben deze the­o­lo­gen een ”goe­de” reden om het nieu­we tes­ta­ment niet zo seri­eus te nemen. Een ”goed” excuus om de woor­den van de hei­li­ge schrift niet gehoor­zaam te zijn. Ze cre­ë­ren op deze manier hun eigen religie.

De zoge­noem­de libe­ra­le the­o­lo­gen nemen als van­zelf­spre­kend aan dat de pas­to­ra­le brie­ven (1 en 2 Timo­theus en Titus) niet authen­tiek zijn. Maar de waar­heid die in deze brie­ven staat is toch ook de waar­heid over hen, net zoals wat Pau­lus in de brief aan de Gala­ten 1:8–9 schrijft:

Wan­neer iemand u iets ver­kon­digt dat in strijd is met wat ik u ver­kon­digd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel — ver­vloekt is hij! Ik heb het al eer­der gezegd en zeg het nu opnieuw: wan­neer iemand u iets ver­kon­digt dat in strijd is met wat u hebt ont­van­gen — ver­vloekt is hij! (NBV)[1]

Er zijn veel men­sen die den­ken, dat de leer niet zo belang­rijk is. Die manier van den­ken komt vaak voort uit het feit dat ze zich­zelf en ande­re men­sen niet wil­len beoor­de­len (zie ook ons arti­kel ”lief­de en beoor­de­len”). De argu­men­ta­tie luidt dan dat we tole­rant moe­ten zijn en de manier van den­ken van iemand anders moe­ten accep­te­ren omdat je de waar­heid sowie­so niet kan vin­den. Maar Jezus zegt in het evan­ge­lie van Johannes:

En tegen de Joden die in hem geloof­den zei Jezus: ’Wan­neer u bij mijn woord blijft, bent u wer­ke­lijk mijn leer­lin­gen. U zult de waar­heid ken­nen, en de waar­heid zal u bevrij­den.’ (Johan­nes 8:31–32) (NBV)

Hoe belang­rijk de juis­te leer wer­ke­lijk is, hopen wij door de vol­gen­de gedach­ten begrij­pe­lijk te maken.

2 De leer van Jezus is de waar­heid van God

Jezus ant­woord­de: ’Wat Ik u leer, heb Ik niet van Mij­zelf, maar van God. Hij heeft Mij gestuurd. Als iemand ernaar ver­langt Gods wil te doen, zal Hij kun­nen onder­schei­den of mijn woor­den van God komen of van Mij­zelf.’ (Johan­nes 7:16–17) (Het Boek)

Bij de din­gen die Jezus zegt legt hij er de nadruk op dat God de oor­sprong van zijn leer is. Wat hij zegt is wat God zegt. Door de woor­den van Jezus kun­nen wij het wezen van God en zijn wil leren ken­nen. De belang­rijk­ste voor­waar­de daar­voor is de bereid­heid om vol­gens de wil van God te leven.

3 Wie val­se leren leert, eert God niet

Jezus waar­schuw­de zijn dis­ci­pe­len op hun hoe­de te zijn voor het zuur­de­sem van de sad­du­cee­ërs en fari­zee­ërs (Mat­te­üs 16: 6 en 12). Hij bedoel­de hun leer daar­mee. Hij gebruik­te ook het vol­gen­de citaat uit het oude testament:

tever­geefs ver­e­ren ze mij, want ze onder­wij­zen hun eigen leer, voor­schrif­ten van men­sen. (Mat­te­üs 15:9) (NBV)

Jezus noemt het niet alleen ver­geef­se Gods­dienst, maar hij noem­de de schrift­ge­leer­den en de fari­zee­ërs ook huichelaars:

Hui­che­laars, wat is Jesaja’s pro­fe­tie toch toe­pas­se­lijk op u: ’Dit volk eert mij met de lip­pen, maar hun hart is ver van mij;’ (Mat­te­üs 15:7–8) (NBV)

Wat Jezus vaak bekri­ti­seert zijn de toe­voe­gin­gen aan de hei­li­ge schrift van­uit de traditie.

Iede­re leer, die afwijkt van het Bij­bel­se fun­da­ment is een gebod van men­sen. Men­sen, die ande­re doe­len heb­ben als God te die­nen, heb­ben zul­ke leren ver­zon­nen. Val­se leren zijn het resul­taat van onge­hoor­zaam­heid en kun­nen daar­om niet als gevolg een rela­tie met God heb­ben. Als iemand in een val­se leer blijft gelo­ven, hoe­wel de juis­te leer aan hem werd uit­ge­legd, dan leidt het tot een ver­nie­ti­ging van de rela­tie met God (als hij een rela­tie met God had).

De leer is een uit­druk­king van het wezen van God. Daar­om leidt een val­se leer tot een ver­keer­de voor­stel­ling van God.

4 De leer en het leven zijn nauw met elkaar verbonden

Er zijn ver­schil­len­de voor­beel­den, die dit feit ver­aan­schou­we­lij­ken. Bij­voor­beeld de vol­gen­de gelijkenis:

Wan­neer Ik kom in mijn heer­lijk­heid met al de enge­len, zal Ik op mijn schit­te­ren­de troon zit­ten. Alle vol­ken zul­len voor Mij bij­een wor­den gebracht. Dan zal Ik hen van elkaar schei­den, zoals een her­der de scha­pen en de bok­ken scheidt. De scha­pen zal Ik aan mijn rech­ter­hand zet­ten en de bok­ken aan mijn lin­ker­hand. Dan zal Ik tegen de men­sen aan mijn rech­ter­hand zeg­gen: ’Kom, geze­gen­de kin­de­ren van mijn Vader. U mag het Konink­rijk bin­nen­gaan, dat van het begin van de wereld af voor u bestemd is. Want Ik had hon­ger en u hebt Mij te eten gege­ven. Ik had dorst en u hebt Mij te drin­ken gege­ven. Ik was een vreem­de­ling en u hebt Mij in uw huis uit­ge­no­digd. Ik had niets om aan te trek­ken en u hebt Mij kle­ren gege­ven. Ik was ziek en u hebt Mij opge­zocht. Ik zat in de gevan­ge­nis en u bent bij Mij geweest.’ Deze goe­de men­sen zul­len vra­gen: ’Here, wan­neer heb­ben wij gezien dat U hon­ger had en heb­ben wij U te eten gege­ven? Of dat U dorst had en heb­ben wij U te drin­ken gege­ven? Of dat U een vreem­de­ling was en heb­ben wij U gehol­pen? Of dat U niets had om aan te trek­ken en heb­ben wij U kle­ren gege­ven? En wan­neer was U ziek of zat U in de gevan­ge­nis en heb­ben wij U bezocht?’ Ik zal tegen hen zeg­gen: ’Toen u dit voor één van mijn min­ste broe­ders hebt gedaan, deed u het voor Mij.’ Daar­na zal Ik tegen de men­sen aan mijn lin­ker­hand zeg­gen: ’Weg jul­lie, ver­vloek­ten! Naar het eeu­wi­ge vuur dat voor de dui­vel en zijn tra­wan­ten bestemd is. Want Ik had hon­ger en u wil­de Mij niet te eten geven. Ik had dorst en u wil­de Mij niet te drin­ken geven. Ik was een vreem­de­ling en u wil­de Mij niet in huis opne­men. Ik had niets om aan te trek­ken en u wil­de Mij geen kle­ren geven. Ik was ziek en u wil­de Mij niet opzoe­ken. Ik zat in de gevan­ge­nis en u hebt Mij aan mijn lot over­ge­la­ten.’ Dan zul­len zij vra­gen: ’Maar Here, wan­neer heb­ben wij dan gezien dat U hon­ger had of dorst? Of dat U een vreem­de­ling was? Of dat U niets had om aan te trek­ken? Of dat U ziek was of in de gevan­ge­nis zat? Wan­neer heb­ben wij U niet gehol­pen?’ Ik zal hun ant­woor­den: ’Toen u de min­ste van mijn broe­ders niet wil­de hel­pen, wil­de u Mij niet hel­pen.’ Die men­sen gaan naar de eeu­wi­ge straf. Maar de goe­de en eer­lij­ke men­sen gaan naar het eeu­wi­ge leven. (Mat­te­üs 25:31–46) (Het Boek)

Als iemand bij­voor­beeld deze gelij­ke­nis zo inter­pre­teert, als­of dit betrek­king op chris­te­nen zou heb­ben (dat hoort men niet zel­den), dan is zijn voor­stel­ling van het chris­ten­dom beperkt tot de inzet op soci­aal gebied. Maar in deze gelij­ke­nis spreekt Jezus over men­sen, die hem niet ken­nen. Zij zijn ver­won­derd dat zij het goe­de, dat ze heb­ben gedaan, voor Jezus heb­ben gedaan. Een chris­ten weet natuur­lijk dat alles wat hij doet, voor Jezus is. Jezus zegt hier dus iets over de vraag wat er in de eeu­wig­heid gebeurt met men­sen die hem hier op aar­de niet kon­den leren ken­nen. Het Griek­se woord eth­noi (naties) in vers 32 ver­wijst daar­naar. De joden maak­ten ook taal­kun­dig een onder­scheid tus­sen het/​hun volk (Grieks: laos) en alle ande­re vol­ken (Grieks: eth­noi) wat bij­voor­beeld ook in Han­de­lin­gen 26:17 zicht­baar wordt. ”Eth­noi” (naties) zijn de vol­ken die God niet ken­nen. Wij als chris­te­nen zijn gezan­ten van Chris­tus (2. Korin­ti­ërs 5: 20), die ook weten dat ze deze opdracht heb­ben om door de ver­brei­ding van de leer van Jezus en door een hei­lig leven God aan te beve­len. Jezus zal aan chris­te­nen dan ook zeker vra­gen of ze dat heb­ben gedaan.

De gelij­ke­nis van het onkruid tus­sen de tar­we is ook een inte­res­sant voorbeeld:

Jezus ver­tel­de nog een gelij­ke­nis. U kunt zich het Konink­rijk van de heme­len ook zo voor­stel­len. Een boer zaai­de goed graan op zijn land. Maar op een nacht, ter­wijl ieder­een sliep, kwam zijn vij­and en zaai­de onkruid tus­sen het graan. Toen het graan begon te groei­en, schoot ook het onkruid op. De knech­ten gin­gen naar de boer toe en zei­den: ’Het veld waar u dat goe­de graan hebt gezaaid, staat vol onkruid!’ ’Dat heeft een vij­and gedaan”, zei hij. ’Zul­len wij het onkruid ertus­sen uit­trek­ken?’ vroe­gen zij. ’Nee,’ ant­woord­de de boer. ’Want dan trek­ken jul­lie het jon­ge graan ook mee. Laat ze maar samen opgroei­en tot de oogst. Dan zal ik tegen de maai­ers zeg­gen dat zij eerst het onkruid bij­een moe­ten halen en ver­bran­den. Daar­na kun­nen zij het graan in de schuur bren­gen. (Mat­te­üs 13:24–30) (Het Boek)

Van­daag de dag zeg­gen veel men­sen dat deze gelij­ke­nis betrek­king heeft op de kerk. Ze wil­len het dan als een argu­ment gebrui­ken om te zeg­gen dat de gelo­vi­gen en de onge­lo­vi­gen samen kun­nen zijn in een gemeen­te. Zij den­ken dat dan eerst aan het ein­de van de wereld dui­de­lijk zal wor­den wie er wer­ke­lijk bij God hoort en wie niet. Ze wil­len daar­mee bear­gu­men­te­ren dat een chris­ten zich niet hoeft af te schei­den van een onge­lo­vi­ge en dat hij hem ook niet hoeft te beoor­de­len (zie ook ons arti­kel ”lief­de en beoor­de­len”), omdat God aan het ein­de zal oor­de­len. Als men een beet­je ver­der leest, is zicht­baar dat Jezus hier over iets anders praat.

Hij leg­de name­lijk uit dat de akker de WERELD is (Mat­te­üs 13:37). In de WERELD leven de recht­vaar­di­ge en de onrecht­vaar­di­ge samen hoe­wel God alle men­sen goed heeft gemaakt. God wil niet alle onge­hoor­za­me men­sen in de wereld uit­roei­en. Hij gaf ieder­een een vrije wil om je leven te leven zoals je dat wilt tot zijn dood. Wij kun­nen in ande­re tek­sten in het nieu­we tes­ta­ment zien, dat een chris­ten geen gees­te­lij­ke gemeen­schap met iemand kan heb­ben die een onge­lo­vi­ge is.

Loop niet in een en het­zelf­de span met onge­lo­vi­gen. Wat is de ver­want­schap tus­sen gerech­tig­heid en wet­te­loos­heid? Wat heeft licht met duis­ter­nis te maken? Waar­in lij­ken Chris­tus en Beliar op elkaar? Wat heb­ben een gelo­vi­ge en een onge­lo­vi­ge gemeen? Wat heeft de tem­pel van God met afgo­den te maken? Wij­zelf zijn de tem­pel van de leven­de God, zoals God heeft gezegd: ’Ik zal bij hen wonen en in hun mid­den ver­ke­ren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk. Daar­om zegt de Heer: Ga weg bij de onge­lo­vi­gen, zon­der je van hen af en raak niets aan dat onrein is. Dan zal ik jul­lie aan­ne­men en jul­lie vader zijn, en jul­lie mijn zonen en doch­ters — zegt de almach­ti­ge Heer.’ (2 Korin­ti­ërs 6:14–18) (NBV)

4.1 Val­se leren wer­ken als een zuurdesem

Daar­om waar­schuwt de Bij­bel ons…

… er is nog één ding waar­voor ik u ern­stig wil waar­schu­wen, en dat is het gevaar van scheu­ring. Som­mi­gen zijn daar­op uit. Zij pro­be­ren u ver­keer­de din­gen te laten doen, din­gen die ingaan tegen wat u is geleerd … (Romei­nen 16:17) (Het Boek)

Wij mogen dit citaat niet ego­cen­trisch inter­pre­te­ren. Het gaat niet over de een of ande­re leer die wij 2000 jaren na Jezus heb­ben gehoord maar het gaat over de juis­te leer die de chris­te­nen in Rome in de eer­ste eeuw gehoord hebben.

In zijn brief aan Titus schrijft Paulus:

Wie na twee keer te zijn terecht­ge­we­zen nog steeds ver­deeld­heid zaait, moet je uit de gemeen­te ver­wij­de­ren; je weet dat zo iemand het spoor vol­ko­men bijs­ter is en door te zon­di­gen zich­zelf ver­oor­deelt. (Titus 3:10–11) (NBV)

4.2 Val­se lera­ren lei­den men­sen op een dwaalspoor

Dwaal­le­ra­ren wil­len de waar­heid aan de voor­stel­ling en wen­sen van men­sen aan­pas­sen: van men­sen, die iets com­for­ta­bels en inte­res­sants zoe­ken, wat meer zeker­heid lijkt te geven, maar de wat moge­lijk­heid voor com­pro­mis­sen openhoudt.

Want er komt een tijd dat de men­sen de heil­za­me leer niet meer ver­dra­gen, maar lera­ren om zich heen ver­za­me­len die aan hun ver­lan­gens tege­moet­ko­men en hen naar de mond pra­ten. Ze zul­len niet meer naar de waar­heid luis­te­ren, maar naar ver­zin­sels. (2 Timo­te­üs 4:3–4) (NBV)

Val­se leren wor­den vaak snel ver­breid. Het is mak­ke­lij­ker om op de bre­de weg te lopen — maar die leidt in het ver­derf. In het nieu­we tes­ta­ment wordt de gemeen­schap met val­se leraars heel dui­de­lijk afgekeurd:

Wie niet bij de leer van Chris­tus blijft maar ver­der wil gaan, heeft God niet. Wie bij die leer blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon. Als er iemand bij u komt die deze leer niet uit­draagt, ont­vang hem dan niet in uw huis en groet hem niet, want wie zo iemand groet, is mede­plich­tig aan zijn kwa­lij­ke prak­tij­ken. (2 Johan­nes 9–11) (NBV)

In de tijd van het nieu­we tes­ta­ment was gast­vrij­heid een ere­zaak, ook voor de chris­te­nen. Iemand te groe­ten bete­ken­de iets intie­mers als wat het van­daag bete­kent. Johan­nes keurt deze gemeen­schap af in het geval van val­se lera­ren; chris­te­nen moe­ten dui­de­lijk laten zien dat ze afstand nemen van iede­re val­se leer. Wat heb­ben waar­heid en leu­gen met elkaar te maken?

Iede­re chris­ten zal ijve­rig zijn om de juis­te leer te leren ken­nen. Dit is een uiting van zijn lief­de voor de waar­heid en het cre­ëert de basis om op de smal­le weg ver­der te kun­nen gaan. Daar­om ver­maant Pau­lus de christenen:

… Dan zijn we geen onmon­di­ge kin­de­ren meer die stuur­loos rond­dob­be­ren en met elke wind mee­waai­en, met wat er maar ver­kon­digd wordt door men­sen die tot alles in staat zijn wan­neer ze ande­ren lis­tig en door­trapt op een dwaal­spoor wil­len bren­gen … (Efe­zi­ërs 4:14) (NBV)

Als het iemand zich niet bewust laat lei­den door het woord van God moet hij niet ver­baasd te zijn als hij op een dwaal­spoor wordt gebracht. Zelfs lui­heid in het naden­ken opent al de deur voor de invloed van val­se leren.

”NEEM JE IN ACHT, HOUD JE AAN DE LEER EN BLIJF DAT DOEN; DAN RED JE ZOWEL JEZELF ALS HEN DIE NAAR JE LUISTEREN.” (1 Timo­te­üs 4:16) (NBV)


Voetnoten

  1. Als bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij vaak ”Het Boek” geci­teerd van­we­ge de een­vou­dig­heid. Wan­neer deze ver­ta­ling de zin van de tekst inhou­de­lijk niet goed weer­geeft cite­ren wij de NBV-ver­ta­ling. Dit is dan aan het ein­de van het citaat vermeld.


Als bij­bel­ver­ta­ling heb­ben wij vaak ”Het Boek” geci­teerd van­we­ge de een­vou­dig­heid. Wan­neer deze ver­ta­ling de zin van de tekst inhou­de­lijk niet goed weer­geeft cite­ren wij de NBV-ver­ta­ling. Dit is dan aan het ein­de van het citaat vermeld.